Wat betreft Quinten Metsys' altaarschilderijen van grotere omvang hebben onze Koninklijke Musea voor Schone Kunsten, het Brusselse en het Antwerpse, elkander stellig niets te benijden. In 1879 verwierf het eerste museum uit de Leuvense St.-Pieterskerk het beroemde, in 1509 voltooide St.-Anna-retabel, in het tweede wordt 's meesters niet minder befaamde Passie-retabel bewaard.
Beide retabels of altaarstukken zijn opgevat als triptieken of drieluiken. De hierbij gereproduceerde Bewening van Christus, in de volksmond ook Nood Gods genoemd, maakt het middenpaneel uit van het genoemde Antwerpse retabel. Op de binnenzijde van de bijhorende deuren schilderde Quinten Metsys respectievelijk links en rechts De Onthoofding van Joannes de Doper en De Marteldood van Joannes de Evangelist. Daarom is het, dat men het geheel ook vaak aanduidt met de naam Passie-altaar.
Men weet uit archivalische bronnen dat het in 1508 bij de schilder werd besteld door de Antwerpse Schrijnwerkersgilde, om in de door die gilde in de O.-L.-Vrouwekerk gestichte kapel boven het altaar te worden geplaatst. De prijs welke voor het voltooide stuk zou worden betaald werd vastgesteld op driehonderd gulden. Vermoedelijk ving Quinten de uitvoering van die zeer belangrijke opdracht pas het volgend jaar aan, nadat hij toen het voor Leuven bestemde, thans te Brussel bewaarde St.-Anna-altaar had voltooid. Hoe dan ook, het staat vast dat de kunstenaar met het Antwerpse drieluik reeds op 26 augustus 1511 klaar was gekomen. Die dag immers werd de door zijn opdrachtgevers verschuldigde som omgezet in een rente op naam van twee van zijn kinderen, Quinten en Catharina.
Amper een halve eeuw later, in 1566, ontsnapte het schilderij ternauwernood aan vernieling, het lot waarmede de beruchte Beeldenstormers de inboedels van kerken en kloosters plachten te treffen. Nauwelijks aan dat gevaar ontkomen, dreigde het in 1577 te worden verkocht aan Elisabeth I van Engeland. Dank zij de tussenkomst van schilder Maarten de Vos kwam het veelluik in het bezit van de Antwerpse magistraat. Nadat het enige jaren in het stadhuis was ondergebracht, werd het weer in de hoofdkerk opgesteld, nu boven het altaar van de Besnijdeniskapel. Daar bevond het zich nog, toen het in 1798, ten tijde van de revolutionaire beroeringen, openbaar werd geveild.