OKV2012.3
Laurent Busine, directeur van het MAC’s in Grand Hornu, koppelt hedendaagse verschijningsvormen van gemis aan een laatmiddeleeuwse rouwstoet.
De praalgraven van de twee grootste Bourgondische hertogen, Filips de Stoute en Jan zonder Vrees, behoren tot de meesterwerken van laatmiddeleeuwse beeldhouwkunst in Europa. Ze waren ontworpen voor het monastieke complex van de hertogelijke familie, de Kartuizerinnenkerk van Champmol, en werden uiteindelijk verhuisd naar het hertogelijk paleis in Dijon, dat al sinds 1799 het Musée des Beaux-Arts is.
De renovatiewerken in het museum waren een buitenkans om 37 albasten pleuranten bij het graf van Jan zonder Vrees en zijn echtgenote Margaretha van Beieren, gedateerd tussen 1443 en 1470, op reis te laten gaan. Het Metropolitan Museum of Art in New York kreeg ze als eerste op bezoek en voor ze weer voor eeuwen naar Dijon terugkeren, zijn ze onder andere te gast in de Memlingkapel in het Sint-Jans-Hospitaalmuseum in Brugge.