Hetgeen het schilderij dat u voor ogen hebt in beeld brengt, is niet ingewikkeld; het toont kinderen in een landschap. Het jongste onder hen, een meisje, zit in een wagentje getrokken door een bok. Het dier wordt bij de teugels geleid door een knaap die een zweepje in de hand houdt. Een tweede, ietwat ouder meisje, loopt achter het wagentje aan.
De kleine stoet komt van rechts en enigszins van uit de diepte, van onder de schaduwrijke bomen. De schilder heeft hem afgebeeld op het moment dat hij de voorgrond bereikt. Kinderen en dier zijn bijna in ware grootte weergegeven. De vreugde is algemeen: allen beleven blijkbaar pret aan deze tocht in open lucht en zelfs de harige en met bloemen omkranste bok, die behoedzaam, bijna dansend voortschrijdt, lijkt ingenomen met de rol die hem werd toegemeten.
Het schilderij spreekt de duidelijke taal van een ooggetuigenverslag. Bijbedoelingen vanwege de kunstenaar hoeft men hier niet te zoeken. Het portret van de kinderen te schilderen is zijn wezenlijk opzet geweest, doch hij heeft de banale opstelling van een gewoon groepsportret en het doorgaans saaie en droge karakter ervan vermeden, door zijn modellen op te nemen in een actie, m.a.w. hij heeft er in zekere zin een genretafereel van gemaakt. Dit dynamische element, gepaard aan het levenskrachtige accent, dat men in al de werken van de tot de Hollandse School behorende Frans Hals aantreft, is op het eerste gezicht verrassend. Inderdaad, de samenleving in Holland in de 17de eeuw is gekenmerkt door haar sterk burgerlijke inslag. En de kunst die in haar schoot is ontstaan, draagt daar gewoonlijk de sporen van. Zij is vreemd aan elk breed spontaan gebaar, aan de grote stijl die de Vlamingen van die tijd — Rubens, Van Dyck, Jordaens — eigen was. Frans Hals, hoewel hij zijn leven in Holland doorbracht, was van Vlaamse herkomst, wat zijn bruisende, opborrelende vitaliteit verklaart.