OKV2023.5
In de eerste tentoonstelling na de grote heropening plaatst het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen (KMSKA) het gezicht centraal. Toch is Krasse koppen geen tentoonstelling over portretten. Het museum focust op een uniek genre: de tronie. Tronies of karakterkoppen werden bijzonder populair in de zeventiende eeuw en kunstenaars als Rubens, Rembrandt en Vermeer gingen er dan ook enthousiast mee aan de slag.
Joos van Craesbeeck, De roker, Musée du Louvre, Parijs
Cian McLoughlin (1977) is een vooraanstaande Ierse schilder. In het boek Krasse koppen dat naar aanleiding van de gelijknamige KMSKA-tentoonstelling is uitgegeven (door uitgeverij Hannibal), beschrijft hij een belangrijk moment in zijn leven: de ontdekking van het woord ‘tronie’ en zijn onderzoek dat daarop is gevolgd. McLoughlin schilderde op dat moment al zowat vijftien jaar min of meer conventionele portretten, maar net in die periode verloor hij naar eigen zeggen zijn interesse in een genre met onvermijdelijk een aantal conventies: “de weergave van de fysieke gelijkenis van een identificeerbaar model, rekening houdend met zijn sociale status, nageslacht of een of ander narratief. Ik had nu ‘tronies’ ontdekt, een genre waarvoor die conventies niet belangrijk waren.” Hij beschrijft zijn ‘bevrijding’: “Ik kende veel van de schilderijen waaraan de term ‘tronie’ refereert, maar ik had nooit beseft dat ze een collectieve naam en gemeenschappelijke eigenschappen hadden. […] Het herinterpreteren van deze anonieme, expressieve koppen bracht een gevoel van vrijheid, dezelfde vrijheid die ze hun oorspronkelijke makers verschaften.” McLoughlin is, zo beweert hij, veel verschuldigd aan schilderijen als Rembrandts De lachende man. Die hoort inderdaad thuis in het genre ‘tronies’. Dát de man uitbundig lacht, bewijst al dat dit geen portret is: op een portret werd niet gelachen. Dat hoorde niet.