Als d’eene Blinde leyt den Andere Rollen sy in de gracht malcandere
Bruegel, het manuscript Coucke omtrent het manneken pist

Het manuscript Coucke . ...'ontrent het manneken pist'.. (1583)

De Bijbelse spreuk die Pieter Bruegels parabel van de blinden (1568) illustreert, is al evenzeer van toepassing op het dwaalspoor dat heeft geleid tot de naam Bruegelhuis voor een huis in de Hoogstraat 132 in Brussel. Blind voor de waarheid, werd in 1924 aan de gevel van dit huis met veel enthousiasme een gedenksteen aangebracht: “aan Pieter Breughel 1524 – 1924. Hulde van het Volk, aan zyn Groot Schilder.”

Toen Pieter Bruegel de Oude in juli of augustus 1563 van Antwerpen naar Brussel verhuisde, zou hij hier zijn intrek hebben genomen, in het hart van de huidige marollen. De bewering gaat minstens terug tot 1897 toen de Brusselse stadsarchivaris Alphonse Wauters schreef dat Bruegel ongetwijfeld in de Hoogstraat zijn atelier had, maar weliswaar in het afgebroken huis ernaast waar nu een straat ligt (Rodepoort). Die bewering werd in 1918 overgenomen door archivaris Guillaume Des Marez in zijn Guide illustré de Bruxelles maar dan met het nr. 132 als woonhuis. Sindsdien staat de omgeving er bekend als het Bruegelkwartier. Hoewel men nu toegeeft niet met zekerheid te weten in welk huis Bruegel woonde, probeert men op een of andere manier de schilder nog steeds aan het huis in de Hoogstraat te linken.

Bruegel, Brussel in 1572: linksboven 'Tmenneken pist', rechts het bogaardenklooster (29) met achterliggende boomgaarden.

Brussel in 1572: linksboven 'Tmenneken pist', rechts het bogaardenklooster (29) met achterliggende boomgaarden.

Een dubbel dwaalspoor

Nog in 2008 werd aan de hand van een document uit 1599 aangetoond dat Bruegels schoonmoeder Maeyken Verhulst twee huizen in de Brusselse Hoogstraat in haar bezit had gehad. En vermits Bruegel op haar vraag naar Brussel verhuisde, ligt de Hoogstraat dan voor de hand. De akte werd echter verkeerd geïnterpreteerd. Wie het document aandachtig leest, ziet dat het gaat om twee huizen in de Hoogstraat in Antwerpen. Maeyken Verhulst, later Bruegels schoonmoeder, had in 1551 geld geleend aan de Antwerpse zilversmid Jeronimus Mannacker. Terugbetaling zou gebeuren via een jaarlijkse rente, waarvoor hij o.a. twee huizen in de Antwerpse Hoogstraat als onderpand zette: Den Moriaen en De Meereminne (nu Hoogstraat 46-48). Toen 25 jaar later de betalingen achterwege bleven, wou Mayken Verhulst beslag laten leggen op beide huizen. Ze deed dat in 1575 via de Antwerpse goudsmid Hans Godelet (alias van Luyck), een interessante connectie zoals we later zullen zien. In 1580 was de zaak nog niet in orde, maar het kwam ook niet tot een inbeslagname. Mayken Verhulst heeft de huizen in de Antwerpse Hoogstraat nooit verworven en van een woning in de Brusselse Hoogstraat is nergens sprake.

Voor een tweede dwaling zorgde postuum de schilder David III Teniers. Omdat hij in de Hoogstraat in Brussel overleed, werd er in 1897 van uit gegaan dat ook zijn voorvader Pieter Bruegel hier woonde. Zijn ouders, David II Teniers en Anna Brueghel (kleindochter van Pieter de Oude), verhuisden omstreeks 1650 van Antwerpen naar Brussel. Niet naar de Hoogstraat, maar in de nabijheid van het hof aan de Coudenberg, in het huis Sinte Guilliam. Na het overlijden van Anna Brueghel betrok David II Teniers zijn nieuwgebouwd pand bij de Isabellastraat. Hun zoon David III Teniers woonde aanvankelijk ook in de parochie van Coudenberg, maar verhuisde tussen maart 1679 en maart 1681 naar de Hoogstraat. Dat weten we omdat enkel hun twee jongste kinderen gedoopt werden in de capelle prochi, de Kapellekerk waar Pieter Bruegel de Oude trouwde en begraven werd. David III Teniers overleed er in 1685, in het huis naest de roode poorte. Slechts twee huizen komen daarvoor in aanmerking: het huidige huis in de Hoogstraat 132 en het sedert lang afgebroken huis daarnaast. Er is dus vijftig procent kans dat het om het zogenaamde Bruegelhuis gaat. In dat geval moet hij het gehuurd hebben van mr. Francois van Horenbeeck, advocaat en telg van een kunstminnende familie uit Antwerpen. De Antwerpse kunsthandelaar Matthijs Musson verkocht in 1668 werk van David II Teniers door bemiddeling van Arnold van Horenbeeck.

