OKV1969
Hier wordt een der vedettestukken besproken van de tentoonstelling die in de zomer van 1969 te Brugge plaats vond. Basiswerk van de Meester van de Ursula-legende, ontstaan vóór het beroemd Ursula-schrijn van Memling, introduceert het zowel de problemen van deze expositie van onbekende Vlaamse 'meesters met noodnamen' van de 15de en de 16de eeuw, als het meteen ook getuigt van de hoge kwaliteit van een massale kunstproductie waarvan het auteurschap maar niet de glorie door de tijd werden uitgewist.
De acht panelen met de Legende van Sinte Ursula vormen samen twee vleugels die deel hebben uitgemaakt van een drieluik. Het middentafereel ging echter verloren. Het verhaal van Sinte Ursula en de elfduizend maagden was onder de middeleeuwse devotiethema's een der meest volksgeliefde. Het was in brede kringen bekend door het populaire boek van een Italiaanse predikheerbroeder Jacobus de Voragine, de 'Legenda aurea' of Gulden Legende, geschrift dat vol kleur en verbeelding de wonderbare heiligenlevens had gevulgariseerd.
Een zekere koning van Bretanje, Deonotus, had een mooie en deugdzame dochter, Ursula. Deze bereikte de huwelijksleeftijd en werd bemind door de zoon van de machtige koning van Engeland. Doch de pretendent was heiden, zodat aan geen trouwen te denken was, tenzij hij zich eerst tot het christendom zou bekeren. Uit de acht schilderachtige taferelen leest men verder grotendeels het verhaal af...
Meester van de Ursula-legende (derde kwart van de 15de eeuw), Legende van de Heilige Ursula (paneel VII). Olieverf op acht panelen, 48 x 30 cm.
Moet het gezegd worden dat de vrome legende die wij volgden, haast geen woord waarheid bevat? Het verhaal ontstond uit enkele feiten die nadien volledig werden vervormd. Alleen blijkt het waar te zijn dat in de 3de eeuw, te Keulen, enkele maagden de marteldood stierven. Deze martelaressen werden ter plaatse door een vrouwelijke kloostergemeente in ere gehouden. Rond 970 werd, door een onbekende auteur, een eerste gefantaseerd verhaal over de passie van de elfduizend maagden geschreven.
Toen in 1106 nieuwe grachten rond Keulen werden gedolven om de stadsomheining te vergroten, werd toevallig een Romeinse necropool blootgelegd. Spoedig verspreidde zich het nieuws dat men te doen had met de overblijfselen van de elfduizend maagden! De middeleeuwse zin voor het wonderlijke, de naïeve vroomheid ook, en het menselijke winstbejag riepen een drukke handel in het leven omtrent de relikwieën van de elfduizend martelaressen. Heel wat prelaten lieten zich ijverig in, met de verspreiding van deze resten. In Limburg verhandelde de abt van Sint-Truiden in enkele jaren tijd, meer dan 130 hoofden herkomstig van de Keulse begraafplaats! Aldus ligt het voor de hand dat ook het Brugse altaarstuk, gewijd aan Sinte Ursula, uit de vurige verering ontstond van de Keulse relikwieën, een veneratie die het laatste tafereel zo schilderachtig vertoont.
De schilder van het altaarstuk is onbekend, maar op grond van dit alleszins belangrijk werk verkreeg hij de noodnaam van Meester der Ursula-legende. Zoals voor talrijke andere anonieme meesters hebben de kunstgeleerden het oeuvre van de onbekende schilder opnieuw samengesteld, alleen op het gevoel af, en op grond van de stijlkenmerken. Evenwel is het nadien gebleken dat, in de omvangrijke productie van de Ursula-Meester die de kunsthistorici zodoende geregistreerd hebben, het basiswerk of het vertrekpunt een afzonderlijke plaats inneemt. Want niet alle eigenschappen die de andere schilderijen van deze Meester vertonen, vindt men in de Ursulapanelen terug, noch omgekeerd komen alle kenmerken van het besproken werk in het overige oeuvre tot uiting.
