Terwijl de Spaanse Nederlanden in de zeventiende eeuw een onopvallend bestaan leidden, trok de nieuwe republiek in het Noorden aller aandacht. Het was dan ook opmerkelijk dat te midden van de naar steeds groter absolutisme neigende buurlanden, waar centralisering van de macht haar beslag kreeg, dit gebied een tegengestelde ontwikkeling doormaakte.
De zeven gewesten van de republiek hadden zich aaneen gesloten, maar daarmee was eigenlijk alles gezegd. Een van hun belangrijkste zorgen was het bewaren van ieders voorrechten en de Staten Generaal leken dan ook meer op een congres van een aantal zelfstandige staatjes dan op een vergadering van afgevaardigden van een land. Bovendien bestond er in deze republiek nog een stadhouder, een prins, die geen duidelijk omschreven functie had.
Al was hij dan leider van vloot en leger en al had hij het recht van benoeming in stadsbesturen en recht van gratie, het was nog niet vanzelfsprekend dat hij al deze functies ten volle zou uitoefenen of dat zijn zoon deze waardigheden ook zou bekleden. Bovendien stonden niet alle gewesten onder dezelfde stadhouder, want in de Noordelijke gewesten was een zijtak van de Oranjes aan het bewind. De gewesten zagen hem als een functionaris, die aan hen verantwoording schuldig was, maar van hun kant trachtten de Oranjes hun positie te verstevigen en de macht van een vorst te bereiken.