“Wie tot op heden over de Belgische revolutie schreef, heeft eerder tot de legende dan tot de geschiedenis ervan bijgedragen.”
BWP-voorzitter Emile Vandervelde in het voorwoord van het boek van Maurice Bologne, L’insurrection prolétarienne en 1830 en Belgique, 1929

In 2015 is het tweehonderd jaar geleden dat de voormalige Republiek der Verenigde Provincies – vandaag Nederland – en de Zuidelijke Nederlanden – vandaag België – werden samengevoegd tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. De nieuwe staat was een diplomatieke constructie, die zonder raadpleging van de betrokken inwoners tot stand was gekomen.

Kaart van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden E. Maaskamp,

Kaart van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden E. Maaskamp, 1816, Nationaal Archief Den Haag  

Op 16 maart 1815 werd Willem Frederik, een telg uit de Nederlandse Oranjedynastie en de zoon van de laatste stadhouder van de Republiek, ingehuldigd als koning in het noorden.

Willem I had grote ambities voor zijn Koninkrijk, dat hij wilde laten uitgroeien tot een staat die meetelde in Europa. Hij gaf blijk van aanzienlijke daadkracht en nam verschillende doortastende maatregelen ter ondersteuning van industrie, infrastructuur en onderwijs. In het zuiden werd verdeeld gereageerd op Willems beleid en regeerstijl. Met de Belgische opstand van 1830 liep het definitief mis. Vijftien jaar is een korte periode, maar wat heeft het Koninkrijk betekend voor het huidige België? Zijn er vandaag nog sporen te vinden van het Koninkrijk? Op deze en andere vragen probeert de tentoonstelling Het Verloren Koninkrijk. Willem I en België een antwoord te geven. Deze bijdrage wil de ruimere context van deze complexe en bewogen periode, en dus ook van de tentoonstelling, verder toelichten.

Inhoud

  •  Europa in 1815
  •  Een moeilijke start
  •  Ondersteuning van industrie, infrastructuur en onderwijs
  •  Groeiende onenigheid over onderwijs, godsdienst en taal
  •  Opstand en scheiding
  •  Het Orangisme
  •  Praktisch
De leeuw van Waterloo, 2014 © MICHIEL HENDRYCKX

De leeuw van Waterloo, 2014 

Europa in 1815

Met de slag bij Waterloo op 18 juni 1815 kwam er een einde aan een zeer woelige periode in de Europese geschiedenis, die was begonnen met Franse revolutie in 1789. Vanaf september 1814 probeerden afgevaardigden van Oostenrijk, Pruisen, Rusland en Groot-Brittannië op het Congres van Wenen de kaart van Europa te hertekenen. Zij streefden naar een evenwicht tussen de verschillende mogendheden, met als doel een langdurig status-quo. Frankrijk werd omringd door bufferstaten, die zowel de Franse expansiedrang als de verspreiding van revolutionaire ideeën moesten tegenhouden. De werkzaamheden in Wenen werden doorkruist door Napoleons terugkeer tijdens de Honderd Dagen, maar zijn nederlaag in Waterloo op 18 juni 1815 maakte voorgoed een einde aan de napoleontische oorlogen.

De slag bij Waterloo, J.W. Pieneman, 1824, Rijksmuseum Amsterdam, Nederlanden,

De slag bij Waterloo, J.W. Pieneman, 1824, Rijksmuseum Amsterdam  

De Gentse citadel die gebouwd werd als onderdeel van de verdedigingslinie tegen Frankrijk 1830, Nationaal Archief Den Haag.Nederlanden,

De Gentse citadel die gebouwd werd als onderdeel van de verdedigingslinie tegen Frankrijk 1830, Nationaal Archief Den Haag.  

Al in de loop van 1813 keerden de krijgskansen in het nadeel van de Fransen en werd Nederland opnieuw onafhankelijk. In de Zuidelijke Nederlanden heerste er in de jaren 1813-1815 grote politieke onzekerheid over de toekomst. De meerderheid van de bevolking had geen heimwee naar de periode onder Frankrijk. Sommige leden van adel en clerus waren niet tegen een terugkeer van de Oostenrijkers, maar Wenen had maar weinig belangstelling voor dit – voor hen – afgelegen gebied. In mei wezen de mogendheden de Zuidelijke Nederlanden voorlopig toe aan het nieuwe Nederlandse koninkrijk. Pas met de Slotakte van het Congres van Wenen, van 9 juni 1815, vernam de bevolking in het noorden en in het zuiden dat zij voortaan verenigd werden in één staat.

De held van Waterloo

De slag bij Waterloo had een bijzondere betekenis voor het Koninkrijk der Nederlanden en de Oranjedynastie. Waterloo bewees het nut van het Koninkrijk als buffer tegen Frankrijk. In dit opzicht was Waterloo het echte vestigingsmoment van het Koninkrijk.

Voor veel Nederlanders was kroonprins Willem (1792-1849) de held van Waterloo.  Hij voerde er, op nogal onbesuisde wijze, een legercorps aan van 35.000 soldaten. Hij kwam onder vijandelijk vuur en kreeg een kogel door de linker bovenarm. Op de plek waar dit gebeurde werd in 1826, op bevel van Willem I, het monument ‘de Leeuw van Waterloo’ opgericht. Dit monument bestaat uit een kunstmatige heuvel van veertig meter hoog, met een staande gietijzeren leeuw, die werd vervaardigd in de ijzergieterij van Cockerill in Seraing.

Willem I had ambitieuze huwelijksplannen voor zijn oudste zoon, en het prestige, verworven door de kroonprins in Waterloo, hielp daarbij. Er waren plannen voor een huwelijk met prinses Charlotte, de Britse troonopvolgster. Haar enthousiasme was evenwel niet groot, en in 1816 trouwde zij met Leopold van Saksen-Coburg. Het kan verkeren. Op 21 juli 1831 legde diezelfde Leopold de eed af als koning van België. Kroonprins Willem trouwde met Anna Paulowna, een zus van de Russische tsaar.

Stafkaarten van Napoleon, Dolman gedragen door kroonprins Willem tijdens de slag bij Waterloo, Nederlanden,

Links: Stafkaarten van Napoleon, buitgemaakt na de slag bij Waterloo

Rechts: Dolman gedragen door kroonprins Willem tijdens de slag bij Waterloo Koninklijke Verzameling Den Haag

De laatste verlichte despoot

Willem I (1772-1843) leek voorbestemd om de nieuwe stadhouder van de Republiek te worden, maar de gebeurtenissen na 1789 beslisten er anders over. In 1795 verdreven de Fransen de Oranjes naar Londen. De ambitieuze Willem was niet van plan de gebeurtenissen passief te ondergaan. Tijdens zijn ballingschap probeerde hij verwoed een nieuwe machtspositie voor de familie in Europa veilig te stellen. Als verre nazaat van Willem van Oranje (1533-1584) droomde hij al langer van een hereniging van de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden. Zijn vader had zijn twijfels bij een samengaan van het calvinistische noorden en het katholieke zuiden, maar Willem wuifde zijn bezwaren weg.

Enig opportunisme was Willem zeker niet vreemd en in 1803 aanvaardde hij, ter compensatie van het verloren Nederland, het vorstendom Oranje-Nassau-Fulda van Napoleon. In de zomer van 1806 liep hij over naar de anti-Franse coalitie. Napoleon greep onmiddellijk in en Willem verloor zijn ‘Duitse’ bezittingen. In de loop van 1813 dacht Willem opnieuw aan de hereniging der Nederlanden. Over zijn lot werd tenslotte beslist door de mogendheden. Met de zegen van Engeland werd hij koning van het nieuwe Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.

Willem was een gedisciplineerde werker, plichtsbewust en daadkrachtig. Hij presenteerde zich graag aan zijn volk als een bezorgde huisvader. Al in zijn eerste proclamatie, op 2 december 1813, sprak hij over zichzelf als “een vader in het midden van zijn huisgezin.” Maar hij kon niet delegeren: le roi décide seul of met enkele onderdanige vertrouwelingen. Door zijn manier van werken verloor hij gaandeweg het contact met de realiteit, en met de Belgische opstand in 1830 liep het voorgoed mis.

Voor Willem was de opstand een pijnlijke persoonlijke nederlaag. Hij had geprobeerd om de cohesie in zijn rijk te versterken, maar heel wat maatregelen wakkerden juist de verdeeldheid aan. Door zijn koppige weigering om de Belgische onafhankelijkheid te aanvaarden raakte hij internationaal steeds meer geïsoleerd. Gaandeweg verloor hij ook steun in eigen land. In 1839, onder druk van de Staten-Generaal, draaide hij tenslotte bij. Kwam daarbij dat hij wilde hertrouwen met een Belgische katholieke vrouw. Na zijn aftreden op 7 oktober 1840 trok een moegestreden Willem zich terug in Berlijn.

Allegorie op de teruggave van de schilderijen aan de Antwerpse academie na de slag bij Waterloo J.J. Verellen en A.G. van Prooijen, 1815, Rijksmuseum Amsterdam, Nederlanden,

Allegorie op de teruggave van de schilderijen aan de Antwerpse academie na de slag bij Waterloo J.J. Verellen en A.G. van Prooijen, 1815, Rijksmuseum Amsterdam 

Een moeilijke start

De eedaflegging van Willem I op het Koningsplein te Brussel in 1815, J.N. Gibèle & P.J.B. Leroy Koninklijke Verzamelingen Den Haag, Nederlanden,

De eedaflegging van Willem I op het Koningsplein te Brussel in 1815, J.N. Gibèle & P.J.B. Leroy Koninklijke Verzamelingen Den Haag

Une union intime et complète?

Op 21 september 1815 werd Willem I ook in het zuiden ingehuldigd als koning van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. De mogendheden gaven de voorkeur aan een union intime et complète: een eenheidsstaat was stabieler dan een losse(re) federatie. Al in 1814 begon Willem propaganda te voeren in het zuiden: hij wilde de bevolking bewust maken van het gemeenschappelijke verleden met het noorden. In verschillende steden werden oranje kokardes uitgedeeld en in sommige Brusselse kranten verschenen lovende artikels.

