Op 27 november 1916 verloor de dichter en kunstcriticus Emile Verhaeren (1855–1916) het leven bij een treinongeluk in het station van Rouen. De wereld verloor daarmee niet enkel een in het Frans schrijvende Vlaamse woordkunstenaar van wereldformaat, maar ook een begenadigd criticus en voorvechter van de beeldende kunsten. Het Museum voor Schone Kunsten in Gent wijdt daarom een tentoonstelling aan Verhaerens leven in het teken van de kunst.

Théo Van Rysselberghe,  Portret van Emile Verhaeren, lezend, ets MUSEUM VOOR SCHONE KUNSTEN, GENT

Théo Van Rysselberghe, Portret van Emile Verhaeren, lezend, 1898, ets, MUSEUM VOOR SCHONE KUNSTEN, GENT

De lezing

“Een schok gaat door je hele lichaam, je hart bonst, het wordt licht in je hersenen, je zenuwen trillen, je spieren tintelen en een gevoel van genot doortrekt je hele wezen.” Zo beschreef Verhaeren het fysieke en neurofysiologische effect van grote kunst, artistiek geroerd worden noemde hij dat. Het schilderij De lezing van Gentenaar Theo Van Rysselberghe (1862-1926) maakt dat innerlijke effect aanschouwelijk.

Acht personen bevinden zich in een kamer. De meesten zijn piekfijn gekapt, allen zitten strak in het pak. George Minnes Geknielde staat op de marmeren schouw, net niet in de schaduw gesteld door een vaas met pronkerige bloemen. Daarnaast hangt een reproductie van een schilderij van de Amerikaan James Abbott McNeill Whistler (1834-1903). Een beeldje van Rodin en collecties boeken, links en rechts, vervolledigen het literair-artistieke klimaat. De toehoorders slaan geen acht op elkaar. Eén man houdt een sigaret achteloos in de hand, dandyeske pose, afgewend van de groep. Andere toehoorders ondersteunen het hoofd, lijken afgedwaald. Handen en houdingen vertellen een verhaal. Allen zijn in gedachten verzonken, concentreren zich op de woorden die door de figuur in het rode jasje worden uitgesproken. Merkwaardig hoe de ster van de compositie slechts zijdelings op de rug wordt getoond. Bril en snor geven genoeg prijs om Verhaeren meteen te herkennen. Door dat perspectief – de bezwerende en benige vingers van Verhaeren – ligt de nadruk op zijn toehoorders en het interieur, op het effect van de poëtische woorden. De uitwerking van de kunst gevat in een gearrangeerd, pointillistisch schilderij.

Verhaerens vrienden zijn stuk voor stuk persoonlijkheden uit de kunst(kritiek) en de wetenschap. De lezing is een evocatie van de bijeenkomsten bij Verhaeren thuis in Saint Cloud (Parijs). Uiterst rechts zit de schrijver Maurice Maeterlinck. In 1909 en 1910 stonden Verhaeren en Maeterlinck samen op de longlist voor de Nobelprijs voor literatuur. Verhaeren wilde met het nodige lobbywerk laureaat worden, maar het was zijn jongere collega die het in 1911 haalde. Dat jaar stond de man met de snor niet op de lijst. Kans verkeken.

De man rechts van Verhaeren is de Franse schilder Henri -Edmond Cross (1856-1910), een beoefenaar van het pointillisme. De tegen de schouw leunende roker is Félix Fénéon. Hij gebruikte als eerste de term ‘neo-impressionisme’ in het tijdschrift L’Art Moderne (1886) van de progressieve, Brusselse kunstenaarsgroep Les XX. Verhaeren hield van het neo-impressionisme van Georges Seurat (1859-1891) en Paul Signac. In 1886 bewonderde hij Seurats Un dimanche après-midi à l’île de la Grande Jatte (Art Institute Chicago) in Parijs en drukte Van Rysselberghe op het hart dat hij zich moest spiegelen aan dit meesterwerk. Een jaar later kwam het schilderij onder invloed van Verhaeren en mecenas Octave Maus naar een expo van Les XX. Eerder schreef Maus nog: “In Brussel zou la Grande Jatte aanstoot geven. Als het werd geëxposeerd, zouden sommigen plots een beroerte krijgen of aan zinsverbijstering gaan lijden.”

In De lezing uit 1903 gebruikte Van Rysselberghe de pointillistische voorschriften, maar hield zich ver van de vormvereenvoudiging en de abstraherende tendensen van Seurat. Het grote doek kan gelezen worden als een ode aan het oeuvre van Verhaeren en zijn bevlogen rol als voorvechter van het neo-impresionisme.

Théo Van Rysselberghe, De lezing door Emile Verhaeren, 1903, MUSEUM VOOR SCHONE KUNSTEN, GENT

Théo Van Rysselberghe, De lezing door Emile Verhaeren, 1903, MUSEUM VOOR SCHONE KUNSTEN, GENT

Ensor

Nadat Verhaeren James Ensor (1860-1949) al een kwarteeuw had gevolgd, wijdde hij in 1908 een monografie aan le peintre des masques. Verhaeren viel nochtans niet voor de vernieuwer, de schilder van het groteske en het demasqué, maar zag in hem de wegbereider van een Belgisch impressionisme en linkte hem aan de grote Édouard Manet (1832-1883). Hij loofde Ensors capaciteit om de realiteit met licht en kleur te vatten. Denk dan vooral aan de claustrofobische burgersalons, de portretten van zijn familieleden en de stillevens. Hij schrijft: “Personne autant que lui ne fait vivre la couleur.” Verhaeren liet zich leiden door de geforceerde tweedeling van objectieve kunst ((neo-)impressionisme) versus subjectieve kunst (het irrationele en groteske). Hij trachtte die gespletenheid te verklaren door Ensors afstamming van een Vlaamse moeder en een Engelse vader. Die laatste was dan verantwoordelijk voor de subjectieve kant van Ensors oeuvre. Verhaeren voorzag niet dat net dat facet van Ensor een voorloper van de moderne kunst maakte. Verhaeren hield in wezen van schilderkunst die de werkelijkheid, zij het op progressieve wijze, op het platte vlak toverde.

