OKV1997.2
Jan Raes naar Peter Paul Rubens, Decius Mus raadpleegt de Auguren. Brussel, wol en zijde, 4 x 5 m. Antwerpen, Rubenshuis
Rubens is als schilder wereldberoemd. Minder bekend is dat hij als tapijtontwerper de grenzen verlegde van de tapijtweefkunst.
Zo ontwierp Rubens vier imposante reeksen: de geschiedenis van Decius Mus, Achilles en Constantijn en de Eucharistiereeks. Ze werden geweven in beroemde Brusselse, Antwerpse en Franse ateliers. De reeksen bestaan uit acht tot twintig tapijten. Er zullen telkens drie of vier prachtige tapijten uit elke reeks te zien zijn.
Daarnaast worden zoveel mogelijk stappen uit het creatieproces van ontwerp tot tapijt getoond. Zo worden de wandtapijten geplaatst naast de ontwerpen van Rubens, nl. zijn olieverfschetsen.
Ook schilderijen van Rubens die hij niet als tapijtontwerp had voorzien, werden in wandtapijten omgezet. Een aantal van deze stukken sluiten het eerste deel van de tentoonstelling af.
Het tweede deel van de tentoonstelling belicht het bijna vergeten Rubenstextiel: kant en borduurwerk waarvoor de makers inspiratie zochten in de Rubensgrafiek. Rubens als smaakmaker dus, waarbij het getoonde textiel geïnspireerd is op zijn werk.
Niet alleen in kantwerk liet Rubens' oeuvre sporen na, ook werden ontelbare kazuifels, altaarvoorhangen en zelfs tafelkleden uit de 17de eeuw versierd met taferelen naar Rubens. Steeds weerkerende thema's zijn: scènes uit het leven van Christus of Maria, patroonheilige van de kerken en de Emmausgangers. Hiervoor grepen de borduurders en wevers terug naar de ruimverspreide Rubensgrafiek.
Hessenhuis, Antwerpen. Van 28 juni tot 5 oktober 1997
Op dinsdag 11 maart vond in het Provinciehuis van Oost-Vlaanderen een studiedag "Interbellumarchitectuur en Monumentenzorg" plaats.
Gouverneur H. Balthasar, Prof. F. Van Tyghem, wet. assistente L. Meganck (RUG) A. Demey (Kunstpatrimonium O-VL), arch. A. Malliet (ROHM), arch. L. Van Campen, arch. M. Dubois (St-Lukas) en N. Poulain (Interbellum v.z.w.) waren de sprekers voor een druk bezet auditorium. In de namiddag waren er bezoeken in Gent, Sint-Niklaas en Ronse.
Onderwerp waren de studie van het Oostvlaamse interbellumpatrimonium, de problematiek en effectiviteit van bescherming van dit patrimonium. Drie restauratiecases werden toegelicht: het huis Guiette (arch. Le Corbusier, Antwerpen), de villa Marstboom (arch. E. Van Steenbergen, Hove) en de woning van arch. G. Eysselinck (Gent). Norbert Poulain toonde nog een cabinet des horreurs, met restauraties, genre plastic dakgoten aan een art deco gevel.
Een geïllustreerde referatenbundel wordt door het Provinciebestuur Oost-Vlaanderen in het vooruitzicht gesteld. Wij houden U op de hoogte.
Ondertussen verwijs ik de interbellumliefhebber beslist naar de v.z.w. Interbellum, Olijfstraat 69, 9000 Gent, 09/226. 79.46. Deze v.z.w. fungeert als studiecentrum en geeft een gelijknamig tijdschrift uit met dossiers en aankondigingen van geleide bezoeken en excursies. Niet duur en goed.
Op initiatief van de Vlaamse Contactcommissie Monumentenzorg (VCM) vond op 8 maart in een volgeladen Aula Pieter De Somer (KU Leuven) de ontmoetingsdag over Kerkelijk Erfgoed plaats.
Het thema kerkelijk erfgoed is een noemer waaronder een werkelijk enorm patrimonium schuilgaat, zowel onroerend (bijv. de kerkgebouwen zelf) als roerend (bij. de heiligenbeelden, zilverwerk, liturgische gewaden, ... ).
