Het levensgrote Christusbeeld te Tongeren maakt een zeer diepe indruk. Door de strenge vereenvoudiging van de vormen, de scherp afgelijnde contouren, waarbij de uitdrukking van elk menselijk gevoelen is vermeden, wordt dit beeld een bovenaardse verschijning, een wezen uit een andere wereld.
De Verlosser hangt niet aan het kruis. Hij staat voor het foltertuig; het lichaam vormt als het ware een kruis op zichzelf. De armen zijn horizontaal uitgestrekt, de handen open, de handpalmen naar voren. De benen lopen parallel en de voeten zijn afzonderlijk aan het kruis genageld. Het is veeleer de uitdrukking van een gedachte dan de weergave van een natuurlijke stand van het lichaam.
Het langwerpige hoofd met de te lange neus, is lichtelijk gebogen en verdraaid; de ogen zijn gesloten, wat in die tijd (11e-12e eeuw) zeer zeldzaam voorkomt. Christus is dus niet meer levend voorgesteld, Hij is overleden. Hij vertoont de wonden die Hem werden toegebracht, maar het lijden heeft geen sporen achtergelaten. De beeldhouwer heeft zich laten leiden door de nieuwe Byzantijnse voorstelling, waarover we verder handelen. Er ligt op dit aanschijn een volledige berusting en overgave en tevens een smartelijke trek.
De anatomie van de borstkas is conventioneel en met harde lijnen aangeduid, de onderbuik getekend in de vorm van een mijter. De wonde van de lanssteek komt voor aan de rechter kant, omdat de Kerk geboren werd uit de rechter zijde van de nieuwe Adam, zoals weleer Eva uit de rechter zijde van de eerste Adam. Trouwens de rechter kant wordt beschouwd als de ereplaats: in de taferelen van de Kruisiging staat Maria aan de rechter kant, evenals de Kerk en de goede moordenaar.
Om de waarde en de betekenis van dit uitzonderlijk kunstwerk aan te voelen en te begrijpen moet men onderzoeken welke plaats het inneemt in de evolutie van de beeldhouwkunst en van de iconografie. Hieruit zal tevens blijken welke gevoelens de kunstenaar bezielden, welke de religieuze opvatting was van die tijd.