In het Romeinse Rijk werd er periodisch tot volkstellingen overgegaan. Iedereen diende zich dan aan te melden in zijn plaats van herkomst. En zo gebeurde het ten tijde van keizer Augustus, dat Jozef de stad Nazareth in Galilea verliet en zich naar Bethlehem in Judea begaf, om er zich samen met zijn echtgenote Maria, die zwanger was, in het bevolkingsregister te laten inschrijven. Van deze bijbelse reis toont Pieter Bruegel ons de aankomst ter bestemming.
En het eerste wat ons in zijn Volkstelling opvalt, is dat hij deze gebeurtenis van haar plaats en tijd heeft losgemaakt. Niet te Bethlehem ten tijde van de Romeinse keizers, doch in een van die eenvoudige Brabantse dorpen aan de waterkant, zoals Bruegel ze heeft gekend, komen de vreemde, vermoeide reizigers aangestapt. Wij zijn in het hartje van de winter; het is immers december, de avond nadert en het zal niet lang meer duren of de lange nacht zal zich spreiden over het dorp onder de sneeuw, de nacht waarin de Messias zal worden geboren. De matrode zon gaat onder achter de ontbladerde en stekelige kruin van een verkleumde boom. Felwitte sneeuw belicht het dorp onder een hemel van lood. Voor het open venster van de herberg waar zij zich moeten aanmelden, staat een groepje wachtenden samengedrumd. Zij zijn niet heel talrijk meer, want de dag is reeds ver gevorderd.
De meesten onder hen, of het nu armen of rijken zijn, wonen in het dorp of in zijn omgeving; sommigen evenwel zijn van heinde en ver naar Bethlehem gekomen. Van rechts naderen nog enkele laatkomers. Bij hen behoort Jozef. Hij draagt zijn schrijnwerkersgereedschap over de schouder en aan de arm en leidt de magere os en het kleine ezeltje waar zijn zwangere vrouw op zit. In niets onderscheidt het echtpaar zich van de andere mensen en zijn komst wordt dan ook door niemand opgemerkt.