OKV2022.2
Honderd jaar geleden werd Christian Dotremont geboren. Hij stond aan de wieg van de Cobra-beweging en was samen met de Deen Asger Jorn en de Nederlander Constant een van de sterkhouders van de beweging. Hij was in eerste instantie dichter, maar als beeldend kunstenaar drukte hij zich uit in logogrammen. Kom die ontdekken of herontdekken op de herdenkingstentoonstelling in de Koninklijke Musea (KMSKB) aan de Regentschapsstraat in Brussel.
Christian Dotremont, A bleu mentir qui vient de près, 1978, logogram (1 f.), blauwe inkt op papier met een tekst in potlood, 275 x 210 mm
Logogrammen van Christian Dotremont (1922-1979) tref je in heel wat openbare en privéverzamelingen aan, zelfs in de Brusselse metro. In het station Anneessens lopen scholieren en pendelaars achteloos voorbij een imposant werk dat hij samen met Pierre Alechinsky (°1927) realiseerde. Zijn krullerige teksten gaan een levendige dialoog aan met Alechinsky’s cartoonachtige figuren en vormen. De eigenheid van de tentoonstelling is wel dat zij focust op werk dat zelden of nooit te zien was. Hiervoor werd uit twee ongemeen rijke bronnen geput: het archief van de kunstenaar dat door de Koning Boudewijnstichting wordt beheerd en de verzameling van Dotremonts trouwe vriend en compagnon de route Pierre Alechinsky. Een buitenkans dus.
Wie was Christian Dotremont? Als piepjonge dichter gaat hij in 1940 al resoluut de weg van het surrealisme op. Het duurt niet lang of hij belandt in de tribale twisten tussen elkaar verketterende fracties. De Brusselse surrealisten hangen het ‘stralend surrealisme’ (le surréalisme en plein soleil) van René Magritte aan. In Parijs viert de esoterisch getinte variante van André Breton hoogtij. Dotremont zoekt een derde weg op die artistieke vrijheid aan communistisch engagement koppelt. Hij noemt het revolutionair surrealisme (le surréalisme revolutionaire). Maar daarmee botst hij meteen op een ijzeren gordijn. Moskou houdt de teugels strak: als kunstvorm wordt enkel het socialistisch realisme toegestaan, al het overige wordt verworpen als burgerlijk formalisme (de zogenaamde Zjdanovdoctrine). Met de stichting van de Cobra-beweging vervliegen Dotremonts laatste politieke aspiraties.
Dotremont is dus een dichter, maar dat zou te eenvoudig zijn. Hijzelf huldigt samen met zijn Cobra-vrienden de cultus van het antispecialisme: een schilder is meer dan een schilderijenmaker en een schrijver meer dan een pennenlikker. Zijn Deense collega Asger Jorn gaat daar nog een stapje verder in en zweert bij het onafgewerkte, de suspense van hetgeen nog komen kan, maar niet moet.
Cobra-kunstenaars werken samen, liefst op zo spontaan mogelijk wijze. Iedereen gaat met iedereen in zee: Dotremont met Jorn of Alechinsky, Lucebert met Corneille, Gerrit Kouwenaar met Constant, Hugo Claus met Corneille, ad libitum. Christian Dotremont neemt aanvankelijk deel aan de ‘peintures-mots’ met sterk surrealistische teksten, trouw aan de methode van de automatische schriftuur. In de zuiverste Cobra-geest stelt hij zijn eigen dichter-zijn gaandeweg in vraag. Schrift is meer dan schrift en inderdaad zijn handschrift is niet van de mooiste, zeker als de vermoeidheid of de honger toeslaan. Dotremont is bovendien een veelschrijver, een prolifiek brievenschrijver. Uit de losse hand verwordt het geschreven woord tot een eigenzinnige tekening. Daarmee gaat hij experimenteren: een woord wordt in uiteenlopende omstandigheden geschreven en de resultaten worden zorgvuldig vergeleken en geduid. Zo geeft een willekeurig gekozen woord zoals ‘pataquès’ of ‘rhubarbe’ totaal verschillende resultaten naargelang hij het opschrijft aan een schrijftafel, op een hotsende lijnbus, op de trein, in een vliegtuig, stappend over een landsgrens, doodvermoeid, in rust of opgewonden, enz.. De letterlijke betekenis van het woord ruimt de plaats voor zijn plastische verschijning.