De problemen en oplossingen worden beïnvloed door complexe eigendoms- en beheersstructuren; bijv. wie bezit de kerk: het gemeentebestuur?, de kerkfabriek? Bovendien wordt de bespreking van de problematiek gekenmerkt door enerzijds levensbeschouwelijke (een kerk is een cultusplaats) en anderzijds maatschappelijke gegevens en stromingen die een voortdurende actualisering noodzakelijk maken. Om maar één probleemstelling te noemen: hoe ver kan men gaan in het hergebruik van een leegstaande (en gerestaureerde) kerk: concertzaal (ook rockmuziek?), toneel (welke stukken?), expositieruimte (alle kunst?), ...
Het zijn problemen die door de verschillende sprekers in hun referaat en vanuit hun standpunt werden uiteengezet: gouverneur H. Balthasar, burgemeester Louis Tobback, Mark Fierlafijn (jurist), Ludo Collin (kanselier bisdom Gent) en René Stockman (voorzitter van de vereniging der Hogere Oversten van België). Journalist Miel Dekeyzer zorgde voor een gesmaakte causerie.
Het debat in de namiddag kon niet op gang komen. het voornaamste was evenwel gebeurd tijdens de referaten: de problemen zijn gesteld en de violen min of meer gestemd . Een vervolg dringt zich op. Vlaams Minister van Cultuur, Gezin en Welzijn, Luc Martens, stelde in de slottoespraak binnen korte termijn de oprichting van een Stichting voor Religieus en Kerkelijk Patrimonium in het vooruitzicht, die zal werken binnen een Europees perspectief. Haar opdrachten passen binnen de beleidsdoelstellingen van de minister naar het kerkelijk erfgoed toe. Er moet studie en inventarisatie gebeuren, er moeten een accurater beheer en een bredere ontsluiting komen, er moet een deontologie voor de herbestemming worden ontwikkeld en er moet een synergie worden aangegaan met andere maatschappelijke factoren.
De VCM stelt een publicatie met de referaten en het verslag van de studiedag in het vooruitzicht.
INFO: VCM, Huis Schott, Eikstraat 27, 1000 Brussel, tel. 02/549.07.32 en fax 02/502.43.30.
Kant, de meest verfijnde der textiele kunsten, behoort ontegensprekelijk tot het Europese cultuurpatrimonium.
Brugge zal, als Europese kantstad bij uitstek, in het Arentshuis een waaier van meesterwerken in kant uit Engeland, Franrijk, Italië, Rusland, Spanje, Zwitserland en België samenbrengen en exposeren.
De glansrijke 17de-, 18de- en 19de-eeuwse schilderijportretten met kant geven een schitterend beeld van de vestimentaire functie van de kant doorheen de verschillende kunststijlen en in de diverse landen. Uitmuntende, niet enkel documentair maar picturaal ook interessante portretschilderijen met kostuumkant worden vergeleken met de echte kantstukken die in bepaalde gevallen qua decor nagenoeg identiek zijn.
De tentoonstelling beoogt ook een historische schets te zijn van de geschiedenis van de kant in Europees perspectief. Zowel politieke, economische als sociale achtergronden hebben immers het ontstaan van bepaalde kantsoorten in de hand gewerkt of een andere wending op stilistisch of commercieel vlak teweeggebracht. Het is fascinerend te kunnen vaststellen dat, ondanks de rijkdom aan culturele verscheidenheid, er een frappante eenheid is.
Een gelijkaardige en simultane evolutie voltrekt zich doorheen mode en stijlen. Wat verschilt zijn de accenten. Een andere vaststelling is dat de aristocratie uit heel Europa doorgaans liever geportretteerd werd in kostuums met Italiaanse, Vlaamse of Franse kant dan deze uit de plaatselijke productie.
Arentshuis, Brugge. Van 10 september tot 16 november 1997
HANSLI, (ombuigzaam halssnoer voor zowel mannen als vrouwen) goud, diamant, robijn en smaragd, geregen aan één streng natuurparels- midden 18e eeuw. Privé-verzameling
In Indië heeft het bezitten en het dragen van juwelen altijd een fundamenteel en integraal deel uitgemaakt van het dagelijkse leven.
Juwelen weerspiegelen niet alleen de J luxe, rijkdom en de sociale status van de drager, maar ze vormden ook een integraal bestanddeel van de maatschappelijke structuur en godencultus. Bovendien bezitten edele metalen en edelstenen niet alleen quasi-goddelijke maar ook astrologische en profylactische eigenschappen. Indië kent dan ook een enorm rijke traditie aan juweelkunst.
