Toen de begaafde Jan van Beers de 49-jarige Benoit, dit in opdracht van zijn vader, tekstdichter van Benoits 'Oorlog', portretteerde, vertoefde hij sedert een achttal jaren in de 'map of Paris, map of love'. De te Lier in 1852 geboren artiest was er, na een Antwerps academieleven in hippiestijl, hals over kop heen gestoomd, belast met een sentimenteel avontuur.
In Alfred Stevens' atelier opgenomen, zat hij op slag aan de boulevard Rochechouart, ten tijde van 'le redressement français', in de drukte. De verstarring waarover de Lautréamont in 'Les chants de Maldoror' gewaagd heeft, was voorbij : Zola's 'Assommoir' en de Goncourts 'La fille Elise' verschenen (1878). Sarah Bernhardt ging zitten aan de schildersezel (1879) - Van Beers zal haar uitbeelden - ; een vlotte zinnelijkheid in de stijl van de 'féminité baudelairienne' kleurt het fijne en het rosse leven.
Incidentrijk verloopt Van Beers' bestaan tussen de 'Brasserie des martyrs', de rue Dancourt, de place de Clichy onder aan de groene hellingen naar Montmartre toe. Ateliers en danszalen gonzen. Van Beers vestigt zich voor vele jaren in de Impasse Hélène, en nog vóór hij -'Salon'-successen daargelaten - te Amsterdam in 1883 een gouden medaille wegkaapt, ontstond in zijn directe omgeving Jef Lambeaux' 'De kus' (1882) en 'De dolle driften' (1883).