OKV2014.1
Michaël Borremans, The Performance, 2004, olieverf op doek, 71 x 83 cm. François Pinault
Foundation. Courtesy Zeno X Gallery, Antwerpen
Wie meer wil te weten komen over het werk van Michaël Borremans leest het best interviews. De essays over zijn werk maken de verwarring die hij zelf al oproept in zijn werk meestal alleen maar groter. Toch is Borremans helder als hij zelf aan het woord is. Heel eerlijk vertelt hij dat hij aanvankelijk geen uitgesproken talent had voor tekenen, maar er zozeer door gefascineerd was dat hij door heel vaak te oefenen steeds beter heeft leren tekenen. Wanneer hij begint te schilderen, verklaart hij zelf niet zo’n goed schilder te zijn. Nu hij in zijn schilderijen een meesterschap heeft verworven (de techniek dienstbaar kan laten zijn aan het beeld of aan de atmosfeer die hij wil oproepen) en films en sculpturen is beginnen maken, legt hij dezelfde schroom aan de dag. Eigenlijk is hij iemand die zijn grenzen voortdurend verlegt en net zomin als de zogenaamde inhoud van zijn werk vast te pinnen is, omdat hij zich niet opsluit in stijlfiguren of waarheden. Een constante in de gesprekken is zijn gevoel dat er geen waarheid bestaat. Daarom tracht hij open werken te maken, werken die nog lege ruimte bevatten (zoals veel auteurs het uitdrukken) en zo een brede waaier aan lezingen mogelijk maken.
Misschien gelooft hij niet in het bestaan van een identiteit. Zijn beelden lijken daarop te wijzen. Als hij zichzelf een karaktertrek toekent, dan is het een chaotische aard, die het mogelijk maakt dat hij op een intuïtieve manier voortschrijdt, gedreven door soms wel en soms niet opkomende geestdrift voor de opzet, de uitwerking of afwerking van een beeld. Net als Luc Tuymans is Borremans iemand die in de eerste plaats beelden maakt en pas in de tweede plaats schilderijen. Dit belet echter niet dat hij telkens weer de nadruk legt op de specificiteit van elke gebruikte vorm, bijvoorbeeld als hij zegt dat het maken van tekeningen meer lijkt op schrijven, dat de filmkorrel in zijn films erg belangrijk is of dat de fysieke verschijning van een schilderij zowel ruimtelijk als essentieel een verschil maakt ten opzichte van tekeningen. Zonder dat hij zich aansluit bij meer fundamentele schilders, die in hun werk de grenzen van de schilderkunst lijken te verkennen, legt hij er toch de nadruk op dat een beeld dat de vorm van een schilderij heeft aangenomen onvermijdelijk gelezen wordt binnen de geschiedenis van de schilderkunst. Hetzelfde geldt voor zijn films, natuurlijk, die je niet kan bekijken zonder aan andere films te denken. In een interview met Peter Dorochenko noemt Borremans enkele filmers: “Buñuel, Sirk, Tarkovsky, Hitchcock, Visconti… Teveel om op te noemen.”
Ik heb geen auteur gevonden die in detail bestudeert waarom net deze filmers genoemd worden, terwijl je toch meteen verbanden ziet met de beroemde suggestieve methodes van Sirk, de aandacht voor kleren bij Hitchcock, de openingsscène met de ballonvlucht van Tarkovsky’s Andrei Rublev enzovoort. De enige cineast die door de auteurs wordt genoemd is David Lynch en dan nog zonder naar enig specifiek beeld te verwijzen (de man die gommetjes maakt uit een hoofd in Eraserhead of de ontwapenend en tegelijk schokkend naakte Laura Dern in Blue Velvet: