Henriette met de grote hoed is een van de meest populaire portretten uit de verzameling schilderkunst uit de negentiende eeuw van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten te Brussel. Het is ook een van de beste doeken, die de jong gestorven schilder Henri Evenepoel heeft gemaakt.
Uit het schilderij, gedateerd 1899, kan onmiddellijk worden afgeleid dat Evenepoel niet behoort tot de revolutionaire kunstenaars. Hij beschikte niet over een vroegrijp talent, dat spontaan openbloeit en nieuwe wegen opent in de schilderkunst. Wel was hij bijzonder begaafd, innemend van karakter, ijverig in het werk. Verder was zijn natuur conservatief ingesteld. In het spoor van oudere kunstenaars zocht hij met succes zijn kleurgevoeligheid op persoonlijke wijze te realiseren. Toen hij twintig was lokte het prestige van de Franse school hem naar Parijs. Plichtsgetrouw volgde hij er eerst de lessen op het Instituut voor sierkunsten, later op het atelier van schilder Gustave Moreau.
Zijn kort leven was een voortdurend, bijna koortsachtig zoeken naar een eigen wereld in de schilderkunst zoals Manet, Degas en Lautrec die in de Parijse atmosfeer hadden gevonden voor hem. Om gezondheidsredenen bracht Evenepoel de wintermaanden 1897-1898 door in Noord-Afrika. Misschien had hij het zwak gestel van zijn moeder geerfd, die in 1874 stierf toen Henri twee jaar oud was. Het blonde kind werd aan de liefderijke zorgen van zijn grootouders toevertrouwd. Later vond de aanhankelijke jongen bij zijn vader vriendschap en morele steun. In de mannenjaren werd zijn nicht Louise, bij wie hij in 1892 zijn intrek genomen had, de milde en liefhebbende beschermster van de sensitieve melancholicus.
Evenepoel keerde in 1898 terug naar Parijs. Hij stierf er aan tyfuskoorts op 27 december 1899, nauwelijks zevenentwintig jaar oud. Deze feiten verklaren wellicht gedeeltelijk de zeer speciale atmosfeer, die in al zijn schilderijen terug te vinden is.