Moguljuwelen zijn bijzonder kleurrijk en daarom al "een streling voor het oog", niet het minst door de talrijke emailsoorten maar ook door de aanwezigheid van de edelgesteenten robijn en smaragd. Ook de golconda-diamant speelt een vrij belangrijke rol in deze juwelen.
Uit de bloeitijd van het Mogolrijk, de 16de en 17de eeuw, zijn nog weinig juwelen bewaard gebleven. Het Diamantmuseum toont een 100-tal unieke Indische juwelen, echte topstukken, uit de latere Mogolperiode, de 18de en 19de eeuw.
De meeste tentoongestelde sieraden werden ontleend uit privé-collecties. De selectie werd gemaakt door Indische experts. Een schitterende catalogus, waarin naast het kleurrijke catalogusgedeelte ook een omvangrijk informatief gedeelte wordt ingelast, zal ter beschikking zijn.
Provinciaal Diamantmuseum, Antwerpen. Van 8 mei tot 17 augustus 1997
Links: "Le musée Spitzner" (1943). detail. Communauté Française de Belgique, inv. A.P.C. 49, in depot in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel.
Rechts: Paul Delvaux. "Solitude" (1955). detail. Collectie van de Belgische Staat, inv. 7806.
Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van Paul Delvaux (1897-1994) wordt deze omvangrijke tentoonstelling georganiseerd. Met deze retrospectieve wil men een zo volledig mogelijk panorama geven van de artistieke productie van Delvaux en hem situeren binnen de internationale stromingen van zijn tijd.
Paul Delvaux begint vanaf 1925 regelmatig te exposeren. Zijn werk is sterk beïnvloed door de Vlaamse expressionisten. Wanneer hij kennis maakt met de surrealistische werken van René Magritte en diep onder de indruk komt van de metafysische werken van Giorgio de Chirico, betekent dit voor hem een keerpunt. Hij sluit zich echter niet aan bij de surrealisten, Delvaux is een eenling die zich niet interesseert voor het sociale of politieke leven. Na 1945 komt zijn talent pas goed tot bloei, hij wordt bekend en gevierd.
De retrospectieve in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België omvat 130 schilderijen en 120 werken op papier. De tentoonstelling is opgesteld rond de geliefde thema's van de kunstenaar zoals de oudheid, het skelet, de stations en de treinen, de vriendinnen, de voorstad, de ontmoeting, de droom en de wetenschap, de eenzaamheid, de courtisanes, de stad ... De werken worden vergezeld van archiefdocumenten die de relatie tussen het oeuvre en de denkwereld van de kunstenaar belichten.
Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel. Tot 27 juli
Koffiekan. Meester met zittend hondje, Oudenaarde, 1780. Suikergoedschaaltje met lepeltjes. Jacques-Gaspard de Moitemont, Mons, 1743. Strooibus en mosterdpot, Lier, Stedelijk Museum Wuyts-Van Campen en baron Caroly
In 1996 stelde het Provinciaal Textiel en Kostuummuseum Vrieselhof de textielverzameling van baron Georges Caroly (1862-1935) tentoon.
Deze kunstminnaar had in zijn huis aan de Komedieplaats in Antwerpen ook familiezilver, dat hij destijds meermaals uitleende voor exposities. Na zijn dood kwam dit zilver in het Stedelijk Museum Wuyts-Van Campen en baron Caroly in Lier terecht. Hoewel de collectie qua omvang eerder bescheiden is, komt er zilver uit België, Duitsland, Engeland, Frankrijk, Italië en Nederland in voor.
Ze omvat zowel penningen, huiszilver als uurwerken. In de tentoonstelling bevinden zich enkele topstukken, zoals een achttiende-eeuwse Oudenaardse koffiepot en een rijtuiguurwerk van Karel Alexander van Lotharingen.
De verzameling van baron Caroly geeft een idee van het dagdagelijkse huiszilver dat de gegoede burgerij in het begin van deze eeuw bezat.
Provinciaal Museum Sterckshof-Zilvercentrum. Van 17 mei tot 13 juli
Vaas, decoratie: Horace Bieuville, uitvoering: Munufacture Nationale de Porcelaine de Sèvres, 1901
Het Museum voor Sierkunst en Vormgeving bezit een interessante verzameling art nouveau, waarbij sterk de nadruk ligt op de Belgische ontwerpers (Van de Velde, Serrurier-Bovy, Hankar, Horta).
