Het nieuwe erfgoeddecreet dat volgend jaar in voege gaat, geeft steden en gemeenten heel wat mogelijkheden om het lokale erfgoed te ontsluiten. Ook Mechelen - de 'Stad in volle vaart' - weet van wanten. In het begin van de zestiende eeuw was het de hoofdstad van de Nederlanden en aan die bloeiperiode herinneren nog tal van histori­sche gebouwen. Mechelen kent ook een actief aankoop- en restauratiebeleid. Onlangs kocht het stadsbestuur een prachtig werkje van de zestiende-eeuwse schilder Hans Bol en restaureerde ze een beroemde goudleerkamer.  En volgend jaar komen er verschillende tentoonstellingen rond de Margareta's.

Bart Stroobants, conservator van de Stedelijke Musea Mechelen : "De stad bezit ongeveer tienduizend kunstwerken, maar die hebben niet altijd iets met Mechelen te maken. De collectie bevat schitte­rende werken van Emile Claus en Leon Frederic, maar men kan zich afvragen of die wel thuishoren in de Mechelse verzameling. Van nu af aan staat de stad zelf centraal in de aankooppolitiek en willen we met de kunstwerken het verhaal van Mechelen vertellen."
Hans Bol - Spaanse furie

Hans Bol - Spaanse furie

Hans Bol: weg en weer in Mechelen

Een illustratie van deze aanpak is de aankoop van een prachtig werkje van de Mechelse schilder Hans Bol. Het ovalen klei­nood is gesigneerd en gedateerd '1590', meet amper 9 op 12 centimeter en heeft een ebbenhouten kader, ingelegd met edelstenen. Bol schilderde een gevecht tussen boeren en Spaanse soldaten. Het speelt zich af voor een herberg. Het uithangbord is een omgekeerde wereldbol met een bijna onleesbaar opschrift ('In de Valk'?).   Allicht heeft Hans Bol het werkje gemaakt met in het achterhoofd de evenementen van 2 oktober 1572, toen de troepen van Farnèse lelijk huishielden in Mechelen en de schilder berooid naar Antwerpen vluchtte.

De scènes zijn levendig en herkenbaar. Vier figuren kruipen uit een raam. Links van deze groep belet een vrouw haar man zijn zwaard te trekken.  Opvallend in dit schilderij is het gebruik van goud als hoogsel wat we enkel terugvinden in een ander werkje van Bol dat in het Louvre hangt: Prediking van Johannes de Doper.

Volgens de kunstenaarsbiograaf Karl Van Mander zag Hans Bol het levenslicht in Mechelen in december 1534 als zoon van Simon en Catherina van der Stock, zijn tweede vrouw. Opnieuw volgens Van Mander, wiens typische overdrijvingen we gewoon zijn, leerde Hans Bol al op zijn veertiende schilderen bij een "gemeen slechte meester".  Daar houdt de jonge Bol het na twee jaar voor bekeken en trekt op zijn zestiende de wijde wereld in. We vinden hem terug in Duitsland waar hij twee jaar in Heidelberg verbleef.  Hier liet hij zich vooral door het prachtige landschap inspireren.
Het feit dat het hof van de gouvernanten na 1530 (overlijdensjaar van Margareta van Oostenrijk) uit Mechelen verdwenen was, heeft Bol wellicht ernstig geschaad in zijn vorming: de eersterangs-kunstenaars vertrokken immers ook. Bij zijn terugkeer van de Duitse reis vestigde Hans zich weer te Mechelen waar hij in 1560 in de Sint-Lucas gilde opgenomen werd. Hij legde zich toe op het schilderen van grote decoratieve doeken die als vervangmiddel dienden voor de al te duur wordende wandtapijten.  Hij zou ook kartons voor tapijten getekend hebben die te Brussel werden gerealiseerd, naast een hele reeks aquarellen met prachtige land­schappen.

De plundering van Mechelen

Op 2 oktober 1572 werd Mechelen door de soldaten van Alva geplunderd. Hans Bol schijnt één van de zwaarst getroffen slachtoffers te zijn geweest. Zoals velen vluchtte hij naar Antwerpen waar hij het geluk had opgevangen te worden door Antoon Couvreur, een kunstminnaar uit Belle (Bailleul) in Frans-Vlaanderen. Deze bezorgde hem niet alleen onderdak maar ook de nodige materiële middelen om opnieuw als kunstschilder te starten.