De tussenkomst van Willem van Oranje ten behoeve van de rooms-katholieke gevangenen te Gent in 1578 J. Pinnoy naar M.I. van Bree, Stad Gent, De Zwarte Doos, Stadsarchief, Atlas Goeghebeur, Nederlanden

De tussenkomst van Willem van Oranje ten behoeve van de rooms-katholieke gevangenen te Gent in 1578 J. Pinnoy naar M.I. van Bree, Stad Gent, De Zwarte Doos, Stadsarchief, Atlas Goeghebeur  

Alle inspanningen ten spijt bleek het water tussen noord en zuid erg diep. Nederland was feitelijk onafhankelijk sinds de late zestiende eeuw en groeide tijdens de Gouden Eeuw uit tot een Europese mogendheid. In de negentiende eeuw werd Nederland algemeen erkend als een ‘historische natiestaat’. Het nationaal bewustzijn en de politieke belangstelling waren er, ook gesteund door beter onderwijs, veel groter dan in het zuiden. Willem stelde zich graag voor als de ‘vader der natie’, die het werk van Willem de Zwijger wilde voltooien. Deze mag dan de onbetwiste ‘vader des vaderlands’ zijn in Nederland, het latere België kende een andere dynastieke en politieke traditie. De Zuidelijke Nederlanden waren sinds de late zestiende eeuw altijd een deel van een Europese mogendheid gebleven, achtereenvolgens Spanje, Oostenrijk en Frankrijk. Sinds 1795 waren deze gebieden een deel van de Franse Republiek en later van het Franse Keizerrijk. Nederland was tussen 1795 en 1810 een vazalstaat van Frankrijk, maar het behield toch een zekere autonomie. Pas in 1810 werd het een deel van het Keizerrijk.

De meeste inwoners van het zuiden voelden maar weinig verbondenheid met ‘Holland’. Willem was voor hen de calvinistische vorst van een protestantse natie. De Franstalige, katholieke Gentenaar Joseph Nève de Mévergnies was geen vriend van Willem of Nederland: “Comment les Belges pouvaient-ils oublier que c’étaient les Provinces Unies qui avaient obtenu à Munster en 1648 la fermeture de l’Escaut, cause de la ruine de notre commerce et de notre industrie … Et puis c’étaient des protestants profondément anti9 catholiques … cerveaux étroits cultivant la jalousie et meme la haine de leurs voisins du Sud plus industrieux, plus instruits qu’eux.” Ook in het noorden was niet iedereen even enthousiast: “En Hollande l’idée de la réunion avec la Belgique ne soulevait au - cun enthousiasme non plus. … Ils n’acceptaient qu’à contrecœur la reconstitution des anciens Pays-Bas.”

De strijd om de grondwet

Op 29 maart 1814 werd een nieuwe grondwet voor Nederland aanvaard door de Staten-Generaal. Het was veelbetekenend dat de oppositie vooral van katholieke zijde kwam. Na de vereniging met de Zuidelijke Nederlanden werd de grondwet aangepast. Het resultaat was een conservatieve grondwet met een zeer dominant staatshoofd. Er was geen scheiding der machten. Pas in 1823 kwam er een ministerraad. De Staten-Generaal bestond uit de Eerste en de Tweede Kamer. Leden van de Eerste Kamer werden door de koning voor het leven benoemd. De Tweede Kamer, met 110 leden, werd samengesteld via getrapte verkiezingen. Parlement en regering resideerden beurtelings in Brussel en Den Haag.

Portret van bisschop Maurice de Broglie F. De Vigne, ca. 1845, Sint-Baafskathedraal Gent, Nederlanden,

Portret van bisschop Maurice de Broglie F. De Vigne, ca. 1845, Sint-Baafskathedraal Gent  

In theorie werd het zuiden een gelijkwaardig deel van het nieuwe Koninkrijk, met een ‘gelijke’ vertegenwoordiging in de Staten-Generaal en met dezelfde financiële verplichtingen, maar dit werd niet zo ervaren in het zuiden. In 1815 telde het zuiden, met 3,37 miljoen inwoners, 60.000 stemgerechtigden, het noorden, met amper 2 miljoen inwoners, 80.000. Beide delen van het Koninkrijk hadden 55 afgevaardigden in de Staten-Generaal – de ‘Belgen’ hadden vergeefs aangedrongen op meer leden. Noord en zuid hadden ook dezelfde financiële verplichtingen, want de staatsschuld werd op - nieuw ‘gelijk’ verdeeld. Het noorden had echter een veel hogere schuld, wat betekende dat het zuiden een groter deel van de schuld op zich nam dan waarvoor het verantwoordelijk was.

In het zuiden botste de grondwet op stevige tegenstand. Vooral de katholieken, onder aanvoering van de strijdbare Gentse bisschop Maurice de Broglie (1766-1821) roerden zich. Willem maakte de Kerk ondergeschikt aan de staat en wilde de maatschappelijke invloed van Rome sterk beperken. De Broglie droomde van het herstel van de oude voorrechten van de Kerk. Ook de gelijkstelling van alle godsdiensten, zoals vastgelegd in de grondwet, was voor de bisschop onaanvaardbaar. Een botsing kon dan ook niet uitblijven. Vooral door het verzet van de Kerk werd de grondwet in het zuiden verworpen. Van de 1.604 ‘Belgische’ notabelen, die voor de stemming waren uitgenodigd stemden er 796 tegen, 527 voor en 281 waren afwezig. Van de tegenstemmers kwamen er 554 uit de Nederlandstalige gewesten, van de voorstemmers 272. Ook de Gentse stem - men verwierpen duidelijk de grondwet: 70 tegen, 10 voor. Door een gewiekste manipulatie van deze cijfers wist Willem de goedkeuring alsnog door te drukken. Hij oordeelde dat, wie louter om godsdienstige redenen had tegengestemd, geen échte bezwaren had en dus de grondwet aanvaardde. Dit gesjoemel is als ‘hollandsche rekenkunde’ de geschiedenis ingegaan.

Na de ‘goedkeuring’ van de grondwet richtte het conflict zich op de eed van trouw aan de grondwet. De Broglie verbood ambtenaren de eed af te leggen en heel wat katholieke ambtenaren namen ontslag. Het conflict sleepte aan tot 1817, toen de Mechelse aartsbisschop François de Méan (1756-1831) een compromis voorstelde. In november 1817 daagde Willem de Broglie voor de rechter op beschuldiging van ‘weerspannigheid’. De bisschop vluchtte naar Parijs, waar hij in 1821 overleed. Door het conflict tussen Willem en de Kerk werd pas in 1829 een nieuwe bisschop, Jean-François Van de Velde (1779-1838), aangesteld.

Ontwerp van de grondwet met de handtekeningen van leden van de grondwetscommissie, 1815, Nationaal Archief Den Haag, Nederlanden,

Ontwerp van de grondwet met de handtekeningen van leden van de grondwetscommissie, 1815, Nationaal Archief Den Haag

Ondersteuning van industrie, infrastructuur en onderwijs

De prijsuitreiking aan de laureaten van de Gentse Nijverheidstentoonstelling in 1820 M.I. van Bree, STAM – Stadsmuseum Gent, Nederlanden,

De prijsuitreiking aan de laureaten van de Gentse Nijverheidstentoonstelling in 1820 M.I. van Bree, STAM – Stadsmuseum Gent - Foto: Michel Burez

Tijdens zijn ballingschap in Groot-Brittannië had Willem grote belangstelling getoond voor de industrialisatie en alle technische vernieuwingen. Hij was vastbesloten om de economische ontwikkeling in het Koninkrijk actief te steunen. Door de handelstraditie van het noorden te koppelen aan de industriële ontwikkeling in het zuiden wilde hij de interne cohesie versterken.

In 1815 was de economische toestand in het hele Koninkrijk slecht. De Nederlandse historicus Jan Romein omschreef Nederland in die jaren als een “natie van renteniers en paupers.” Ook de jonge industrie in het zuiden was er slecht aan toe. Voor de Gentse katoenindustrie, die op het einde van het keizerrijk werk gaf aan ca. 12.000 mensen, was zowel de bescherming, geboden door de continentale blokkade, als de Franse afzetmarkt weggevallen.

Porseleinen borden met gezichten op het koninkrijk: De poort van Amercœur in Luik, F. Faber, 1819-1821, Koninklijke Verzamelingen Den Haag, Nederlanden

Porseleinen borden met gezichten op het koninkrijk: De poort van Amercœur in Luik, F. Faber, 1819-1821, Koninklijke Verzamelingen Den Haag  

De katoennijverheid moest opboksen tegen goedkope en betere Britse producten op de binnen- en buitenlandse markt. Bovendien vielen de problemen in de industrie samen met een landbouwcrisis. De oogst van 1815 viel tegen, deze van 1816 en 1817 mislukten volledig. Dreigende hongersnood en stijgende werkloosheid leidden tot sociale onrust. In Gent werden bakkerijen en magazijnen met Engelse goederen geplunderd. Door gratis levensmiddelen uit te delen probeerde het stadsbestuur het ergste te vermijden. De problemen bleven aanslepen tot in 1817: “Quinze mille ouvriers des usines cotonnières se trouvèrent bientôt sans ouvrage. Les sans-travail se promenaient en lamentables cortèges et chantaient leur misère,” schreef Joseph Nève de Mévergnies in januari 1817.

Porseleinen borden met gezichten op het koninkrijk: Het kasteel van BelœilF. Faber, 1819-1821, Koninklijke Verzamelingen Den Haag, Nederlanden,

Porseleinen borden met gezichten op het koninkrijk: Het kasteel van BelœilF. Faber, 1819-1821, Koninklijke Verzamelingen Den Haag

De Nijverheidstentoonstelling van augustus 1820 in Gent betekende een eerste keerpunt op economisch gebied. Deze exposities kenden al een zekere traditie in het Koninkrijk. De Gentse tentoonstelling werd een succes. Zij liep van 1 tot 24 augustus 1820 in twaalf zalen van het stadhuis en trok veel bezoekers, ook buitenlandse. 560 exposanten namen deel, afkomstig uit alle delen van het Koninkrijk. Niet alleen grote(re) fabrieken waren er, ook kleinere bedrijven en ateliers zoals tabaksfabrikanten, instrumentenmakers, kristalslijpers, zadelmakers, meubelmakers, passementwerkers, ijzergieters, hoedenmakers, pottenbakkers… De tentoonstelling van Gent kreeg een vervolg in Haarlem in 1825 en in Brussel in 1830. De Brusselse expo opende in augustus, wanneer er al aanzienlijke onrust heerste in de stad. Na de scheiding van 1830 zetten beide landen de traditie van de nijverheidstentoonstellingen afzonderlijk verder.

