OKV2010.2
De Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België in Brussel brengen het inheemse symbolisme van kop tot teen. Weinig stromingen waren zo multidisciplinair. Brussel was ontmoetingsplaats: onder anderen Charles Baudelaire (1821-1867), richtinggevend dichter, verbleef er een tijdje.
Het symbolisme werd voortgestuwd door de dichtkunst, maar manifesteerde zich ook in de beeldende kunsten, de muziek en het theater. Denk maar aan het theater van Maurice Maeterlinck (1862-1949), onze enige Nobelprijswinnaar literatuur, ook al is zijn oeuvre goeddeels in de vergetelheid geraakt. Zijn Pelléas et Mélisande uit 1892 is nochtans een ijkpunt voor het symbolisme. We zouden de stroming kunnen opvatten als een vertakking van de robuuste stam van de uiterst invloedrijke romantiek. Belangrijke kenmerken van de romantiek betreffen de cultus van het genie, het irrationele en de smart. Tegenover de berekening en de voorgeschreven regels van het neoclassicisme plaatsten romantici de emotie als richtingaanwijzer. Dus: wegmarcherend van een realistische tendens.
Halverwege de negentiende eeuw ontwikkelde het symbolisme zich langzamerhand. Van een conventionele stijlperiode kunnen we eigenlijk niet gewagen, het was eerder een visie op de kunst. Vanzelfsprekend is het gebruik van symbolen, zowel literair als visueel, van primordiaal belang. Ook al is de stroming zeer verscheiden, een combinatie van symbooltaal en het hoogstpersoonlijke keert altijd terug. Symbolen houden verband met de innerlijke toestand van de kunstenaar: als Charles Baudelaire over lege straten dicht, dan duiden die op eenzaamheid.
Daarbij komt nog dat de symbolist in metafysica, of een werkelijkheid boven de dagelijkse realiteit, gelooft. De realiteit achter de zintuiglijke werkelijkheid wordt via symbolen onthuld: zij zijn de neerslag van de subjectieve esthetische ervaring van de kunstenaar. Hij heeft dus toegang tot een hogere werkelijkheid, ook hier schemert het romantische genie door. Een citaat van de grote Franse symbolistische schilder Gustave Moreau (1826-1898) legt dit bevattelijk uit: "Gelooft u in God? Ik geloof alleen in hem. Ik geloof niet in wat ik aanraak, noch in wat ik zie. Ik geloof enkel in wat ik niet zie en in wat ik voel. Mijn hersenen, mijn verstand zijn vluchtig en van een twijfelachtige realiteit. Enkel mijn innerlijk gevoel lijkt me eeuwig en ontegensprekelijk zeker."
De gemakkelijkste kunststroming is het niet, maar het gaat evenmin om gratuite gekunsteldheid. Een uitspraak van symbolistisch dichter Stéphane Mallarmé (1842-1898) legt de syntaxis helder uit: "Wanneer je een object benoemt, supprimeer je drie vierde van het genot van het gedicht, dat je beetje bij beetje moet kunnen ontdekken. Suggereren, dat is de droom. Het symbool past perfect bij dit mysterie: stukje voor stukje een object evoceren om een geestesgesteldheid op te roepen of, omgekeerd, een object uitkiezen en een geestesgesteldheid onthullen via een serie codes." De suggestie is poëtisch en maakt nieuwsgierig. Die prikkeling ontbeert men vaak in realistische strekkingen.