In de collecties komen zowel de decoratieve tendens als de constructivistische richting van de art nouveau aan bod.
In de decoratieve richting worden de relaties met het symbolisme, naturalisme en met de oosterse kunst uit Japan en China duidelijk gemaakt. In de constructivistische tendens is vooral de Belgische art-nouveau-bijdrage aanwezig.
Binnen het complex van lokale varianten van art nouveau neemt de Belgische bijdrage een bijzondere plaats in. In vergelijking met de florale stijl van Gallé en de school van Nancy doet het Belgische werk abstracter aan: men richt zich op de stengel in plaats van op de bloem. Zo creëert men een lineaire vormentaal die organisch, dynamisch en ritmisch is.
Henri Van de Velde is één van de architecten waar de vernieuwing in België van uitgaat. Van hem wordt een kamer uit 1899 getoond.
Tafeltje voor eigen woning (Brussel), Paul Hankar, mahoniehout, 1893
De meubels van de Gentenaar Albert Van Huffel, die meerdere impulsen uit de art nouveau verwerken, dateren van rond 1920 maar lijken in een vroegere periode thuis te horen.
Hetzelfde kan men zeggen van het glaswerk van René Lalique, een schoolvoorbeeld van de Franse art deco, of van de wat aparte, decoratieve stijl die tijdens en na de Eerste Wereldoorlog in Amsterdam opgang maakt.
Hoffmann en Powolny vertegenwoordigen in de collectie de Weense florale sierstijl, de Amsterdamse School wordt geïllustreerd door Gidding en Colenbrander.
Museum voor Sierkunst en Vormgeving, Gent. Van 13 september tot 23 november 1997
Precies 300 jaar geleden stierf Lucas Faydherbe, de meest talentvolle Mechelse kunstenaar uit de zeventiende eeuw.
Zijn leertijd bracht hij door op het atelier van Peter-Paul Rubens. Naar diens ontwerpen voerde hij kleinsculptuur in ivoor uit. Tevens vond hij in Rubens' stijl een belangrijk uitgangspunt voor zijn eigen barokke expressiviteit. Na zijn definitieve terugkeer in Mechelen, wist Faydherbe daar grote naam te verwerven door zijn monumentale architectuur en sculptuur die grotendeels in het teken van de Contrareformatie stond en de daarmee samenhangende vernieuwing van de kerken en hun interieur.
De tentoonstelling zal worden georganiseerd op twee niveaus. In het "Hof van Busleyden" zullen voorbeelden worden getoond van Faydherbes beeldhouwwerk van klein formaat. Behalve aan hem toegeschreven ivoorsculpturen zullen daar ook representatieve voorbeelden van zijn werk in terracotta te zien zijn.
Daarnaast leidt een wandelparcours doorheen de Mechelse binnenstad langs het nog bestaande monumentale oeuvre van Faydherbe, zoals het zich vandaag nog bevindt op de plaats waarvoor het oorspronkelijk bestemd was.
Hof van Busleyden, Mechelen. Van 13 september tot 16 november 1997
Wat hangt er in uw kleerkast? T-shirts en jeans made in Vietnam of Thailand? Schoenen uit Brazilië, een winterjas uit China, of een japon van een Japanse ontwerper?
Zelfs voor wie zich in de jaren negentig traditioneel westers kleedt, is het zeer waarschijnlijk dat alle kleding uit het Westen komt. Lageloonlanden produceren immers veel goedkoper en de Japanse mode heeft een groot prestige.
Kledingstukken en accessoires uit Azië, Noord-Afrika en het Midden-Oosten zijn populair. Ontwerpers uit het Westen laten zich dan ook graag inspireren door het exotische. Dat dit laatste niet alleen een fenomeen uit onze tijd is, wordt duidelijk gemaakt op de expo "De wereld in de kleerkast".
Bedrukt katoen uit India werd actueel in de jaren zeventig en is dat nog steeds. Drie eeuwen geleden maakte Europa kennis met Indische sits of beschilderd en bedrukt katoen. Het werd een echte rage. De Japanse kimono als négligé werd populair op het einde van de 19de eeuw. De manskamerjas komt van de Indische kledij die onder de naam "Japonsche rok" in de 18de eeuw populair werd.
