OKV1996.2
Het Rubenshuis in Antwerpen kon zich het voorbije jaar verheugen op een bijzondere aanwinst: het jeugdportretje dat Rubens rond 1615 van zijn jonge leerling, Antoon van Dyck, geschilderd heeft.
Het portret is een van die schilderijtjes die de toeschouwer meteen in de ban brengen. Nochtans is het een eenvoudig portret: een jonge man kijkt zijwaarts, zelfbewust naar de toeschouwer. De neutrale, donkere, achtergrond herleidt alle aandacht naar het gezicht dat oplicht uit een onbestemde omgeving. Een stuk witte kraag, een brede omgeslagen mantel en een sierlijke hoed geven het portret een bijzondere allure. Hoewel het herkennen van een persoon op een historisch portret altijd een wat precaire operatie blijft als er geen bijkomende inscripties of heraldische gegevens mee zijn overgeleverd, bestaat er hier weinig twijfel sinds Ludwig Burchard het als portret van Antoon van Dyck herkende.
Men kan het situeren tussen enkele heel bekende portretten van de schilder. De meeste zijn zelfportretten, met als eerste in de rij dat wat nu in de Gemäldegalerie van de Akademie te Wenen wordt bewaard en waarop hij amper jonger staat afgebeeld. Maar er is ook het portret dat Rubens rond 1627-28 schilderde, thans te Winsor in Brits koninklijk bezit. De snor die Van Dyck later liet groeien daargelaten, herkennen we telkens dezelfde lange en rechte neus en de wat opgeblazen kaken en de vlezige volle lippen. In de Weense Albertina wordt er overigens een achttiende-eeuwse getekende kopie naar het Rubenshuis-portretje bewaard met een onderschrift die de identificatie lijkt te bevestigen.
Wat minder voor de hand leek te liggen, is het auteurschap. Men heeft lange tijd gedacht dat het ook hier een zelfportret betrof. Maar een confrontatie met het werkje uit de Albertina maakt duidelijk dat hier een andere hand aan het werk was. De doordachte anatomische opbouw van de fysionomie, de zin voor decorum, de economie van middelen, de picturale toets, dit alles verwijst naar Rubens. Het lijkt wel of Rubens nadat zijn leerling hem het Weense zelfportretje had voorgelegd, heeft willen tonen hoe een goed portret er moet uitzien.
Het moet overigens ontstaan zijn omstreeks de tijd dat Van Dyck als leerling zijn intrede deed in Rubens' atelier, nadat hij de eerste knepen van het vak had geleerd bij de deken van het gild, Hendrik van Balen, bij wie hij in 1610 als knaap was ingeschreven. In dit opzicht is dit portretje een merkwaardig historisch document omdat het lang voor geschreven bronnen het bevestigen, getuigt van Van Dycks aanwezigheid in Rubens' omgeving. Uit een brief van Rubens uit 1611 aan zijn vriend Jacob de Bie leren we hoe moeilijk het was om bij de grote meester binnen te geraken. Rubens wou enkel investeren in talent dat hij echt de moeite waard vond en hij had snel begrepen dat de jonge Antoon hieraan beantwoorde.
Het portretje mag dan ook gezien worden als een teken van Rubens' bijzondere waardering voor Van Dycks vroegrijpe talent: een portret werd niet zomaar gemaakt en na het faillissement van zijn vader in 1614, was Van Dyck niet langer de rijkemanszoon die er voor kon betalen. Men mag dan ook aannemen dat het werkje ontstond in het atelier van Rubens' huis. Het herinnert aan het begin van de intensieve samenwerking die er tussen beide grote meesters zou groeien. Alleen daarom is het verheugend dat dit portretje na al die jaren terugkeerde naar het oord waar het ooit is ontstaan.