OKV1997.4
Een expositie van het nog bestaande oeuvre van architect Joris Helleputte, met foto's van Oswald Pauwels,fotograaf van Monumenten en Landschappen, en archtitectuurtekeningen van Helleputte zelf.
Ingenieur en architect Joris Helleputte ontwierp en bouwde in relatief korte periode - van 1874 tot 1894 - een imposant oeuvre.
Als hoogleraar in de architectuur aan de Leuvense universiteit werd Joris Helleputte als vanzelfsprekend door de universitaire overheid aangesproken voor het ontwerpen en bouwen van universitaire gebouwen. Het anatomisch theater in de Minderbroederstraat was zijn eerste opdracht. Verder realiseerde hij nog het Justus-Lipsiuscollege, het complex van het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte en het Leo XIII-college. In Leuven bouwde hij o.a. de kerk van de paters Conventuelen en het Sint-Pieterscollege.
Zijn landelijke bekendheid in het ultramontaans-katholieke milieu bezorgde hem uiteraard ook belangrijke opdrachten buiten Leuven zoals de Juliana-kapel te Sint-Joost-ten-Node, ongetwijfeld het best bewaarde en misschien wel het meest volledige werk van Joris Helleputte. Ook kreeg hij vanaf 1879 een reeks opdrachten voor katholieke scholen: Rotselaar, Kumtich, Monceau-sur-Sambre, Leuven, Eigenbilzen. Voor een aantal katholieke opdrachtgevers ontwierp hij stadswoningen in Antwerpen, Leuven en Gent en riante landhuizen in Argenteau, CrasAvernas, Roeulx ...
De neogotische architect ontwierp meestal niet alleen het gebouw, maar ook de volledige interieur inrichting, soms tot in de kleinste details. Hij wilde een totaalkunstwerk realiseren. Joris Helleputte en de lokale ambachtelijke interieurs staan in deze tentoonstelling over het neogotische interieur centraal. Joris Helleputte (1852-1925) vindt als hoogleraar en in zijn architectenbureau de studenten en medewerkers die het uitzicht van Leuven mee zullen bepalen: Pieter Langerock, Vincent Lenertz, Joseph Piscador en Theo Dormael. Zij zijn de architect ontwerpers. Om deze ontwerpen te realiseren doet Helleputte bij voorkeur een beroep doen op kleine ambachtelijke ateliers. Vele ervan blijven onbekend, enkele verwerven bekendheid.
Deze uitgevoerde ontwerpen worden in de tentoonstelling gepresenteerd als elementen van een interieur. Topstukken van neogotiek staan naast eerder bescheiden voorwerpen, zeer kunstig gesneden meubelen naast zeer sobere, stereotiepe modellen naast uitzonderlijke ontwerpen. Alle getuigen ze van het ambachtelijk meesterschap van de ateliers en de aard van hun productie.
Tot slot van deze tentoonstelling worden de schijnwerpers gericht op kanunnik Armand Thiéry, de 'geniale zonderling'. Zijn rijke verbeelding en liefde voor de kunst leverden Leuven enkele originele bouwwerken op die hij samen met Piscador realiseerde. In de tentoonstelling wordt het belang van Thiéry belicht als stichter van de tapijtweefschool van Heverlee en als promotor van de brandglas- en keramiek productie van het atelier van Arthur Charlier.
In Vlaanderen kan men niet naast de neogotiek kijken. In zowat elke gemeente vindt men een neogotische kerk of school, een neogotisch gemeentehuis of parochielokaal. Maar tegelijkertijd is deze stijl onbekend en vaak verkeerd begrepen. De tentoonstelling De ingenieuze neogotiek. Techniek en kunst brengt op een bevattelijke manier voor het brede publiek de nieuwe resultaten van het onderzoek over de neogotiek als kunststijl en cultuurfenomeen. Ze laat de bezoeker ook met andere ogen kijken naar vormen en constructies die het moderne, industriële België in de 19de eeuw gezicht en gestalte gaven.
Een evocatie van neogotisch Leuven via oude foto's en zeldzame prentbriefkaarten.
Boeken en tijdschriften, platen en prenten, typografie, boekbanden en neomiddeleeuwe miniatuurkunst uit archieven en uit universitaire, openbare en privébibliotheken in binnen- en buitenland.