Steun aan de industrie

Spotprent op de oprichting van de Nederlandse Handelmaatschappij, 1824, Rijksmuseum Amsterdam, Nederlanden,

Spotprent op de oprichting van de Nederlandse Handelmaatschappij, 1824, Rijksmuseum Amsterdam  

De vrijhandelstraditie van het noorden en de vraag om protectionisme in het zuiden bleken aanvankelijk niet gemakkelijk te verzoenen. Onder druk van noordelijke handelsmiddens daalde het toltarief tussen 1816 en 1821. Na protest van de industrie in het zuiden trok de overheid de invoerrechten in augustus 1822 licht op. Willem wilde de toltoegevingen aan het noorden compenseren met meer ingrijpende steunmaatregelen voor het zuiden. In 1821 werd het Fonds ter bevordering van de nationale nijverheid en de infrastructuur opgericht. Dit Fonds gaf voor ruim een half miljoen gulden steun aan – vooral middelgrote – Gentse textielondernemingen, die technische vernieuwingen niet zelf konden financieren. Grotere bedrijven zoals De Vos, Lousbergs en Bossaert betaalden technische vernieuwingen, zoals de mechanisering van de weverij, grotendeels zelf. Steun ging in 1824 ook naar Le Phénix, de Gentse machineproducent die enkele jaren daarvoor door onder anderen Willem zelf was opgericht. Aanvankelijk vervaardigde dit bedrijf weefgetouwen voor Gentse textielbedrijven, maar in de loop van de negentiende eeuw werden ook gasmotoren, turbines, hydraulische pompen en liften geproduceerd. De belangrijkste begunstigde van het Industriefonds was John Cockerill (1790-1840), die in Seraing een industrieel imperium uitbouwde met steen - 13 koolmijnen, een hoogoven, ijzergieterijen en ateliers voor machineconstructie.

Koning Willem I ontmoet de industrieel Cockerill J.-L. Van Hemelryck, 1829, Rijksmuseum Amsterdam, Nederlanden,

Koning Willem I ontmoet de industrieel Cockerill J.-L. Van Hemelryck, 1829, Rijksmuseum Amsterdam  

In 1822 volgde de oprichting van de Nationale Maatschappij ter Begunstiging van de Algemene Volksvlijt, in België beter bekend als de Société Générale. Met 82% van de aandelen was Willem de grootste aandeelhouder, want door het verkopen van delen van het kroondomein had hij voldoende kapitaal gemobiliseerd. De Gentse katoennijverheid werd maar beperkt gesteund door de Société, zij richtte zich op de eerste plaats op de steenkoolmijnen in de Borinage. Eind maart 1824 werd de Nederlandse Handelmaatschappij opgericht.

De kroonprins in de textielfabriek van Jan Rosseel in Gent, P. van Huffel, 1817, STAM – Stadsmuseum Gent, Nederlanden,

De kroonprins in de textielfabriek van Jan Rosseel in Gent, P. van Huffel, 1817, STAM – Stadsmuseum Gent - Foto: Michel Burez

Deze maatschappij stimuleerde de handel met het buitenland en de kolonies: zij was verplicht een aanzienlijk deel van haar budget te besteden “à venir en aide à l’industrie textile.” Door de verschillende steunmaatregelen waren de jaren 1820 gouden jaren voor de Gentse katoenindustrie. Tussen 1825 en 1830 is het aantal spinnerijen meer dan verdubbeld. In 1819 waren er nauwelijks 3 stoommachines, in 1830 al 55. Nederlands-Indië werd de belangrijkste afzetmarkt voor het Gentse katoen: van de 40.000 stukken die naar de kolonie werden gezonden in 1829 kwamen er 37.000 uit Gent. De sector gaf toen werk aan 15.000 à 16.000 mensen. De industriële hausse bleef niet beperkt tot de katoennijverheid, ook papier- en glasfabrieken wonnen aan belang. Kleinere centra zoals Lokeren en Sint-Niklaas profiteerden eveneens van de economische bloei. In Antwerpen waren reders en handelaars opgetogen over het beleid, want in 1829 overvleugelde de haven Rotterdam en Amsterdam. Door zijn gulle steun aan de industrie en handel wist Willem de onvoorwaardelijke steun te verwerven van een groot deel van de economische elite in het zuiden.

Kanon Dulle Griet schiet met prijzen Spotprent waarin o.m. verwezen wordt naar  de Nijverheidstentoonstelling in Gent, 1820, Rijksmuseum Amsterdam, Nederlanden,

Kanon Dulle Griet schiet met prijzen Spotprent waarin o.m. verwezen wordt naar  de Nijverheidstentoonstelling in Gent, 1820, Rijksmuseum Amsterdam  

Plan van de sluis in Klein-Willebroek op het kanaal Brussel-Schelde 1825, Nederlanden,

Plan van de sluis in Klein-Willebroek op het kanaal Brussel-Schelde 1825, Nationaal Archief Den Haag

De kanalenkoning

In 1815 liet de infrastructuur in het Koninkrijk veel te wensen over. Met een ambitieus masterplan wilde Willem I deze situatie ingrijpend verbeteren: onder zijn impuls bereikte de kanalenbouw een hoogtepunt.

Kaart met verschillenden plannen voor het verbindingskanaal tussen Hene (Haine) en Schelde, Nederlanden,

Kaart met verschillenden plannen voor het verbindingskanaal tussen Hene (Haine) en Schelde

De havensteden Rotterdam, Amsterdam en Gent kregen een rechtstreekse verbinding met de zee. In Wallonië werden de kanalen Bergen-Condé, Pommerœil-Antoing en Brussel-Charleroi aangelegd, die de afvoer van steenkool verzekerden. Aangezien kapitaalbezitters veeleer weigerachtig waren om in kanalen te investeren, nam Willem de financiering grotendeels op zich. Dit leidde tot serieuze financiële problemen en, vanwege de koning, tot enig creatief boekhouden. Tussen 1815 en 1832 werd in totaal voor 481 kilometer nieuwe kanalen aangelegd: 290 kilometer in het noorden en 191 kilometer in het zuiden. Bestaande waterwegen werden verbeterd, voor in totaal 342 kilometer. Door de snelle ontwikkeling van de katoenindustrie had Gent grote nood aan een directe verbinding met de zee. Toch nam de aanloop naar het kanaal Gent-Terneuzen enkele jaren in beslag. 

Plan van het Gentse Handelsdok en de aansluiting op het kanaal Gent-Terneuzen, De verzande Sassevaart en de brug van Meulestede tijdens het graven van het kanaal Gent-Terneuzen, P.F. De Noter, 1827, Nederlanden,

Links: Plan van het Gentse Handelsdok en de aansluiting op het kanaal Gent-Terneuzen Stad Gent, De Zwarte Doos, Stadsarchief, Atlas Goetghebeur

Rechts: De verzande Sassevaart en de brug van Meulestede tijdens het graven van het kanaal Gent-Terneuzen, P.F. De Noter, 1827, STAM – Stadsmeuseum Gent - Foto: Michel Burez

Koperen inhuldigingspenning  van Willem I, 1815, , Nederlanden

Koperen inhuldigingspenning  van Willem I, 1815, STAM – Stadsmuseum Gent

In 1817 dachten de Gedeputeerde Staten van Oost-Vlaanderen aan een uitdieping van de Sassevaart om overstromingen ten noorden van Gent te voorkomen. De vaart, gegraven in het midden van de zestiende eeuw tussen Gent en Sas van Gent, was in de achttiende eeuw volledig vervallen. Pas in een latere fase was er sprake van een zeekanaal: het koninklijk besluit van 1823 bepaalde dat de Sassevaart uitgebouwd werd tot een ‘zeekanaal’ tussen Gent en Terneuzen. Het nieuwe kanaal, dat aan de Tolhuissluis vertrok, was 34 kilometer lang, 4,4 meter diep, 23 à 25 meter breed aan de waterspiegel en 10 meter breed op de bodem. De werken begonnen op 15 maart 1825 en zij werden snel afgewerkt. Op 18 november 1827 werd het kanaal plechtig geopend door de Oost-Vlaamse gouverneur Pieter van Doorn (1783-1853), ten gevolge van een overlijden kon Willem zelf niet aanwezig zijn. In 1829 arriveerden 56 zeeschepen, maar Gent-Terneuzen kreeg pas zijn echte belang op langere termijn. Met de opening van het kanaal verschoven de havenactiviteiten voorgoed in noordelijke richting. Het Handelsdok werd in 1828-1829 aangelegd. Vanaf de jaren 1880 werden, met de bouw van het Houtdok en de Voorhaven, de moderne haveninstallaties in de omgeving van de Dampoort verder uitgebreid.

Spotprent van Willem I als Koning Kaas, 1830-1831, Nederlanden,

Spotprent van Willem I als Koning Kaas, 1830-1831, Rijksmuseum Amsterdam

De bijnamenkoning

De ‘kanalenkoning’ was een bekende bijnaam van Willem, maar hij had er verschillende.

Op 21 september 1815 werd Willem I ingehuldigd op het Koningsplein in Brussel. Voor de gelegenheid had Willem een goudkleurig beschilderde koperen kroon laten maken, versierd met imitatiestenen van gekleurd glas. Bij de inhuldiging werden vooral koperen, niet zozeer gouden of zilveren penningen uitgestrooid onder het volk. Meer was niet nodig voor de aanwezigen om Willem meteen om te dopen tot ‘koperen koning’.

Willem was een harde werker, die dagelijks 12 à 14 uur in zijn werkkamer doorbracht. Daar ondertekende hij volgens sommigen ongeveer een miljoen besluiten, wat hem de bijnaam ‘besluitenkoning’ opleverde. Zijn werkkamer werd ‘de papierfabriek’ genoemd.

Op 9 maart 1824 werd in Den Haag, op initiatief van Willem, de Nederlandsche Handel-maatschappij opgericht, die de export naar de kolonies steunde. Sommigen zagen in deze maatschappij een geduchte concurrent voor kleinere ondernemingen en rederijen. Wilde de alomtegenwoordige Willem ook een deel van de handel met de kolonies in handen krijgen? Een en ander leverde hem de bijnaam ‘koning koopman’ op.

