OKV2024+
Vijf textielontwerpers creëerden een werk van fluweel voor het Hortamuseum in het Brusselse Sint-Gillis, de voormalige woning van de architect. De uitvoering lag in handen van een Belgische weverij en twee artisanale fluweelsnijdsters uit Arles. Het resultaat is een complexe driehoeksverhouding tussen plaats, ontwerpers en uitvoerders en een kanttekening bij teloorgaande ambachten en industrieën.
Fluweel is als de madeleine van Proust: veeg er met je hand over en je moet terugdenken aan de zitbank bij oma waarin je met je vinger tekeningen in de stof maakte. Of aan de dikke, zacht glanzende gordijnen waarachter je vroeger verstopte. En zelfs zonder die herinneringen roept fluweel een gevoel van zachtheid en warmte op, de reden waarom we het, al eeuwenlang, gebruiken voor onze huizen of kledij.
Oorspronkelijk was fluweel een luxeproduct, gemaakt van zijde om er kastelen en koningen mee aan te kleden. Vanaf de twintigste eeuw verschenen er andere, goedkopere versies, onder meer van katoen of polyester. Het dankt zijn luxueuze glans en zachte uitstraling aan de rechtopstaande lusjes of polen. Opengeknipt geven die de stof een vleug of richting waarin de haartjes liggen. “Textiel was in de negentiende-eeuwse bourgeois interieurs een onmisbaar element”, vertelt Benjamin Zurstrassen, conservator van het Hortamuseum. Stoelen, banken, tafels, ramen, wanden, vloer, alles was gestoffeerd. Ook hier, in Horta’s woning. Hij had een oosters tapijt in zijn bureau, voor de ramen hingen verschillende gordijnen om de koude buiten te houden en de muren van zijn woning zijn nog steeds bekleed met zijde, wat in die tijd heel courant was.”
Horta gebruikte ook (zijde)fluweel, onder meer om er meubels mee te bekleden, en dat materiaal vormt het vertrekpunt voor een nieuwe tentoonstelling in een reeks rond ornamenten, patronen en decoratie waarmee het Hortamuseum in 2019 startte. Het concept: zet kunstenaars en ambachtslui samen rond een materiaal of motief uit Horta’s woning en laat ze er iets nieuws mee creëren voor één bepaalde ruimte. Voor Horta was textiel één van de vele materialen die deel uitmaakten van zijn gesamtkunstwerk: een samenhangend geheel waarin (interieur)architectuur en toegepaste kunsten op gelijke voet stonden en waarin elk element, van glaskoepel tot koffielepeltje, specifiek ontworpen was voor het gebouw in kwestie. Meer dan honderdtwintig jaar later kregen de textielontwerpers voor deze tentoonstelling dezelfde opdracht: een plaatsgebonden werk creëren, maar dan met fluweel in de hoofdrol.