In de 19de eeuw dragen de mannen binnenshuis een "smoking cap", een hoedje in de vorm van een Oosterse fez.
Zelfs het dragen van onderbroeken is een gewoonte die uit het Oosten is overgenomen.
De pyjama was voor de 19de eeuw onbekend. Het woord en het kledingstuk komen uit Perzië.
Ivoren waaiers uit China, kasjmiersjaals uit India en beschilderde waaiers uit Japan, waren onmisbare accessoires voor de 19de-eeuwse modieuze vrouw. De invloed gaat wel in beide richtingen. Traditionele niet-Westerse kleding wordt steeds meer door het Westen beïnvloed.
Provinciaal textiel- en kostuummuseum Vrieselhof, Oelegem. Tot en met 30 november 1997
Jean Bilquin. Campo Santo
De tentoonstelling is een totaal werk, gemaakt voor de tentoonstellingsruimte Campo Santo, rekening houdend met de verhoudingen, het ritme van de architectuur en de bestaande decoratie.
Aan het hele project werd door Jean Bilquin (Gent, 1938) meer dan een jaar gewerkt. Het was voor de kunstenaar een uitdaging om deze ruimte optimaal te benutten en er een tentoonstelling voor te concipiëren die enerzijds aansluit met deze ruimte als kapel, een religieuze ruimte, en anderzijds met de mens als profaan wezen. Hiervoor heeft Bilquin de kruisweg gekozen, gezien als de levensweg van de mens als individu, het vallen en opstaan van de mens. Dit vallen en opstaan bestaat uit 8 monumentale doeken van 2.80m x 1.60m die onder elk raam werden opgehangen, met de mens erop uitgebeeld. Een horizontale okerkleurige band, met daarop ovalen paneeltjes waarop het leven op een positieve wijze - als een teken - wordt voorgesteld, verbindt de doeken met elkaar. Voor het altaar staat een sober beeldje dat de mens op een minimale manier uitbeeldt.
Campo Santo, Sint-Amandsberg (Gent). Tot 25 mei 1997
In 1897 werd de wereldtentoonstelling "Exposition Bruxelles-Tervueren" ingericht. Eén van de meest fascinerende evenementen was zonder twijfel de "Koloniale Tentoonstelling" in Tervuren.
In het Koloniënpaleis werden import en exportartikelen, verzamelingen etnografica, fauna, flora en chryselefantiene beelden in een schitterend art nouveau-decor tentoongesteld. Aan de vijvers werden drie Afrikaanse dorpen opgericht, waar 267 Afrikanen het publiek op een meer directe manier in contact brachten met het verre Kongo. Door het succes van deze tentoonstelling kreeg de collectie vanaf 1898 een permanente opstelling. Door plaatsgebrek werd reeds in 1910 een nieuw gebouw - het huidige Museum - in gebruik genomen.
De tentoonstelling "Met de tram naar Kongo" visualiseert al deze gebeurtenissen. Eerst wordt in een kort bestek de geschiedenis geschetst van de Warande met het kasteel van de hertogen van Brabant, de verwezenlijkingen van Karel van Lorreinen en met het Paviljoen van de Prins van Oranje. Een volgend deel plaatst Leopold II en Kongo in de kijker en vertelt hoe de koning, met medewerking van Henry Morton Stanley, zijn privé-kolonie verkreeg. De hoofdbrok is de "Koloniale Tentoonstelling" van 1897 zelf. Deze moest een uithangbord worden van de prestaties die in de Onafhankelijke Kongostaat reeds geleverd waren en van de mogelijkheden die Kongo bood.
In de tentoonstelling worden niet alleen de "Koloniale Tentoonstelling" en de Afrikaanse dorpen geëvoceerd, maar via iconografisch materiaal wordt ook de sfeer van de nevenactiviteiten opgeroepen.
Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, Tervuren. Van 20 juni tot 16 november 1997
Archeologische bodemvondsten komen in Limburg vaker voor. Meestal wekken zij alleen de interesse van wetenschappers. Zij halen dan ook nauwelijks het nieuws.
Op echt spectaculaire ontdekkingen moet men soms jaren wachten. In 1985 kwam in Meeuwen het graf van een plaatselijke ijzertijd-aristocraat aan het licht. In 1990 werd in Heppeneert een collectie van 47 prehistorische bronzen bijlen bovengehaald. Beide vondsten belandden in het Gallo-Romeins Museum. Maar de mooiste ontdekking van het laatste decennium lag verborgen onder een stukje verkavelde sportweide.
