OKV2020.1
Sinds november vorig jaar is ons land een museum rijker: het Museum voor Abstracte Kunst. Het ligt in de rustige Esseghemstraat in Jette, vlak naast het huis dat René Magritte vierentwintig jaar lang bewoonde en dat nu het René Magrittemuseum huisvest. Twee musea in dezelfde straat; weinig steden die op zoveel weelde prat kunnen gaan.
Esseghemstraat 137: Museum voor Abstracte Kunst
Esseghemstraat 135: René Magrittemuseum
De eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat het René Magrittemuseum en het Museum voor Abstracte Kunst zich als een Siamese tweeling tot elkaar verhouden. Beide zijn het resultaat van meer dan dertig jaar verzamelwoede van een enkele persoon: André Garitte. Gedrevenheid kenmerkt het doen en laten van elke rechtgeaarde verzamelaar. Maar bij André Garitte stelde zich een bijkomend prangend probleem. Zijn geestdrift voor René Magritte en bij uitbreiding voor het Belgische surrealisme kreeg concurrentie van een haast even dwingende passie voor abstracte kunst van eigen bodem. De aanhangers van beide kunststromingen hadden elkaar destijds vurig bekampt, met sarcasmen overladen of in het beste geval straal genegeerd. Moest een verzamelaar diezelfde partizanenwegen bewandelen? Toch niet, een verzamelaar maakt vrank en vrij zijn eigen keuzes. Daarom groeiden beide polen van de verzameling netjes naast elkaar, met – zoals in de realiteit – een aantal verrassende overlappingen.
Het René Magrittemuseum, Esseghemstraat 135, opende de deuren in 1999, jaren voor zijn grote tegenhanger aan het Koningsplein. Voor het Museum voor Abstracte Kunst was er aanvankelijk geen pasklare oplossing. Incidenteel dook de verzameling op: in het Antwerpse in een gesloten huis te bezichtigen op afspraak, via bruiklenen of enkele grote tentoonstellingen. De collectie was in de loop der jaren duidelijk salonfähig geworden; het was nog wachten op de juiste kans om haar museaal voor te stellen. De buitenkans deed zich voor wanneer het buurhuis van het René Magrittemuseum te koop werd aangeboden. Die kans wilde André Garitte niet laten ontsnappen en het pand werd aangekocht. Het burgerhuis met een uitgesproken belle-époque-uitstraling moest nu de metamorfose tot museum ondergaan. Zoals te verwachten werd het een meerjarenplan. Keer op keer ging het dossier door de administratieve mangel. Maar het jarenlang werk droeg zijn vruchten. Het prestige van het bestaande museum en de duidelijke waarde van de verzameling dwongen gaandeweg begrip af bij de overheden. Een deel van de tuin kon ingepalmd worden, de zolder zelfs tot een volwaardige verdieping uitgebouwd, met de zegen van stedenbouw en zonder overlast voor de omgeving.