Emile Verharen, James Ensor, De melancholische viswijven, (voor het eerst te zien op de Verhaeren-tentoonstelling) MUSEUM VOOR SCHONE KUNSTEN, GENT,

James Ensor, De melancholische viswijven, 1892 (voor het eerst te zien op de Verhaeren-tentoonstelling), MUSEUM VOOR SCHONE KUNSTEN, GENT,

Filantropische kunst voor het volk

Verhaeren is een niet zo makkelijk vast te pinnen personage. Enerzijds was hij een verdediger van het vernieuwende neo-impressionisme, maar bleef anderzijds geworteld in de oude kunst, met respect voor de werkelijkheid. De weg van de abstractie was niet zijn weg. Daarnaast geloofde hij in de emanciperende rol van de kunsten. De sociale beweging had volksverheffende kunst nodig. Niet verwonderlijk dat de criticus geporteerd was voor het werk van sociaal voelende artiesten als Constantin Meunier, Maximilien Luce, Eugène Laermans of Paul Signac. Iemand als Henri De Braekeleer (1840-1888) beschouwde hij dan weer als een zeventiende-eeuwse kunstenaar. De Breakeleer vatte de stilte, de melancholie en de eenzaamheid van de stad.

Emile Verhaeren, Les Villages illusoires, met vier houtsneden van George Minne MUSEUM VOOR SCHONE KUNSTEN, GENT

Emile Verhaeren, Les Villages illusoires, 1895, met vier houtsneden van George Minne MUSEUM VOOR SCHONE KUNSTEN, GENT

Alle begin is moeilijk. Zo ook voor de introverte Gentenaar George Minne (1866-1941). De beeldhouwer stelde in 1889 voor het eerst twee werkjes tentoon tijdens de Gentse salon. Verhaeren kwam kijken en schreef over zijn debuut in L’Art Moderne. “En dan zijn er de beeldhouwwerken van de heer Minne, een debutant. Het schijnt dat men ze eerst niet wilde tentoonstellen: tussen al die banaliteiten geheiligd door de zegenende handen van de officiële jury, vallen ze uiteraard uit de toon. Er spreekt jeugdigheid, oprechtheid, levenskracht uit. Hoewel ze piepklein zijn en weggestopt op de verdieping, trekken ze daarboven toch de aandacht... Hij verkent de plastiek van eenvoudige, naïeve en primitieve bewegingen, wars van elke conventie en elke verworvenheid, hij schuwt elke hoogdravendheid en bombast, die als de retoriek van de beeldhouwkunst zijn en hij spitst zich toe op een bijzondere wereld vol melancholie en religie, als een middeleeuwse steenkapper in wiens voetsporen hij treedt... Als men zich die Salon van Gent ooit zal herinneren, dan zal dat dankzij hem zijn.” Verhaeren was een visionair en erkende als één van de weinigen meteen het talent van de beeldhouwer. Het typeert de criticus dat hij de band met de middeleeuwen aanhaalt. In 1890 stelde Minne tentoon bij Les XX en daarna was de trein langzaamaan vertrokken.

Verhaerens dichtbundel Les villages illusoires werd in 1895 uitgebracht met houtsneden van Minne. In de bundel voert hij ambachtslui, eenvoudige dorpelingen op: een molenaar, een klokkenluider, een visser, een grafdelver. Ze weigeren elke samenwerking. Vooruitgang is niet aan hen besteed. Behalve dan voor de oude veerman die als symbool van de dichter kan gezien worden. Het is een doorzetter die van geen wijken wil weten. De veerman is in een gevecht met de elementen verwikkeld, het hoofd tot op schouderhoogte gezonken. Eenzaam beukend tegen de existentie is hij vast van plan om een vrouw aan de overkant te brengen. Verhaeren was een man die niet van stilstand hield. De zaken moesten in beweging zijn. De groene rietstengel die de veerman tussen de tanden geklemd houdt, staat mogelijk symbool voor de hoop op een betere toekomst. Het zou ook een verzinnebeelding van Verhaerens onwrikbare geloof in de kunsten kunnen zijn.

Mais le tenace et vieux passeur
Garda quand même,
pour Dieu sait quand,
Le roseau vert entre ses dents.


Maar zie: de taaie oude man van ‘t veer
Klemde ook toen nog, voor God weet wanneer
De groene rietstengel tussen zijn tanden.
(Vertaling: Stefaan Van den Bremt)
Constant Montald, La Lecture, 1908 EMILE VERHAEREN MUSEUM, SINT-AMAND

Constant Montald, La Lecture, 1908, EMILE VERHAEREN MUSEUM, SINT-AMAND

Tentoonstelling

Verhaeren verbeeld - Nog tot 15 januari 2017 -  Museum voor Schone Kunsten, Gent

Download hier de pdf

Artistiek geroerd - Emile Verhaeren en de kunst van zijn tijd