Volgens Van Mander zou hij zich in deze periode met boekverluchting beziggehouden hebben, onder meer in het dierengenre.  In 1574 ruilde hij het Mechelse poorterschap voor het Antwerpse en liet zich in de Sint-Lucasgilde opnemen. Het was in deze periode dat Bol overschakelde op uitsluitend kleinschalige werken.  In de Antwerpse  kunsthandel kon hij vaststellen dat zijn werken op ruime schaal werden gekopieerd en als authentieke stukken verkocht. Om deze oneerlijke concurrentie onmogelijk te maken legde hij zich voortaan nog alleen toe op miniaturen, aquarellen en boekverluchting, waarin zijn talent niet te evenaren was.

Ondertussen koos Antwerpen partij voor de opstand en was de hertog van Parma, in opdracht van Filips II, begonnen aan de systematische herovering van de Nederlandse steden en gewesten. Bol, wellicht getraumatiseerd door zijn ervaringen van 1572, had weinig vertrouwen in de kansen van Antwerpen en trok in 1581 naar het Noorden. Hij verbleef in Bergen-op-Zoom, Dordrecht en Delft, om ten slotte in Amsterdam te belanden. Daar kende hij een verdiend succes, te oordelen naar de omvang van zijn productie. Hij legde zich vooral toe op panoramische gezichten van Amsterdam, nu eens vanuit zee, dan weer van op het land gezien. Volgens Van Mander gingen Bols zaken in die tijd schitterend. Hij huwde met een weduwe.  Haar zoon, Frans Boels, ging bij zijn stiefvader in de leer maar Bols beste leerling was Jacob Savery. Hans Bol overleed omstreeks 1590. 

Van de schilder is slechts een zestigtal werken in kleur bekend, hetzij  in olieverf, tempera, water- en dekverf of combinaties ervan. Veel van Bols werken werden door diverse graveurs in koper gesneden. Kenmerkend voor het Bols talent is zijn uniek vermogen om accuraat de werkelijk­heid af te beelden op zeer gereduceerde schaal. Op dat vlak evenaarde hij de boek­verluchters van de vijftiende en de eerste helft van de zestiende eeuw. Dat verklaart ook zijn opdrachten in die richting, zoals voor het getijdenboek van François de France (1554-1584), hertog van Anjou (Alençon), beter bekend als Les Heures du Duc d'Alencon,  bewaard in de Bibliothèque Nationale in Parijs.
Anderzijds moet er bij het publiek een hang zijn geweest naar het kostbare van de met de hand geschilderde boekverluchtingen die in hun eigen tijd werden verdrongen door de machinaal reproduceerbare illustraties zoals gravures en houtsneden. Bol speelde hierop  in en nam formele aspecten over die typisch zijn voor de miniatuurkunst, zoals de gedecoreerde marges.

Het nieuw aangekochte schilderij van Hans Bol hangt in het Hof van Busleyden, dat samen met het Schepenhuis en de Brusselpoort de toekomstige Mechelse museumas zal vormen. Het is een zestiende­ eeuwse residentie, gebouwd in opdracht van Hiëronymus van Busleyden, die bijna volledig is gerestaureerd en aangepast aan de noden van een hedendaags museum.

De boenwasmythe van het goudleer

Bart Stroobants: "We willen in het Hof van Busleyden vooral het verhaal van Mechelen rond 1600 vertellen.  In de Brusselse Poort spitsen we de aandacht toe op archeologie en in het Schepenhuis op het zestiende- en zeventiende-eeuwse houtsnijwerk."

Mechelen verrijkt niet alleen haar openbaar kunstbezit met gerichte aankopen, maar heeft ook oog voor vroegere tradities. Zo was Mechelen gedurende eeuwen een belangrijk centrum voor goudleer. De hoofd­conservator vertelt: "Tot de jaren 1990 stelde men het goudleer tentoon in Museum De Zalm. Toen besloot het stadsbestuur het museum te sluiten om dat de verzameling niet meer 'toonbaar' was. Onwetendheid en gebrek aan respect voor dit specifieke erfgoed versnelden de aftakeling van het goudleer. Men gebruikte bijvoorbeeld boenwas om het leder te reinigen, wat zeer nefast is. In 1993 startte de stad met een grootscheepse restauratiecampagne. Samen met het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium behandelden we gedurende vijf jaar het leder om alle boenwas te verwijderen.

