Het is op eerder toevallige wijze dat Constantin Meunier reeds in zijn prilste jeugd met het kunstenaarsmilieu in aanraking is gekomen. Door het vroege afsterven van zijn vader, Meunier was twee jaar oud, werd zijn moeder genoodzaakt in het onderhoud van haar gezin te voorzien. Zij had een familiepension waar kunstenaars logeerden, wat de aanleg van Meunier zonder twijfel sterk heeft beinvloed.
Op zestienjarige leeftijd ging Constantin Meunier in de beeldhouwklas van de Brusselse Academie in de leer, doch eens twintig geworden, verkoos hij de schilderkunst boven het beeldhouwen. Dertig jaar lang zou de kunstenaar in die richting blijven doorwerken: was het de intuitie van een geleidelijk te veroveren meesterschap, zowel technisch als menselijk?
Meunier verklaart over zichzelf in een brief aan een van zijn vrienden: 'op vijftigjarige leeftijd voelde ik in mij ongekende krachten, als een tweede jeugd, en ik ging opnieuw aan de arbeid'. Even voor hij die leeftijd bereikte, werd hij met het Luikse industriegebied in aanraking gebracht. Hij was er aangegrepen geworden door de tragische schoonheid van het stugge arbeidsleven. Hij kwam tot de bevinding dat hem een nieuw levenswerk wachtte.
Niet onmiddellijk is het de kunstenaar duidelijk geweest langs welke weg dit kon leiden, maar na enkele jaren, hij was toen vierenvijftig, kwam de resolute doorbraak van de beeldhouwkunst in zijn oeuvre.