Meester van de Ursula-legende (derde kwart van de 15de eeuw), Legende van de Heilige Ursula (paneel VIII). Olieverf op acht panelen, 48 x 30 cm
De Ursula-Meester geeft hier blijk van een levendige verbeelding en van zijn liefde voor het pittige detail. De aap die een hond ontluist in het binnenhofje van het eerste tafereel, is kenschetsend voor deze neiging naar de prentkunst. Naast die uitingen van een echte boekverluchter, stelt men vast dat de meester de nadruk weet te leggen op de hoofdpersonages, waarbij hij er niet voor terugschrikt afbreuk te doen aan het correcte perspectief en de juiste verhoudingen. De vrouwelijke figuren treffen door hun slankheid en de bleke gelaatskleur, de mannen zijn eerder zwaar en bonkig, en hebben getaande gezichten. Opvallend zijn de gewrongen vingers die herinneren aan de stijl van Hugo van der Goes. De grote donkere oogappels zijn ook kenmerkend voor de meester alsmede de zonderlinge zoniet foutieve wijze, in een van ter zijde gezien gelaat, een oog in vooraanzicht te tekenen.
De uitdrukkingen zijn wel waarachtig, maar blijken voor elke figuur afzonderlijk te zijn opgevat, zodat de personen van een toneel niet op natuurlijke wijze met elkaar in voeling treden. Ursula draagt lang getrokken en stijf haar. De uitbeelding gebeurt door de systematische herhaling van bepaalde penseeltrekken, zo ook voor de weergave van de watergolven, van de rotsen, de bloemen en planten...
Het zijn als zoveel geijkte motieven die in hun onveranderlijke herhaling de toeschouwer wrevelig kunnen stemmen. Tegenover die onvolmaaktheden, moet men bekennen dat de schilder de personages vast op de benen plaatst en in hun volle ronding weet uit te beelden, dat door het consequent aanbrengen van de schaduwpartijen en het meesterlijk leggen van nerveuse lichttoetsen. Eerder conventioneel, doch fris in de kleuren gezet, is het architecturaal decor, dat echt Brugs aandoet, in zijn sobere eenvoud.
In verband met de uitgebeelde stadsgezichten moet gewezen worden op de aanwezigheid, in het derde tafereel, van het Brugse belfort, dat de schilder vóór de oprichting van de achtkantige verdieping natekende. De hier ontbrekende verdieping van de halletoren kwam pas in 1483 tot stand, zodat de Ursulapanelen moeten dagtekenen van vóór die datum. Aldus is dit werk vroeger ontstaan dan het bekend Ursula-schrijn van Jan Memling dat op grond van documenten van 1489 dateert. Alles wijst er overigens op, dat het Ursula-altaarstuk te Brugge werd geschilderd en wel voor het klooster van de zusters Augustinessen, genoemd de Zwartzusters.
Het is deze kloostergemeente die het altaarstuk tot in 1959 bewaarde en het toen aan het Groeningemuseum afstond. Deze gemeenschap was sedert 1361 te Brugge gevestigd, niet op het Memlingplein zoals heden ten dage, maar aan de Nieuwe Gentweg. Het vroegere klooster werd in 1798 gesloopt, doch het uitzicht van de typische kloosterkapel kent men nog door het stadsplan in perspectiefgezicht van Mare Gerards uit 1562. Welnu die kapel blijkt in het tafereel met de Aankomst te Keulen te zijn voorgesteld, althans betreft het daar een bedehuis met een torentje, dat opvallend gelijkt op de voormalige kloosterkapel van de Zwartzusters. Bovendien ziet men in het paneel met de Verering van de Relikwieën, een kloosterzuster in het typisch kleed dat toen door de Augustinessen werd gedragen.
De onbekende Ursula-Meester is zonder twijfel een knap schilder geweest die tijdens het laatste kwart van de 15de eeuw te Brugge werkzaam was en er de invloed onderging van zijn grote voorgangers en tijdgenoten Rogier van der Weyden, Hugo van der Goes en Jan Memling. De Ursula-panelen waaraan de meester zijn naam te danken heeft, doen eerder denken aan het werk van een bekwame miniaturist, doch deze eigenschap treft minder in de talrijke andere panelen - meer dan veertig in totaal - met godsdienstige voorstellingen en portretten, die hem worden toegeschreven. De Brugse tentoonstelling van 1969 zal toelaten de verscheidenheid van dat oeuvre na te gaan en gebeurlijk de betwistbaarheid of de degelijkheid vast te stellen van de kunsthistorische kritiek.