OKV2019+
In ons collectief geheugen neemt kant ongetwijfeld een heel aparte plaats in. In de vijftiende eeuw luikt de kantnijverheid op in zowel het noorden van Italië als in Vlaanderen, niet toevallig de toenmalige economische topregio’s in Europa. Uitwisselingen, niet alleen op het vlak van handel maar ook artistiek, waren legio.
Stalenboek voor religieuze kant van de familie Van den Bruelle, ca. 1900
Kant was niet binnen het bereik van ieders beurs. De enorme arbeidsintensiviteit om kant te vervaardigen, maakte het tot een heus luxeproduct. Alleen wie vermogend was, kon zich kant veroorloven. En daarmee werd graag uitgepakt. Mode is heel vaak een middel gebleken om welstand te uiten. Zo onderstreepte Lodewijk van Veltem in zijn verslag over de Brugse metten hoe jaloers de Franse edelvrouwen waren op de outfit van de Brugse burgerdames, die als prinsessen uitgedost waren.
De kanttraditie heeft tot op de dag van vandaag weinig aan belangstelling ingeboet. Dat betekent niet dat er geen verschuivingen waren. Het prestige dat kant uitstraalt en uitstraalde, is duidelijk af te lezen uit de portretten van de Vlaamse en Hollandse meesters uit de zeventiende eeuw. We hoeven ons maar de schilderijen van Peter Paul Rubens of Antoon van Dijck voor de geest te halen. De kanten kragen in de kledij – ook voor mannen – vangen de blikken. Dat ook de vorsten graag wilden uitpakken met kant als element van hun majesteit, tonen de diverse staatsieportretten aan. Ik refereer even aan de staatsieportretten van de Aartshertogen. Later poseerde ook keizerin Maria Theresia graag in een ronduit indrukwekkende outfit, overdadig met kantwerk opgesierd.