Tijdens de Belgische opstand verschenen in het zuiden weinig vleiende karikaturen van Willem als ‘Koning kaas’. Na 1830 werden de orangisten smalend ‘kaasgezinden’ genoemd.

Schaalmodel van de postwagen Amsterdam-Gent, Nederlanden,

Schaalmodel van de postwagen Amsterdam-Gent, Rijksmuseum Amsterdam

Onderwijs en universiteit

Onder de Fransen was het onderwijs in de Zuidelijke 17 Nederlanden sterk verwaarloosd. Men schat dat in 1815 meer dan de helft van de bevolking analfabeet was. De situatie van het onderwijs in het noorden was heel wat beter, en Willem plande een serieuze inhaalbeweging voor alle vormen van onderwijs in het zuiden. Het niveau van lager en middelbaar onderwijs moest beter. De universiteiten van Leiden, Utrecht, Groningen en Leuven werden opnieuw opgericht. Gent en Luik kregen een nieuwe universiteit. In Brussel werden verschillende wetenschappelijke en culturele instellingen (her)opgericht zoals de Sterrenwacht (1826), de Koninklijke Academie voor Wetenschappen en Letteren, het Conservatorium (1827) en de Botanische Tuin (1829).

De plechtige installatie van de Universiteit van Gent door de kroonprins in de troonzaal van het stadhuis, 1817, M.I. van Bree, Nederlanden,

De plechtige installatie van de Universiteit van Gent door de kroonprins in de troonzaal van het stadhuis, 1817, M.I. van Bree, Rijksmuseum Amsterdam

De Aula van de Gentse universiteit gebouwd naar ontwerp van stadsarchitect L. Roelandt P.J. Goetghebuer,, Nederlanden,

De Aula van de Gentse universiteit gebouwd naar ontwerp van stadsarchitect L. Roelandt P.J. Goetghebuer, Stad Gent, De Zwarte Doos, Stadsarchief  

Al op 7 november 1814 stelde Gent zich officieel kandidaat als universiteitsstad. De gemeenteraad lobbyde ijverig om Willems beslissing gunstig te beïnvloeden. De stad herinnerde er aan dat, eveneens onder het Huis van Oranje-Nassau, in 1576 een ‘calvinistische universiteit’ was opgericht, die verdween in 1584. Op 25 september 1816 werd beslist dat de universiteit er kwam. Op 3 november 1817 gingen de colleges van start aan de faculteiten Letteren en Wijsbegeerte, Rechten, Wetenschappen en Geneeskunde. Er waren 190 studenten, 16 professoren en 13 personeelsleden. De professoren – katholiek en protestants – waren overwegend afkomstig uit het noorden, Frankrijk en Duitsland. Alleen voor geneeskunde werd lokaal gerekruteerd. 

De ‘Salle académique’ van de Luikse universiteit gebouwd naar ontwerp van stadsarchitect J.N. Chevron, Nederlanden,

De ‘Salle académique’ van de Luikse universiteit gebouwd naar ontwerp van stadsarchitect J.N. Chevron, Stad Gent, De Zwarte Doos, Stadsarchief

 De lessen werden gegeven in het Latijn. Zij vonden plaats in het Pakhuis aan de Korenmarkt (Geneeskunde), het Jezuïetenklooster in de Voldersstraat (Letteren), de Baudelokapel (Rechten) en de Sint-Elooikapel aan de Geldmunt (Wetenschappen en Anatomie). Toekomstige artsen werden opgeleid in het Burgerlijk Hospitaal van de Bijloke. Op het terrein van de voormalige Jezuïetenkerk in de Voldersstraat werd tussen 1819 en 1826 de Aula gebouwd, naar een ontwerp van stadsarchitect Louis Roelandt (1786-1865).

Groeiende onenigheid over onderwijs, godsdienst en taal

In de loop van de jaren 1820 nam de ontevredenheid over Willems beleid stilaan toe. Het aanslepende conflict met de Kerk werd vooral op het terrein van het onderwijs uitgevochten, wat leidde tot een heuse schoolstrijd in het zuiden. Over sommige fiscale maatregelen, zoals de belasting op het malen van graan, was sinds 1821 fel gedebatteerd in de Staten-Generaal. De pogingen om het Nederlands als enige bestuurstaal op te leggen veroorzaakten groot ongenoegen. Ook de beperkingen van de persvrijheid leidden tot fel protest.

Taal, administratie en gerecht

Vandaag kan men zeggen dat Willem het Nederlands in het noorden van België heeft gered, maar onder het Koninkrijk veroorzaakte zijn taalpolitiek aanzienlijke verdeeldheid. Eigenlijk droomde de koning van het Nederlands als enige bestuurstaal in heel het Koninkrijk, maar de realiteit in het zuiden was ingewikkelder. In 1819 werd het gebruik van het Nederlands in de Vlaamse provincies (Oost- en West-Vlaanderen, Antwerpen en Limburg) opgelegd aan gerecht en administratie, begin 1823 werd deze maatregel uitgebreid tot Brussel en Leuven. Deze ‘taaldwang’ botste niet alleen op verzet bij Franssprekenden in en rond Brussel, maar ook in Vlaanderen. Voor heel wat Vlamingen was er niet zozeer sprake van ‘vernederlandsing’ als wel ‘verhollandsing’. Willem heeft ook Nederlandstalig onderwijs in de Waalse provincies geïntroduceerd. In de jaren 1825-1830 waren er een 70-tal lagere scholen met Nederlandse onderwijzers, vooral in taalgrensgemeenten. In het secundair onderwijs waren in alle athenea en openbare colleges leergangen Nederlands, in het hoger onderwijs een leerstoel Nederlandse letterkunde aan de Luikse universiteit. Veel Franstaligen vonden Willems maatregelen te opdringerig, zij versterkten het verzet tegen het “tirannieke Hollandse regime.”

Spotprent op het facultatief maken van het Filosofisch College te Leuven, 1829, Nederlanden,

Spotprent op het facultatief maken van het Filosofisch College te Leuven, 1829, Rijksmuseum Amsterdam

Schoolstrijd in het zuiden

In 1816 kwam de organisatie van het onderwijs in handen van de overheid. Willem wilde niet alleen het niveau verbeteren, hij wilde vooral een einde maken aan de almachtige positie van de Kerk. Nieuwe botsingen met deze bemoeizieke “protestantse duivel uit het noorden” konden dan ook niet uitblijven. Aangezien lager en middelbaar onderwijs in het zuiden sterk verwaarloosd waren, nam Willem maatregelen om het niveau te verbeteren. De opleiding van onderwijzers en leraars werd aangepakt met de oprichting in 1816 van een rijksnormaalschool in Lier. Vanaf september 1817 dacht in elke provincie een commissie na over maatregelen voor een beter lager onderwijs. De eerste maatregelen volgden pas in 1828. Zo werd in Gent aan de Onderstraat, in het voormalige meisjesweeshuis, een rijkslagere school opgericht. Ter vervanging van de afgeschafte armenschool van de Broeders der Christelijke Scholen in de Bijloke richtte het stadsbestuur drie stadsarmenscholen op: in het Godshuis van Sint-Jan in d’Olie aan Nieuwpoort, in het vroegere kapucijnenklooster aan de Kapucijnenham en in het voormalige Rijke Gasthuis op de hoek van Hoog- en de Holstraat. Het lycée aan de Ottogracht was in 1815 al vervangen door een Koninklijk College. In 1825 gingen alle vrije middelbare scholen, die zonder Willems toestemming waren opgericht, dicht, wat leidde tot een ware schoolstrijd in het zuiden.

Willem I gooit de jezuïeten uit het land 1829, Nederlanden,

Willem I gooit de jezuïeten uit het land 1829, Rijksmuseum Amsterdam

Het Filosofisch College en het concordaat

 Eén van Willems meest controversiële maatregelen was de oprichting, in 1825, van het Filosofisch College in Leuven. Met deze ingreep hoopte Willem een ‘verlichte, tolerante en volgzame’ clerus te vormen. De toon werd al gezet tijdens het debat in de Staten-Generaal, toen een afgevaardigde uit Utrecht zei dat het Filosofisch College “de dweepzieke geestelijkheid, in nevelen van bijgeloof verzonken … tot ware verlichting brengen” moest. Met de zegen van Rome weigerde de Belgische clerus alle medewerking. Het College telde zeer weinig leerlingen, uit Gent vertrok geen enkele student naar Leuven. De bisschoppen lieten dan weer geen alumni van het Filosofisch College toe tot de priesteropleiding.

En dan was er nog de herrie rond het concordaat tussen Willem en Rome. De besprekingen begonnen in de zomer van 1823, maar liepen twee jaar later vast op de vraag wie het recht had bisschoppen te benoemen. In januari 1827 werden de gesprekken hervat en het concordaat werd ondertekend in juni. Voor een keer overlaadden de katholieken Willem met lof, maar de vreugde was van korte duur. Onder druk van calvinisten en Belgische liberalen werd de uitvoering van het concordaat op de lange baan geschoven. Het werd er niet beter op toen Bernard De Smet, de superior van het Gentse Sint-Barbaracollege, in september 1827 Willems schoolpolitiek zou hebben gehekeld en veroordeeld werd tot drie maanden gevangenis. In hoger beroep werd De Smet vrijgesproken, maar dit was een van de eerste causes célèbres, waarbij Willem en de oppositie lijnrecht tegenover elkaar stonden.

Kerk en staat

Onder het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden was de verhouding tussen Kerk en staat een van de meest heikele problemen. Dit probleem was niet nieuw, het werd een eerste keer acuut onder de Oostenrijkse keizer Jozef II (1780-1790). Het ‘jozefinisme” onderwierp de Kerk en de kerkelijke instellingen aan het gezag van de staat, wat uiteraard leidde tot luid protest. Het conflict kwam in een stroomversnelling in oktober 1786, toen de staat zich ging bemoeien met de opleiding van priesters. Er kwam een Algemeen Seminarie in Leuven, zeg maar een directe voorloper van het Filosofisch College. Deze beslissing veroorzaakte groot ongenoegen en lag (mee) aan de basis van de Brabantse Omwenteling in 1789.

