Graaf J. de Borchgrave d'Altena meent dat een aantal beelden, waaronder ook de Maria-Magdalena die we hier bespreken, 'vrij nauwkeurig de trekken van Maria van Bourgondië oproepen'. En inderdaad een vergelijking van ons beeldje met het ligbeeld op het praalgraf in de O.-L.-Vrouwkerk te Brugge maakt deze stelling aanvaardbaar.
Maria van Boergondië (1457-1482) die op 25-jarige leeftijd overleed, was om haar jeugd, om haar schoonheid, zachtheid en vroegtijdige tegenspoed algemeen bemind. Hierbij dient opgemerkt dat het ligbeeld te Brugge in brons werd gegoten door de Brusselaar Renier van Thienen, verguld door Pieter de Beckere en vooral dat het houten model vervaardigd werd door de bekende beeldsnijder Jan Borman.
In het Sint-Jorisretabel, bewaard in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel, treft ons, vooral in het beeldje van de hofdame van Alexandra, eenzelfde bevalligheid en bekoorlijkheid als bij Magdalena, eenzelfde ingetogenheid en beheersing van de gevoelens. Men kan ook het aangezicht met het hoge voorhoofd, de scherp getekende kleine mond met de op elkaar gedrukte lippen van de twee beeldjes vergelijken, alsmede de tengere gestalte en de natuurlijke houding. Maar waar de hofdame rijk getooid is, draagt Maria-Magdalena geen halssnoer en is haar kleed niet overvloedig met borduursels afgezet. Dit retabel zoals we aanstonds zullen aanstippen is een werk van Jan Borman.
Steunend op de zoëven aangehaalde gelijkenissen mag het beeldje van Maria-Magdalena samen met een aantal andere aan deze Brusselse beeldsnijder of toch ten minste aan een kunstenaar uit zijn onmiddellijke omgeving toegeschreven worden.
Dat het een Brussels werk is, is zeker. De reglementen van de gilden eisten dat het beeldhouwwerk alvorens het te koop werd aangeboden aan de goedkeuring van de dekens of de keurmeesters onderworpen werd.
Deze brandden er dan het keurmerk in : de 'houten hamer' voor Brussel, de 'hand' voor Antwerpen, en de 'drie palen' (ontleend aan het stadswapen) voor Mechelen. Op de onderzijde van het Magdalenabeeldje te Brussel komt de 'houten hamer' voor waardoor dus het centrum waar het vervaardigd werd gekend is; bovendien werd er een tweede merkteken bijgevoegd, namelijk een blad, vermoedelijk het merkteken van de beeldsnijder. Alle gegevens ontbreken echter om dit laatste te identificeren. De 'houten hamer' komt voor tussen 1470 en 1530 op een groot aantal waardevolle beelden.
Jan Borman wordt de Grote genoemd om hem te onderscheiden van een zijner zonen en van zijn vader die eveneens beeldsnijders waren en dezelfde voornaam droegen. Hij werd geboren om het midden van de 15e eeuw, ingeschreven in 1479 in het Brusselse ambacht van de Steenbickeleren (= steenhouwers, metselaars, beeldhouwers, schaliedekkers) en overleed te Brussel ca 1520. Het enige werk dat hem met volle zekerheid mag worden toegeschreven is het Sint-Jorisretabel te Brussel; niet alleen heeft hij er zijn voornaam Jan en de datum 1493 op gebeiteld, maar archiefdocumenten bevestigen de toeschrijving. Meerdere werken worden op zijn actief of op dat van zijn omgeving geboekt.
Zijn invloed is duidelijk waar te nemen o.m. in het werk van zijn beide zonen: Pascalis en Jan de Jonge. De periode van Jan Borman vertegenwoordigt een hoogtepunt in de geschiedenis van de Brabantse beeldhouwkunst. Gedurende de 15e eeuw werden de beeldhouwers zeer sterk beïnvloed door de schilders, vooral door Rogier van der Weyden. Tegen het einde van de eeuw hadden zij een grote technische vaardigheid verworven; hun stijl was voornaam en beheerst, wars van elke overdrijving.
Al blijft de invloed van de schilders nog doorwerken toch bewandelen zij nu eigen wegen. Het beeldje van Maria-Magdalena behoort tot deze periode die dan gevolgd wordt door wat doorgaans maniërisme genoemd wordt, zoals dit voorkomt in talrijke retabels van de 16e eeuw.