De Keltische sieraden en munten die op zondag 22 oktober 1995 door een jong bouw lustig koppel werden bovengehaald bleken een voor België unieke goudschat te zijn. De schat bestaat uit halsringen
(torques), een deel van een armband en een 25-tal muntstukken, kwam in het bezit van het Gallo-Romeins Museum en werd grondig bestudeerd door het Instituut voor Archeologisch Patrimonium van de Vlaamse Gemeenschap.
Nu, na twee jaar onderzoek en studie, vormt de schat uit Beringen het kernstuk van een speciale tentoonstelling. Goud vondsten, sculpturen, artefacten van de Kelten uit heel Europa werden voor de gelegenheid door verschillende musea afgestaan.
Twee maanden lang, gelijktijdig met de expositie, biedt het museum evenementen, lezingen, ontmoetingsdagen en wandelingen aan.
Provinciaal Gallo-Romeins Museum, Tongeren. Van 1 mei tot 6 juli 1997
Deze expositie belicht de periode van de ijzertijd in Vlaanderen.
De tentoonstelling is ingedeeld in vijf thema's. Bij het binnenkomen wordt de bezoeker geïntroduceerd in de wereld van de Kelten. Hij wordt geconfronteerd met het beeld van de Kelten vanaf de klassieke oudheid tot het heden. Het tweede luik behandelt de verschillende aspecten van het dagelijkse leven tijdens de ijzertijd. Landbouw was de belangrijkste activiteit van de locale bevolking. Textiel werd vooral op huishoudelijk niveau geproduceerd voor eigen gebruik, hetzelfde geldt voor het aardewerk. Zout was een belangrijk handelsproduct.
De tentoonstelling biedt tevens een overzicht van de verschillende types van bewoning en dit aan de hand van o.a. en zestal maquettes van gebouwen. Een ander aspect zijn de funeraire gebruiken. Tijdens de ijzertijd was het verbranden van de doden algemeen in zwang. Van grafrituelen naar cultus is maar een kleine stap, als blijkt dat meerdere grafvelden zijn aangelegd op plaatsen waar zich tevens rechthoekige monumenten bevinden, die als cultusplaatsen worden geïnterpreteerd.
Er is een kleine, maar mooie catalogus boordevol informatie beschikbaar.
Provinciaal Archeologisch Museum van Zuid-Oost-Vlaanderen, Zottegem . Van 5 september 1997 tot 31 januari 1998
Het Historisch Archief en het museum DE SCHOOL VAN TOEN fungeren als het geheugen van het Onderwijs van de Stad Gent.
Beide illustreren op bijna perfecte wijze de activiteiten en verwezenlijkingen van het Stedelijk Onderwijs in het verleden. Zij vormen het levend bewijs van de pioniersrol die Gent op dit punt heeft vervuld. Een van de belangrijkste doelstellingen van het museum is een zo ruim mogelijk publiek kennis te laten maken met de 'onderwijs-geschiedenis' .De bezoekers wordt de mogelijkheid geboden om de schoolsfeer, die vorige generaties hebben gekend, zelf te ervaren.
Via een constante koppeling tussen vervlogen tijden en actualiteit herbeleeft men de geschiedenis op een actieve manier. Het Historisch Archief is ook een dienstverlenend centrum. Pedagogen, leerkrachten, studenten e.a. vinden hier een rijkdom aan studiemateriaal. Onder bepaalde voorwaarden worden voorwerpen en documenten uitgeleend.
De permanente tentoonstelling DE SCHOOL VAN TOEN is vrij toegankelijk elke werkdag van 9u. tot 12u. en van 14u. tot 16u., uitgezonderd tijdens de schoolvakanties. Rondleidingen worden ook georganiseerd op woensdagmiddag, zaterdag en zondag, enkel op aanvraag en voor groepen vanaf 15 personen.
Tentoonstelling 'Buiten de uren ... Buiten de muren', om- en naschoolse werken Gentse Stadsscholen 1927-1997.
In het Historisch Archief en documentatiecentrum 'De School van toen - Onderwijs-Stad Gent', Klein Raamhof 8, 9000 Gent (nabij Poel). Van zondag 20 juli tot en met zondag 27 juli 1997,