Ook het conflict tussen Willem en de Gentse bisschop Maurice de Broglie draaide rond de verhouding tussen Kerk en staat. Maurice de Broglie, van origine een Franse prins, werd in 1807 bisschop van Gent. Ook Napoleon maakte de Kerk ondergeschikt aan de staat, wat leidde tot een frontale botsing met de Broglie, een onvermoeibaar verdediger van de rechten van de Kerk. Het conflict escaleerde in de loop van juli 1811. De bisschop werd opgesloten in het kasteel van Vincennes en deed er gedwongen afstand van zijn bisschopszetel. Eind mei 1814 keerde hij terug naar Gent, waar hij al snel in conflict kwam met Willem. Deze zette in feite Napoleons politiek voort: hij wilde de maatschappelijke invloed van Rome en de Kerk, volgens Willem een instrument van obscurantisme, zo veel mogelijk beperken.

Het conflict tussen Kerk en staat werd niet opgelost met de Belgische onafhankelijkheid van 1830. Integendeel, aan de tijdelijke samenwerking tussen liberalen en katholieken kwam al snel een einde. De levensbeschouwelijke tegenstelling werd de dominante politieke breuklijn in het België van de negentiende eeuw. Veel katholieken gaven voorrang aan de godsdienst boven de staat. De liberalen keerden zich tegen de – te – grote invloed van de Kerk in het openbare leven en wilden een strikte scheiding tussen Kerk en staat. De strijd tussen beide strekkingen werd vooral uitgevochten op het terrein van het onderwijs. Dit conflict lag aan de basis van meer dan 100 jaar schoolstrijd, met als hoogtepunten de schoolstrijd onder de regering Frère-Orban-Van Humbeeck (1878-1884) en de regering Van Acker (1954-1958). Pas in 1958, met het Schoolpact, kwam er een compromisoplossing voor dit probleem.

Gedenkpenning concordaat tussen paus Leo XII en koning Willem I in 1827, F. De Hondt, Nederlanden

Gedenkpenning concordaat tussen paus Leo XII en koning Willem I in 1827, F. De Hondt, 1829 STAM – Stadsmuseum GentT

Belastingen

Van bij het begin van het Koninkrijk kampte Willem met financiële moeilijkheden. Hij onderhield een uitgebreid leger, een omvangrijke administratie en had grote plannen voor industrie en infrastructuur. Ook toen betekenden bijkomende inkomsten doorgaans hogere belastingen. Eén van de meest omstreden maatregelen was de belasting op het malen van graan. Zij leidde sinds 1821 tot pittige discussies in de Staten-Generaal, waarbij noord en zuid tegenover elkaar stonden. Afgevaardigden uit het zuiden argumenteerden dat deze belasting vooral de volksklasse trof: brood was immers hét volksvoedsel bij uitstek. Gentse afgevaardigden zoals burgemeester Joseph Van Crombrugghe (1770-1842) kantten zich tegen deze ingreep. Een bevlogen afgevaardigde had het zelfs over een belasting “Alva waardig.” De maatregel werd tenslotte nipt goedgekeurd, maar tijdens de volgende jaren bleef het gebakkelei duren: jaar na jaar stuurden molenaars, bakkers, boeren… petities naar de Staten-Generaal. Ook de belasting op het slachten van vee en de accijnzen op wijn lokten felle debatten uit, waarbij de tegenstand andermaal uit het zuiden kwam. Het ongenoegen over de fiscale maatregelen verklaarde mee het succes van de petities van de jaren 1828-1829. Het was geen toeval dat bij het begin van de opstand in september 1830 belastingontvangers en hun woningen werden aangevallen.

Naar een toenadering tussen liberalen en katholieken

Spotprent van Louis de Potter, 1828-1830, Nederlanden,

Spotprent van Louis de Potter, 1828-1830, Rijksmuseum Amsterdam,

 Het woord ‘liberaal’ wordt gebruikt voor zowel mede- als tegenstanders van Willem, enkele preciseringen zijn dan ook nodig. Bij het begin van het Koninkrijk, in 1815-1820, waren ‘liberalen’ overwegend aanhangers van Willem. Zij waren gewonnen voor een gecentraliseerd seculier bestuur, waarbij de burgerlijke staat de kerk overheerste. Zij hadden geen moeite met Willems onderwijspolitiek en waren zeer te spreken over zijn gulle steun aan de industriële ontwikkeling. Over zijn taalpolitiek was het enthousiasme bij deze overwegend Franstaligen minder groot.

In de loop van de jaren 1820 begonnen jonge(re) ‘liberalen’ zich te roeren, overwegend advocaten en journalisten uit Brussel en Luik, die het moeilijk hadden met Willems autoritaire regeerstijl. Zij hechtten groot belang aan liberale vrijheden zoals persvrijheid en vrijheid van vereniging. Zij waren niet klerikaal maar hadden minder problemen met godsdienstvrijheid of vrijheid van onderwijs. Zij gaven de voorkeur aan een staatsorde, gebaseerd op de volkssoevereiniteit en de scheiding der machten. Bovendien werden, zeker voor de louter Frans sprekenden onder hen, de carrièreperspectieven in de ma - 23 gistratuur en de ambtenarij beperkt door Willems taalpolitiek. Veel jongere liberalen waren of werden actief in de oppositiepers, waar zij ook de discriminatie van het zuiden aanklaagden. Deze liberalen hadden maar weinig belangstelling voor de belangen van de industriële, commerciële en financiële burgerij, al zijn ze, zoals Els Witte terecht op - merkt, de geschiedenis ingegaan als de ‘verdedigers van de burgerij’.

Willem en de persvrijheid

Persvrijheid was opgenomen in de grondwet, maar al in 1815 en 1818 volgden de eerste beperkingen ter “beteugeling van onrust en kwaadwilligheid.” 

Nederlanden, Spotprent op de beteugeling van de’ losbandigheid’   en ‘kwaadwilligheid’ van de Belgische journalisten,

Spotprent op de beteugeling van de’ losbandigheid’ en ‘kwaadwilligheid’ van de Belgische journalisten, A. Verhoesen, 1829, Rijksmuseum Amsterdam

Anoniem publiceren werd verboden, auteurs en drukkers van ‘aanstootgevende’ publicaties vervolgd. Vooral het Koninklijk Besluit van 20 april 1815 leidde tot grote on - tevredenheid. Wie subversieve berichten verspreidde werd “met geseling, brandmerking, gevangenzetting voor den tijd van hoogstens tien jaar, ja met den dood” bedreigd. Justitieminister van Maanen hield de pers nauwlettend in het oog. Op 21 maart 1827 riep de Luikse advocaat Paul Devaux (1801-1880) op tot een ‘wapenstilstand’ met de katholieken. Hij kreeg de steun van andere kranten, zoals de Oost-Vlaamse Catholique des PaysBas en de Brusselse liberale Courrier des Pays-Bas, de belangrijkste oppositiekrant. Deze kranten eisten persvrijheid, vrijheid van onderwijs en het invoeren van de ministeriële verantwoordelijkheid. Begin november 1828 werd een voorstel, dat de beperkingen inzake persvrijheid wilde opheffen, verworpen. Eind 1828 werd Brussel het toneel van verschillende ophefmakende persprocessen. Verschillende medewerkers van de Courrier des Pays-Bas werden veroordeeld. Op 20 december 1828 werd hoofdredacteur Louis de Potter (1786-1859), die zich zeer scherp had uitgelaten over het regime, veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf en een hoge boete. De Potters overbrenging naar de gevangenis groeide uit tot een echte protestmanifestatie. Vanuit zijn cel bleef de Pot - ter persvrijheid eisen en pleitte hij voor samenwerking tussen liberalen en katholieken. In Luik deden de broers Charles (1800-1885) en Firmin (1791-1865) Rogier hetzelfde. Na zijn vrijlating werd de Potter samen met enkele medestanders opnieuw veroordeeld, dit keer tot acht jaar verbanning. Op datzelfde moment werden in Luik de broers Rogier en de advocaat Joseph Lebeau (1794-1875) in voorarrest geplaatst.

Deze ‘medaille de l’infâmie’ werd in 1829 gemaakt voor de oppositie tegen Willem I, Nederlanden,

Deze ‘medaille de l’infâmie’ werd in 1829 gemaakt voor de oppositie tegen Willem I, Universiteitsbibliotheek Gent 

Huldeblijk van het gemeentebestuur van Evergem aan Willem I naar aanleiding van zijn rondreis in 1829, Nederlanden,

Huldeblijk van het gemeentebestuur van Evergem aan Willem I naar aanleiding van zijn rondreis in 1829, Nationaal Archief Den Haag

De oppositie mobiliseert: de petities

 Ook het petitierecht was opgenomen in de grondwet. Eind 1828 namen Luikse liberalen het initiatief om de eisen van de oppositie te bundelen in een petitie. Vrijheid van onderwijs en van drukpers domineerden, maar de petities vermeldden àlle grieven. 70.000 mensen ondertekenden de petitie, waar - van 45.000 in Vlaanderen. Een geschrokken Willem I maakte een reis door het zuiden en hoopte door enkele toegevingen het tij te keren. Zo werd het Filosofisch College niet langer verplicht. De Journal de Gand, die vanaf 1 januari 1829 op kosten van de Nederlandse regering verscheen, liet zich schamper uit over de petitie. Op 10 december 1830 vervelde de Journal de Gand tot de Messager de Gand, de befaamde moniteur van de orangisten.

In november 1829 lanceerde een vastbesloten oppositie een tweede petitiebeweging, die nogmaals alle grieven opsomde. Zij werd ondertekend door 360.000 mensen, waarvan 240.000 in Vlaanderen. Volgens provinciegouverneur Van Doorn lag het succes vooral aan de inzet van pastoors, die zich ontpopten tot ware “colporteurs de pétitions.” In Gent kenden zij amper succes: “Alle voorname kooplieden en fabrykanten, die in deze stad de talrykste, de rykste, de meeste invloed hebben, de klasse der ingezetenen uytmaken heben hunne medewerking aan de zaak geweigerd.” Aanhangers van Willem organiseerden tegenpetities, maar de reactie was beperkt. In Gent werden in totaal 237 handtekeningen verzameld. Een woedende Willem richtte zich op 11 december 1829 tot de Staten-Generaal. Hij verdedigde al zijn realisaties en veroordeelde ongemeen scherp de persvrijheid. In Brussel richtte hij de krant Le National op, die hij volledig zelf financierde. Hoofdredacteur werd de Florentijnse journalist-avonturier Giorgio Libry-Bagnano (1780-1836). Begin 1830 escaleerde het conflict tussen de koning en een steeds onverzettelijker oppositie verder.