De restaurateurs dienden ook de randen van de vellen te verstevigen om verdere verbrok­keling tegen te gaan. De achterkant van zo'n vel laat zich lezen als een roman over stunte­lige herstellingen. Vandaag is ongeveer de helft van de goudleercollectie gerestaureerd en stellen we enkele ensembles tentoon in Hof van Busleyden." Oorspronkelijk ligt de bakermat van het goudleer in de Noord-Afrikaanse plaats Ghadames. Nadien ging het via Cordoba naar de rest van Europa.  In de vijftiende eeuw drong de productie van goudleer tot de Zuidelijke Nederlanden door maar daar­over is niet veel bekend. Paradoxaal genoeg komt er géén goud te pas bij het maken van goudleer. Het is een goudbruine vernis aan het op het leer aangebrachte bladzilver het aanzicht van goud geeft.
In onze streken werkte men vooral met kalfsleder dat heel wat soepeler is dan het stijve geitenleer uit zuidelijk Europa. Op dit leer komen verschillende laagjes bestaande uit eiwit of lijm, nadien bladzilver, dan opnieuw lijm en uiteindelijk de specifieke vernis die de kleuring bepaalt.  Het summum van het goudleer ontstaat wanneer er een reliëf­structuur werd in verwerkt. Men legde daar­ voor de vellen tussen twee houten platen.  In de ene plaat was de gewenste afbeelding uitgesneden terwijl bij de andere plaat de houtdelen die dezelfde afbeelding omringden exact waren weggesneden.

De bedreven ambachtslui legden het goud­ leer zo op de mal dat de afbeelding als het ware uit de met bladzilver bedekte zijden naar voren leek te springen. Gedurende de bijna driehonderd jaar dat er in de Neder­landen goudleer werd geproduceerd, veranderden de patronen en motieven. Het is een unieke ervaring in het halfduister de volledig gerestaureerde goudlederen muren te bewonderen. Je ziet er ensembles van de zestiende tot de achttiende eeuw waarmee je een hele stijlevolutie in één oogopslag kan bewonderen.

Op naar 2005: Dames met Klasse

Ook in de collectie van Margareta van Oostenrijk zat vermoedelijk goudleer en hiermee belanden we in 2005. Bart Stroobants: "Volgend jaar opent de Lamotsite. Het is een oude brouwerij waar regelmatig tentoonstellingen zullen plaats­ vinden, maar waar ook congressen en semi­naries kunnen gehouden worden. De kers­verse tentoonstellingsruimte bijt volgend najaar de spits af met een kunsthistorische expositie over Margareta van Oostenrijk en Margareta van York. Dames met Klasse luidt de titel van één van de toptentoonstellingen van volgend jaar. Het laat de wereld zien van deze twee machtige vrouwen. Wat hield hen bezig, hoe stonden zij in het leven? Ook de romantische beeldvorming vele eeuwen later rond de twee vrouwen krijgt aandacht."

In het Europa van rond 1500 spelen de twee Margareta's een belangrijke rol en de tentoonstelling staat stil bij hun familiebanden, genealogie en diplomatie. Het verlangen de macht te behouden en liefst uit te breiden komt tot uiting in de aandacht voor dynastie en genealogie. De tentoon­stelling toont de portretten van de vorsten en hun kinderen, hun uiterlijke tekenen van de macht, zoals kronen en zegels. Hun kort­stondige relaties - Margareta van York met Karel de Stoute en de afgebroken verloving van Margareta van Oostenrijk met Charles VIII - en de huwelijken met Juan van Castillië en Philibert van Savoye komen aan bod. Erg boeiend wordt ongetwijfeld de kennismaking met de kunstverzamelingen van beide 'dames met klasse'. Die presen­teren de wonderlijke wereld in het klein: juwelen, boeken, kleinoden, schilderijen en sculpturen. Zelfs een collectie van voor­werpen uit het pas veroverde Mexico worden opgesteld in een feeërieke schatkamer.

Luxe, kunstzinnige smaak en rijkdom zijn de ingrediënten van de wereld van deze twee Margareta's. Wat een contrast met de vech­tende boeren en soldaten van Hans Bol.