OKV2024.6
Eind 1963 verscheen het boek De abstracte schilderkunst in Vlaanderen van Michel Seuphor. Geldschieter en drijvende kracht achter het project was Maurits Naessens, directeur van de Bank van Parijs en de Nederlanden. Diens kleinzoon Peter J.H. Pauwels reconstrueerde de tumultueuze totstandkoming van dat baanbrekende boek dat de Vlaamse abstracte schilderkunst haar plaats gaf in de canon. Inpikkend op zijn onderzoek stelde Pauwels een tentoonstelling samen in kunstencentrum FIBAC in Berchem.
Maurits Naessens. Foto: privécollectie
Op 14 december 1963 zat de Antwerpse opera vol met schoon volk. In aanwezigheid van de politieke, economische en artistieke fine fleur stelden bankier Maurits Naessens (1908-1982) en schrijver Michel Seuphor (1901-1999) De abstracte schilderkunst in Vlaanderen voor. Het vuistdikke boek herstelde de vergeten pioniers Victor Servranckx, Jozef Peeters en Marthe Donas in ere. Tot dan had geen enkel museum aan hen aandacht geschonken.
Met de hulp van Maurits Bilcke, Jan Walravens en Jean-Louis Sosset werd niet alleen een ambitieuze encyclopedie van de pioniers aangeboden, maar ook van de nog jonge naoorlogse generatie abstracte kunstenaars. Seuphor, die in 1925 van Antwerpen naar Parijs was verhuisd, had daarop aangedrongen omdat hij zelf niet meer zo goed op de hoogte was van de nieuwste tendensen in België. Voor het eerst kon het publiek ook al de schilderijen in kleur bewonderen. Dat was peperduur want een prent kostte het equivalent van een schilderij (in die tijd 5.000 frank, wat vandaag zo’n 1.000 euro is). Het boek verscheen meteen in vier talen en werd gul aan relaties uitgedeeld.
Na de plechtigheid in de opera opende een expo in het Hessenhuis met liefst 315 werken. Niet alleen op de beroemde zolder die kunstgroep G58 had ingericht, maar in het hele pakhuis hingen of stonden werken. Rijzende sterren Jef Verheyen en Paul Van Hoeydonck waren sterk vertegenwoordigd. Naessens had ook voor het eerst drie schilderijen van Jules Schmalzigaug uit het depot van het KMSKA laten halen.