Spotprent op het oppositieblad Le catholique des Pays-Bas 1829, Nederlanden,

Spotprent op het oppositieblad Le catholique des Pays-Bas 1829, Rijksmuseum Amsterdam

Propagandaprenten waarin Willem I wordt voorgesteld als een zorgzame ‘vader des vaderlands’ J.-L. Van Hemelryck, 1829 RIJKSMUSEUM AMSTERDAM Willem I helpt een vrouw Willem I sprekend met een boerin Willem I met een knielende vrouw, nederlanden

Propagandaprenten waarin Willem I wordt voorgesteld als een zorgzame ‘vader des vaderlands’ J.-L. Van Hemelryck, 1829, Rijksmuseum Amsterdam

Links: Willem I helpt een vrouw

Midden: Willem I sprekend met een boerin

Rechts: Willem I met een knielende vrouw

Opstand en scheiding

De ruïne van het huis van minister van Maanen in Brussel in 1830 Mogford, 1830-1831, Nederlanden,

De ruïne van het huis van minister van Maanen in Brussel in 1830 Mogford, 1830-1831, Rijksmuseum Amsterdam

In 1830 werd de ontevredenheid nog versterkt door de slechte economische en sociale toestand, die in augustus leidde tot een scherpe stijging van de graanprijzen. Ook de invloed van de Julirevolutie in Parijs, waarbij de autoritaire koning Karel X werd verjaagd, liet zich gelden. In Brussel verscheen de bekende slogan ‘Wij willen Willem weg, wil Willem wijzer worden, wij willen Willem weer’ op de muren. ’s Avonds scandeerden kleine bendes “Van Maanen à la lanterne!” en “A bas les Hollandais!” Vanaf 1 augustus werd in de Muntschouwburg De Stomme van Portici hernomen, een populaire opera over een Napolitaanse opstand tegen de Spaanse overheersing in de zeventiende eeuw. Vooral tijdens de aria Amour sacré de la Patrie reageerde de zaal erg rumoerig. In deze gespannen sfeer was een kleine vonk voldoende, wat gebeurde op 25 augustus. Volgens getuigen waren er die avond een aantal politiemannen in de zaal. Zij werden herkend en uitgejouwd, waarop tumult uitbrak. Toeschouwers liepen naar buiten en de menigte op het Muntplein trok de stad in. Nog diezelfde nacht werden de huizen van enkele prominenten, zoals minister van Maanen en Libry-Bagnano, geplunderd en vernield.

Aftocht van de Nederlandse cavalerie in de Vlaamsesteenweg te Brussel in 1830 J. Van Severdonck, Nederlanden,

Aftocht van de Nederlandse cavalerie in de Vlaamsesteenweg te Brussel in 1830 J. Van Severdonck, Musea van de Stad Brussel - Stadhuis

Tijdens de volgende dagen hield de onrust aan. Op 26 augustus bereikte het nieuws over het oproer Leuven, begin september volgde Luik. In beide steden hadden de opstootjes de kenmerken van een hongeroproer. Door de snelle oprichting van een burgerwacht, waar ook oppositieleden zoals Charles Rogier deel van uitmaakten, bleven in Luik rellen en plunderingen uit. Anders verliep het in Verviers, daar werden op 27 augustus fabrieken en huizen van belastingambtenaren in brand gestoken. Ook in Namen en Bergen probeerde de pas opgerichte burgerwacht het hongerende volk in bedwang te houden. In Gent, na Amsterdam en Brussel de grootste stad van het Koninkrijk, bleef aanvankelijk alles rustig. Om te grote sociale onrust te vermijden probeerde het stadsbestuur zoveel mogelijk de fabrieken aan het werk te houden. Opstootjes volgden pas in de loop van september, met ongeregeldheden op de Kouter en de Korenmarkt. Door de opstand was de economische toestand verder achteruit gegaan en vielen fabrieken stil.

Jeton gemaakt met het lood van kogels  van de Septemberdagen, 1830, Nederlanden,

Jeton gemaakt met het lood van kogels van de Septemberdagen, 1830, Universiteitsbibliotheek Gent

Stadsoorlog in Brussel

 Over het einddoel van de opstand heerste aanvankelijk grote onduidelijkheid. Gematigde opposanten dachten aan een administratieve scheiding, slechts een kleine groep streefde naar een volledige scheiding tussen noord en zuid. Op 13 september vertrokken verschillende leden van de Staten-Generaal naar Den Haag, waardoor meer radicale elementen in Brussel de overhand kregen. Begin september arriveerden de eerste Luikse vrijwilligers in Brussel. Op 23 september trok prins Frederik, de tweede zoon van Willem, de stad binnen met 12.000 soldaten. Van 23 tot 27 september woedde er in het Warandepark en in de omringende straten een echte stadsoorlog, waarbij meer dan 750 doden en 250 gewonden vielen. 

De aanval op het Bellevue Hotel in Brussel in 1830 P. Lauters, 1830-1831, Nederlanden,

De aanval op het Bellevue Hotel in Brussel in 1830 P. Lauters, 1830-1831, Rijksmuseum Amsterdam

Spotprent op de Belgische opstandelingen, Nederlanden,

Spotprent op de Belgische opstandelingen  

Bij het begin van de gevechten waren de opstandelingen niet echt goed georganiseerd. De voormalige Franse militair Ernest Grégoire (1800-?) probeerde de ‘verdediging’ van de stad, in handen van enkele vrijwilligers, te structureren. Hij liet wapendepots leeghalen, barricades versterken en verdeelde vrijwilligers over verschillende delen van de stad. De getuigenis van de Nederlandse generaal Jean-Baptiste de Pestre (1792-1851) over de gevechten was veelzeggend: “Ik heb oorlog gevoerd onder Napoleon, ik heb bestormingen gezien, ik heb er zelf aan deelgenomen. Maar nooit heb ik een spektakel gezien dat gelijkt op dat wat in Brussel werd opgevoerd. Noch heb ik ooit een dergelijke verbetenheid, aan beide kanten, meegemaakt.” De gedode opstandelingen kregen een graf op het Sint-Michielsplein, dat werd omgedoopt tot Martelarenplein.

Het Voorlopig Bewind van België in 1830, Ch. Picqué, 1864, Nederlanden,

Het Voorlopig Bewind van België in 1830, Ch. Picqué, 1864  

Nationaal Onzevader, ca. 1830, Nederlanden,

Nationaal Onzevader, ca. 1830,Bisschoppelijk Archief Gent

Nog tijdens de gevechten, op 26 september, groepeerden enkele leiders van de opstand zich in het Voorlopig Bewind. De harde kern werd gevormd door de liberale advocaten en journalisten, die al lang morden over Willems autoritaire regime. In het stadhuis vonden nogal chaotische vergaderingen plaats, met Charles Rogier in een opvallende rol. De bloedige stadsoorlog maakte een compromis tussen het regime en de opstandelingen nagenoeg onmogelijk. Op 4 oktober riep het Voorlopig Bewind de onafhankelijkheid uit.

Antwerpen brandt

De citadel van Antwerpen kort na het beleg in 1832 en de overgave van de Nederlandse bezetters aan de Fransen, Nederlanden,

De citadel van Antwerpen kort na het beleg in 1832 en de overgave van de Nederlandse bezetters aan de Fransen, F. De Braekeleer (I), 1832-1839, Rijksmuseum Amsterdam

Eind oktober 1830 sloeg de opstand over naar Antwerpen. In het stadscentrum werd hevig gevochten en op 26 oktober veroverden opstandelingen het stadhuis. De Antwerpse citadel werd intussen nog altijd bezet door Nederlandse troepen, onder leiding van luitenant-generaal Hendrik Chassé (1765- 1849). De situatie in de stad escaleerde verder, wat leidde tot waarschuwingsschoten aan beide kanten. Op 27 oktober 1830 beschoot Chassé de Sint-Andrieswijk gedurende meer dan zeven uur. Er vielen vermoedelijk meer dan honderd doden, vierhonderd huizen werden vernield. De nabijgelegen Sint-Michielsabdij, die gebruikt werd als arsenaal, ontplofte, waardoor ook het entrepot en de Kloosterstraat volledig uitbrandden. Na afloop van het bombardement bleven de Nederlandse soldaten in de citadel. Door de beschieting van Antwerpen verhardde de positie van het Voorlopig Bewind verder. Op 24 november werden de leden van het Huis van Oranje-Nassau voor altijd uitgesloten van Belgische de troon. In december 1832 werd de Antwerpse citadel ontzet door Franse troepen, onder leiding van generaal Etienne Gérard (1773-1852).

Gezicht op de Sint-Michielsabdij na het bombardement van 27 oktober 1830, Ph. van Bree, Nederlanden,

Gezicht op de Sint-Michielsabdij na het bombardement van 27 oktober 1830, Ph. van Bree Antwerpen, MAS / Collecite Vleeshuis, INV.NR. 7338 - Foto: Bart Huysmans en Michel Wuyts  

Spotprent op de Conferentie van Londen in 1830, Nederlanden,

Spotprent op de Conferentie van Londen in 1830  

De internationale positie van België

De Europese hoofdsteden werden enigszins verrast door het succes van de Belgische opstand, die het Europees evenwicht, zoals uitgedokterd op het Congres van Wenen, in gevaar bracht. Dit betekende dat de mogendheden in Londen beslisten over het lot van de jonge staat. De onderhandelingen begonnen op 4 november. Willem had al eind augustus internationale hulp gevraagd, maar kreeg weinig reactie. De Russische tsaar wilde wel militair tussenkomen, maar de opstand in Polen verhinderde dat. Groot-Brittannië en Frankrijk stuurden al snel aan op een diplomatieke oplossing. Op 20 december 1830 erkenden de mogendheden de onafhankelijkheid van België. Een maand later, op 20 januari 1831, werd België voor eeuwig neutraal verklaard.

