De Schelde is ten alle tijde de grote levensader van de stad Antwerpen geweest. Vooral met de regering van Keizer Karel was in het begin van de 16de eeuw, ingevolge de bedrijvigheid van haar haven, voor de Scheldestad een periode van rijkdom begonnen. Beter dan Brugge, dat in het oude was verstard, had zij zich aan de eigentijdse economie weten aan te passen, wat een wondere opbloei tot gevolg had.
Antwerpen werd het centrum van de Europese groot-financie. Zijn bevolking breidde zich aanzienlijk uit en zijn luister werd in lyrische bewoordingen door ooggetuigen bezongen. Heel lang zou die uitzonderlijke welvaart evenwel niet duren. Op het einde van de 16de eeuw, bezorgd om zijn vrijheid en ter verdediging van zijn economie, koos Antwerpen de zijde van Noord-Nederland in de strijd tegen Spanje. Reeds had in 1576 de wrede plundering van de stad door opstandige troepen, de zogenaamde Spaanse Furie, het begin van een diep verval ingezet. Toen bovendien in 1585 burgemeester Marnix van Sint-Aldegonde ertoe gedwongen werd de overgave te ondertekenen, was Antwerpen schijnbaar tot ondergang gedoemd. De Noordelijke Staten bleven immers meester van Zeeland en van de Scheldemonding en konden aldus elke overzeese toegang tot de haven beletten.
Van dan af zal Antwerpen op een duurzame vrede blijven wachten. Het is echter slechts in 1648 dat een einde aan de Tachtigjarige Oorlog werd gemaakt. De in dat jaar te Münster gesloten vrede tussen de Republiek der Verenigde Nederlanden en koning Filips IVe van Spanje bezegelde meteen het lot van de Antwerpse haven : in een van de voornaamste bepalingen werd immers vastgelegd dat de Schelde zou gesloten blijven.