OKV2010.1
Op 21 oktober 1489, feestdag van de heilige Ursula, vond een ceremonie plaats in het Brugse Sint-Janshospitaal. De zusters en broeders hadden de relieken van elfduizend maagden uit het oude Ursulaschrijntje naar het nieuwe, door Hans Memling beschilderde, Ursulaschrijn getransfereerd. Oud ingewisseld voor nieuw; ook op kunst staat een houdbaarheidsdatum.
Tentoonstelling over de restauratie van het Ursulaschrijn in Memling in Sint-Jan-Hospitaalmuseum, Brugge
We weten relatief goed hoe indrukwekkend vernieuwend de Vlaamse Primitieven vanaf het derde decennium van de vijftiende eeuw waren. Over de prehistorie, of de periode van anticipatie vóór hen, weten we schrikbarend weinig. Na het overlijden van Lodewijk van Male in 1384, werd Bourgondisch hertog Filips de Stoute, die met zijn dochter Margaretha getrouwd was, graaf van Vlaanderen. Onder zijn impulsen en die van zijn opvolgers, werden de steden in de Bourgondische Nederlanden opzienbarende economische en kunstzinnige productiecentra. De magnificentia die de Bourgondische hertogen najaagden, was niets minder dan geldsmijterij. Maar ook stadsbesturen en vermogende burgers waren overtuigd van het belang van kunst als teken van macht. Dat gevoel voor decorum zou de motor blijken achter de opgang van de Oudnederlandse kunst. Een voorbeeld: de straf die de Gentse baljuw van de Vier Ambachten in 1411 wegens onregelmatigheden kreeg, bestond uit het financieren van een schilderij met het Laatste Oordeel voor de stad.
Op het vlak van de miniatuurkunst zijn we relatief goed bedeeld met overgeleverd perkament. De situatie van de paneelschilderkunst is deplorabel. Alles wat vóór de Primitieven kwam, tussen 1380 en 1420, geraakte hopeloos uit de mode. Kunst was een gebruiksvoorwerp en eens uit de gratie, was de toekomst van het functieloze object onzeker. Natuurlijk heeft de Beeldenstorm van 1566 talloze slachtoffers gemaakt en daarna moesten er nog vijf eeuwen komen.
Slechts een dertigtal stukken staan heden als pre-Eyckiaanse paneelschilderkunst gecatalogeerd. Tien daarvan zitten in Belgische collecties. Je kan ze vergelijken met tien kleine eilandjes die tot dezelfde archipel en bij uitbreiding tot hetzelfde land behoren, maar met elk een licht afwijkend dialect. 'Pre-Eyckiaans' is een rigide opdeling die voorbijgaat aan een hypercomplexe situatie. In Parijs, dat vóór het Vlaanderen van de Primitieven nota bene nog altijd het kunstencentrum en dé kunstzinnige melting pot van West-Europa was, zijn realistische tendensen te ontwaren. Kunst houdt zich niet aan staatkundige grenzen: schetsen en mensen komen al eens ergens. Kunstenaars waren mobiel: dezelfde man die beeldhouwde voor de Bourgondische hertog, kon zijn geluk beproeven bij de concurrerende broer enkele kilometers verderop. Beïnvloeding is een vitaal proces, maar het is een struikelblok voor de veralgemenende kunstgeschiedenis.
Pas recentelijk is de kunst rond 1400 een aantrekkelijk onderwerp geworden. Van 2004 tot 2006 waren er tentoonstellingen in Parijs, Dijon, Bourges, Nijmegen, Boedapest, Luxemburg en Brugge — niet mis voor een moeilijk toegankelijk onderwerp. Kunstenaars uit de Nederlanden werden in die tijd een hype. De sterren droegen namen als Jan Boudolf uit Brugge, Claus Sluter uit Haarlem, Andre Beauneveu uit Valenciennes, Jacquemart de Hesdin uit Artois of Jan Maelwael uit Nijmegen en zijn neven Paul, Herman en Johan.