‘Het muitziek rot der Belgen’

 De Belgische opstand leidde tot sterk afkeurende reacties in het noorden. Eindelijk toonden die wilde zuiderlingen het ware gelaat. Op 27 augustus 1930 schreef de Haagse politiecommissaris Ampt aan van Maanen: “Men verheugt zich dat die woelgeesten in België zich openlijk getoond hebben … Men vleit zich dat die explosie de laatste stuiptrekking voor die valsche vaderlanders zal zijn … Dat ondankbare Brussel behoorde alle faveur van het gouvernement te worden ontzegd: de weelde doet hen uitspatten.” Van Maanen vroeg Willem geen delegaties uit opstandige steden te ontvangen, want “die commissiën bestaan uit misdadigers.” Veel Nederlanders toonden zich opgelucht na de scheiding, Nederland was eindelijk weer Nederland.

Spotprent op de keuze van Leopold I als koning der Belgen door de mogendheden, P.Ch.G. Poelman, 1831, Nederlanden,

Spotprent op de keuze van Leopold I als koning der Belgen door de mogendheden, P.Ch.G. Poelman, 1831  

Een Belgische grondwet en koning

Tussen 25 november 1830 en 7 februari 1831 werkte het Nationaal Congres aan een grondwet voor de nieuwe staat. België werd een grondwettelijke, parlementaire monarchie, met scheiding der machten tussen de uitvoerende (koning en regering) en wetgevende (parlement) macht. Kamer en Senaat werden rechtstreeks verkozen. De nieuwe grondwet was een duidelijke reactie tegen Willems autoritaire regime. De macht van de koning was eerder beperkt en Leopold I heeft zich daar later regelmatig over beklaagd. De ministers waren politiek verantwoordelijk voor het parlement. Opvallend was ook de grote nadruk op de individuele vrijheden van de burger. De Belgische grondwet was, zeker voor die tijd, opvallend liberaal en progressief, maar België was zeker geen moderne democratie. Alleen wie een bepaalde som aan belastingen (cijns) betaalde, kreeg stemrecht. Op een bevolking van een kleine vier miljoen mensen hadden ongeveer 46.000 mannen stemrecht.

Spotprent op het ‘Belgisch heroïsme’, 1832

Spotprent op het ‘Belgisch heroïsme’, 1832  

Alhoewel sommige leden van het Voorlopig Bewind overtuigde republikeinen waren, koos de meerderheid toch voor een koning als hoofd van de nieuwe staat. Zij meenden dat, in het Europa van 1830, een monarchie internationaal makkelijker aanvaard werd. Het Nationaal Congres, de grondwetgevende vergadering, koos in februari 1831 voor de hertog van Nemours, de zestienjarige zoon van de Franse koning Louis-Philippe, maar dit was onaanvaardbaar voor Londen. Nog andere namen circuleerden, maar in juni 1830 begonnen onderhandelingen met Leopold van Saksen-Coburg (1790-1865). Als weduwnaar van de overleden Britse kroonprinses Charlotte was hij perfect acceptabel voor Londen. Op 21 juli 1831 legde Leopold de eed af als koning der Belgen.

De wraak van Willem: de Tiendaagse Veldtocht

Voor Willem was de opstand een pijnlijke persoonlijke nederlaag. Na de eedaflegging van Leopold besefte Willem dat, wilde hij de scheiding alsnog ongedaan maken, hij geen tijd meer mocht verliezen. Op 2 augustus 1831 trokken Nederlandse troepen, aangevoerd door kroonprins Willem, de grens over bij Poppel.

De overgave van Hasselt op 8 augustus 1831, J.W. Pieneman, Nederlanden,

De overgave van Hasselt op 8 augustus 1831, J.W. Pieneman, Collectie Stadsmuseum Tilburg  

Het onvoorbereide Belgische leger leed verschillende nederlagen. Op 12 augustus leek het einde nabij en een in het nauw gedreven regering zette de grenzen open voor Franse troepen. Kroonprins Willem wilde gevechten met de Fransen vermijden en op 12 augustus volgde een wapenstilstand. T.g.v. de Belgische nederlagen in de Tiendaagse Veldtocht werden de scheidingsvoorwaarden in het nadeel van België aangepast. Het deel van Limburg over de Maas en Maastricht werden toegewezen aan Nederland, net als de beide Schelde-oevers en Zeeuws-Vlaanderen. Het Waalse deel van Luxemburg werd Belgisch, maar de rest van het groothertogdom werd toegewezen aan Willem. De nieuwe overeenkomst botste in België op felle tegenstand, maar een verbolgen Willem weigerde jarenlang de scheiding te aanvaarden. Pas in 1838, onder druk van de Staten-Generaal en financiële moeilijkheden, draaide hij bij.

Het Orangisme

Het verdeelde land

De Belgische onafhankelijkheid had grote economische gevolgen. In oktober 1830 sloten de Nederlanders de Schelde en het kanaal Gent-Terneuzen af. De uitvoer naar Nederland en Nederlands-Indië viel weg, waardoor de afzetmarkt gehalveerd werd. De gevolgen voor de industrie waren catastrofaal, met de bekende gevolgen. Begin oktober belette de burgerwacht dat een groep wanhopige hongerige Gentenaars de Sint-Pieterskazerne plunderde. Om nog grotere onrust te vermijden zette het stadsbestuur in oktober werklozen in bij de afbraak van het Spanjaardenkasteel.

Het geplunderde huis van de Brusselse orangist Matthieu na de mislukte ‘staatsgreep’ in Antwerpen Th. Fourmois, 1831, Nederlanden,

Het geplunderde huis van de Brusselse orangist Matthieu na de mislukte ‘staatsgreep’ in Antwerpen Th. Fourmois, 1831, Rijksmuseum Amsterdam  

De toestand in Brussel was niet veel beter, het stadsbestuur besteedde in november ruim 100.000 gulden aan armenzorg. Eind 1830 moest Cockerill in Seraing het merendeel van zijn 2500 arbeiders ontslaan. Ook de haven van Antwerpen lag volledig plat.

Niet iedereen geloofde in de leefbaarheid van het jonge België. Reünionisten streefden naar een ‘hereniging met Frankrijk’. Bij sommige wolhandelaars in Verviers, wapenhandelaars in Luik, mijneigenaars uit de Borinage en Kortrijkse vlashandelaars leefde sympathie voor een hereniging, maar hun agitaties stopten na de eedaflegging van Leopold. Kort na de opstand was er ook een kleine groep ‘orangistische’ intellectuelen, met als boegbeeld Jan-Frans Willems (1793-1846). Hun orangisme bleek van korte duur. Na 1833 achtten zij kans op hereniging virtueel uitgesloten en Willems werd een loyale Belgische ambtenaar.

Poging tot staatsgreep in Gent door luitenant-kolonel Grégoire, 1831, J. Van der Plaetsen, Nederlanden,

Poging tot staatsgreep in Gent door luitenant-kolonel Grégoire, 1831, J. Van der Plaetsen  

De orangisten, overtuigde aanhangers van het Huis van Oranje-Nassau, waren de hardnekkigste tegenstanders van de onafhankelijkheid. Mandatarissen, ambtenaren en professoren, allen aangesteld door Willem, maakten er deel van uit, evenals de hofadel in Brussel. Bij de economische toplaag vond men de meeste orangisten: door zijn gulle steun aan nijverheid en handel had Willem de onvoorwaardelijke steun verworven van industriëlen uit Gent, Luik, Bergen, Doornik, Sint-Niklaas, Lokeren, Aalst, Ronse… en groothandelaars, reders en verzekeraars in Antwerpen. Toch mag men het orangisme niet reduceren tot louter economische motieven. Bij sommigen (advocaten, notarissen, artsen, sommige professoren en journalisten …) speelden ook ideologische verwantschap, antiklerikalisme of trouw aan Willem een rol. De orangisten behoorden tot de maatschappelijke elite, die hoofdzakelijk Franssprekend was. Zij rekruteerden amper bij de middenklasse en al helemaal niet bij de arbeidersklasse.

Orangistische sjaal, Katoendrukkerij F. De Vos en Voortman, ca. 1835, Nederlanden,

Orangistische sjaal, Katoendrukkerij F. De Vos en Voortman, ca. 1835, STAM – Stadsmuseum - Foto: Michel Burez

Het orangistisch netwerk

Achter de verschillende orangistische acties ging een heuse organisatie schuil, met Willem en enkele vertrouwelingen als centrale pionnen en Den Haag als hoofdkwartier. De machtsbasis in het zuiden bevond zich in de steden. Gent, waar de orangisten tot de vroege jaren 1840 het stadsbestuur domineerden, was het onbetwiste centrum. Maar ook in steden als Brussel, Luik, Bergen, Doornik, Namen, Mechelen, Oostende, Lokeren en Sint-Niklaas… stonden de orangisten aanvankelijk zeer sterk. In Antwerpse havenkringen leefden orangistische sympathieën, maar na het bombardement van de stad hielden de oranjeaanhangers zich gedeisd. Toch braken de orangisten nationaal nooit door. De kieswet benadeelde de steden en bevoordeelde het platteland, waar zij nauwelijks voet aan de grond kregen.

Orangistisch schortje Katoendrukkerij F. De Vos en Voortman, ca. 1835, Nederlanden

Orangistisch schortje, Katoendrukkerij F. De Vos en Voortman, ca. 1835, STAM – Stadsmuseum - Foto: Michel Burez

Willem, zijn medewerkers en de orangisten in het zuiden geloofden dat de scheiding alsnog ongedaan kon worden gemaakt. Tussen 1831 en 1839 legden zij zich toe op de ‘contrarevolutie’, die de hereniging van het Koninkrijk met geweld moest afdwingen. Dit leidde tot twee mislukte ‘staatsgrepen’, in Gent en in Antwerpen in 1831, en andere orangistische stunts. Slachtoffers van de anti-orangistische acties werden gesteund. In Rijsel was er een schuiloord voor orangisten uit Oost- en West-Vlaanderen, in Aken voor de Luikenaars. Rond 1835 legden veel orangisten zich stilaan neer bij ‘België’, maar kleine kernen hielden hardnekkig vol tot in de jaren 1840. Ook de financiering van de orangistische acties uit Den Haag bleef, zij het op meer bescheiden wijze, doorlopen tot in de jaren 1840.

Bij de herberg. Verkiezingen in het district Gent J.-L. Geirnaert, 1831, Nederlanden,

Bij de herberg. Verkiezingen in het district Gent J.-L. Geirnaert, 1831, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel  

De verdeelde stad

In Gent, het onbetwiste centrum van het orangisme, kwamen orangisten tussen 1830 en 1835 geregeld in botsing met Belgische patriotten, die er overwegend republikeins en sociaal vooruitstrevend waren. Beide partijen probeerden de onrust bij de arbeiders, zwaar getroffen door de economische crisis, voor eigen voordeel te gebruiken. Op 2 oktober erkende het Gentse stadsbestuur, eerder uit opportunisme dan uit overtuiging, het Voorlopig Bewind. Andere ‘onwillige’ steden zoals Lokeren en Sint-Niklaas zwichtten midden oktober. Met het oog op de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 1830 organiseerden voor- en tegenstanders van de onafhankelijkheid zich. De aanhangers van de opstand groepeerden zich in de Société Patriotique. Hun verkiezingslijst bevatte leden van de katholieke landadel en handelaars, maar ook enkele katholieke fabrikanten zoals Felix de Hemptinne (1783-1848). 

De lijst van de orangisten, onder de merkwaardige naam Société des Amis de l’Ordre et du Repos public, telde enkele bekende namen zoals de industrieel Jan Rosseel, de advocaat, Hippolyte Metdepenningen, burgemeester Joseph Van Crombrugghe en stadsarchitect 39 Louis Roelandt. De orangisten behaalden een klinkende overwinning, maar Brussel verwierp het resultaat.

Portret van Hippolyte Metdepenningen, H. De Nobele, ca. 1840, Le Septentrion Gent, Nederlanden,

Portret van Hippolyte Metdepenningen, H. De Nobele, ca. 1840, Le Septentrion Gent, Foto: Hugo Maertens - Brugge  

Nieuwe verkiezingen in december leverden nog een grotere orangistische overwinning op. Met 85,2% van de stemmen in oktober 1830 was Gent het sterkste orangistische bolwerk, op de voet gevolgd door Lokeren (81,8%), Oostende (68%), Sint-Niklaas (66,6%), Antwerpen (60,7%), Mechelen (47,1%) en Ieper (33,3%). Toch moeten deze orangistische verkiezingsoverwinningen enigszins gerelativeerd worden. De uitslag zei veel over de sympathieën van de maatschappelijke bovenlaag, maar veel minder over wat de meerderheid van de bevolking dacht. Het kiezerscorps bestond uit enkele honderden welgestelde burgers, die behoorden tot dezelfde loges en vrijetijdsverenigingen. Gent is een duidelijk voorbeeld in dit verband. In 1830 telde de stad ca. 83.000 inwoners. 1.380 mannelijke Gentenaars hadden stemrecht, op 27 oktober 1830 daagden 882 kiezers op.

De sterke man van de Gentse orangisten was de advocaat Hippolyte Metdepenningen (1799-1881). In 1818 werd hij de eerste doctor in de rechten van de jonge Gentse universiteit en later verwierf hij naam als advocaat. Metdepenningen was een van de bezielers van de orangistische krant Le Messager de Gand. Hij ontpopte zich tot een goed organisator en een sluw politiek strateeg. Ook na de definitieve scheiding van België en Nederland in 1839 bleef hij dromen van de hereniging met het noorden. In de loop van de jaren 1840 zocht hij – niet helemaal van harte – toenadering tot de liberalen, maar hij raakte er geïsoleerd en verliet de actieve politiek. Metdepenningen heeft zijn orangistische overtuiging nooit opgegeven. Zo bleef de vrijmetselaarsloge Le Septentrion, die hij leidde, nog jarenlang aangesloten bij het Grootoosten van Nederland. Pas twee jaar na zijn dood, in 1883, koos Le Septentrion voor het Grootoosten van België.

Gouden erepenning van de Nederlandse prins Frederik aan H. Metdepenningen I.P. Schouberg, 1879, Nederlanden,

Gouden erepenning van de Nederlandse prins Frederik aan H. Metdepenningen I.P. Schouberg, 1879, STAM – Stadsmuseum Gent

1831 was een bewogen jaar in Gent en verschillende andere steden. Op 2 februari 1831 was er in Gent een amateuristische poging tot ‘staatsgreep’, met als doel kroonprins Willem op de Belgische troon te brengen. De orangistische troepen werden aangevoerd door Ernest Grégoire, de man die in september 1830 de verdediging van Brussel mee had georganiseerd. Samen met een 250-tal medestanders probeerde hij het provinciegebouw in te nemen, maar zijn coûp werd snel verijdeld door de brandweer. Na een kort gevecht, waarbij enkele doden en gewonden vielen, vluchtten de coûpplegers alle richtingen uit. Grégoire werd twee dagen later in Eeklo aangehouden. De officiële en ‘populaire’ reacties drongen de orangisten volledig in het defensief. Twee dagen na de ‘staatsgreep’ schorste Brussel het stadsbestuur in Gent en Lokeren. Het stadsbestuur werd vervangen door een Commission de Sûreté Publique, gedomineerd door de lokale patriotten. In de stad volgden de gewelddadige anti-orangistische acties elkaar op: huizen van orangisten werden geplunderd, de drukkerij van de Messager de Gand werd kort en klein geslagen. Bekende orangisten vluchtten naar Rijsel of Londen. Voor 25 maart 1831 werd een schimmig orangistisch complot beraamd in Antwerpen. Veel stelde dit niet voor, maar de reacties waren bijzonder heftig in Brussel, Namen, Ieper en Gent. Ook de aanval op 4 april op de Gentse textielfabrikant Jean-Baptiste Voortman (1804-1859) paste in de anti-orangistische acties. De onrust bleef het hele jaar duren en werd versterkt door allerlei geruchten over orangistische samenzweringen. In oktober 1831 kondigde Leopold I de staat van beleg af in Gent, die pas begin maart 1833 werd opgeheven.

Na 1835 legden de meeste orangisten zich stilaan neer bij ‘België’. Ook in Gent verminderde stilaan de onrust, al bleven de orangisten het stadsbestuur domineren tot 1842. In de loop van de jaren 1840 kozen de meeste (voormalige) orangisten voor aansluiting bij de liberalen.

Te Deum in de Sint-Michiel- en Sint-Goedelekerk naar aanleiding van de inhuldiging van Willem I te Brussel in 1815, J.N. Gibèle & P.J.B. Leroy, Nederlanden,

Te Deum in de Sint-Michiel- en Sint-Goedelekerk naar aanleiding van de inhuldiging van Willem I te Brussel in 1815, J.N. Gibèle & P.J.B. Leroy, Koninklijke Verzameling, Den Haag

Epiloog

In het voorjaar van 1838 legde Willem zich tenslotte neer bij de Belgische onafhankelijkheid. De Conferentie van Londen werd heropend en op 19 april 1839 werd de scheiding tussen België en Nederland officieel. Op 7 oktober 1840 deed Willem troonsafstand. Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden was voorgoed voorbij.

Aanvankelijk werden de relaties tussen België en Nederland gekenmerkt door grote afstandelijkheid. De wederzijdse interesse was niet groot. Al in 1814-1815 leefde in ‘België’ het beeld van een ouderwets, traag Nederland. Dit zette zich nog sterker door na 1830: voor Brussel was Nederland een ingedommelde natie, die de aansluiting met moderne, meer dynamische staten zoals België had gemist. De liberale journalist Paul Devaux had het over “… cette Hollande stationnaire ou rétrograde dont ni les vœux, ni les mœurs, ni les intérêts ne s’accordent avec les nôtres.” “Les vieux Hollandais, seuls dans leur égoïsme orgueilleux et aveugle” waren nog altijd niet losgeraakt van hun zeventiende-eeuwse hoogdagen. Nederland van zijn kant liet zich geregeld laatdunkend uit over het ‘luidruchtige’ en ‘opvliegende’ België. De gebeurtenissen van de jaren 1828-1830 hebben wel bijgedragen tot een grotere politieke bewustwording en modernisering in Nederland. Pas bij de toename van de internationale spanning in 1848 zochten België en Nederland voor het eerst omzichtig toenadering.

Tentoonstelling

Het verloren koninkrijk. Willem I en België - 15 oktober 2015 - 28 maart 2016 in het STAM - Gent

Literatuurlijst

  • AERTS, R., DENECKERE, G. (red.), Het (on)Verenigd Koninkrijk, 1815-1830 – 2015. Een politiek experiment in de Lage Landen. Rekkem, 2015.
  • COPPEJANS-DESMET, H., Koning Willem I. Promotor van de Gentse katoenindustrie, in: Album aangeboden aan Charles Verlinden ter gelegenheid van zijn dertig jaar professoraat. Gent, 1975, 43-62.
  • DE HA AN, I., DEN HOED, P., TE VELDE, H. (red.), Een nieuwe staat. Het begin van het Koninkrijk der Nederlanden. Amsterdam, 2014.
  • DE JONGHE, A., De taalpolitiek van Willem I in de zuidelijke Nederlanden (1814-1830): de genesis der taalbesluiten en hun toepassing. Sint-Andries-Brugge, 1967.
  • FALTER, R., De scheiding van Nederland, België en Luxemburg. Tielt, 2005.
  • JUDO, F., VAN DE PERRE, S., De prijs van de scheiding. Het uiteenvallen van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, 1830-1839. Brussel, 2007.
  • KOCH, J., Koning Willem I, 1772-1843. Amsterdam, 2014.
  • NEVE de MEVERGNIES, J.E., Gand sous le régime Hollandais. Gent, 1935.
  • OP DE BEECK, J., Waterloo. De laatste 100 dagen van Napoleon. Antwerpen, 2013.
  • VERSCHAFFEL, T., RIETBERGEN, P.J., Broedertwist: België en Nederland en de erfenis van 1830. Zwolle, 2005.
  • VOSTERS, R., WEIJERMARS, J. (red.), Taal, cultuurbeleid en natievorming onder Willem I. Brussel, 2011.
  • WITTE, E., De constructie van België. Leuven, 2006.
  • WITTE, E., Het verloren koninkrijk. Het harde verzet van de Belgische orangisten tegen de revolutie, 1828-1850. Antwerpen, 2014.

Download hier de pdf

Het verloren koninkrijk - Willem I en België