Conclusie: het huis in de Hoogstraat 132 in Brussel – óf het verdwenen huis links daarvan – werd pas meer dan een eeuw na Pieter Bruegels dood gedurende een vijftal jaren (ca. 1680 tot 1685) als huurhuis bewoond door zijn achterkleinzoon David III Teniers. Maakt het dat tot Bruegelhuis? Helaas niet.

Nabij ‘het manneken pist’!

Het enige tastbare bewijs voor Bruegels aanwezigheid in Brussel, buiten zijn parochiekerk, lijkt hierdoor verdwenen. Er bestaat echter een document dat ons in de zoektocht naar Bruegels woonplaats weer op het juiste been zet. Het handschrift, dat we gemakkelijkheidshalve het manuscript Coucke noemen, wordt bewaard in het stadsarchief van Gent, nota bene in de Dulle Grietlaan. Het werd in januari 1583, amper 14 jaar na de dood van Pieter Bruegel de Oude, opgemaakt in opdracht van een neef van zijn vrouw, de advocaat mr. Pieter Coucke (Coecke) uit Gent. Het draagt het opschrift Struyck ende desente wat zoveel betekent als (stam)boom en afstamming. Het beschrijft in detail de genealogie van Pieter Bruegels schoonfamilie. De meest interessante passage is diegene over de schilder Pieter Coecke van Aelst, Bruegels schoonvader:

De selve Pieter by synder twee huusvr(ouwe) ghenaempt Marie vern Hulst van Mechelen heeft achterghelaten Marie, Johanna, ende [naam niet ingevuld]. Marie thuwel(yck) gheallereert met Pieter vanden Bruule oock schildere heeft achterghelaten diversche kinderen woenende te Brussele al waer oock Johanna ende dandere woenachtich syn ontrent het manneken pist recht overe den bogaert.

Het fragment bevat een schat aan informatie. Marie vernHulst is Maeyken Verhulst. Pieter Bruegel wordt door zijn verwant Pieter vanden Bruule genoemd. Toen ik in 2013 de doopakte van zijn zoon Jan I Brueghel publiceerde, kwam het prefix ‘vanden’ al aan het licht. Jan werd immers op 20 augustus 1568 in de Kapellekerk gedoopt als zoon van Petrus vanden Brughe. Zowel vanden Brughe als vanden Bruule gaan terug op wat de oorspronkelijke naam van de schilder moet geweest zijn, namelijk vanden Bru(e)ghele. Deze vorm komt overigens vaak voor bij andere Bruegelfamilies. Ook Pieter Bruegel moet dit prefix gebruikt hebben. Over Pieter Bruegels woonplaats in Brussel vernemen we dat hij zich vestigde bij zijn schoonfamilie. De locatie wordt nauwkeurig omschreven: niet ver van Manneken Pis en recht over de bogaert. Met dit laatste bedoelt men geen boomgaard, maar het klooster van de bogaarden of beggaarden (mannelijke begijnen) die zich gevestigd hadden in de huidige Bogaardenstraat. Van aan het beeldje van Manneken Pis kan men ook nu nog de ingang van de Bogaardenstraat zien. Het klooster stond verderop aan de linkerkant van de straat, thans een hoek vormend met de Zuidstraat. De gebouwen van de Académie Royale des Beaux-Arts de Bruxelles omsluiten nog een deel ervan. De afstand tot aan Manneken Pis bedraagt 280 meter of slechts 3 minuten te voet. De omschrijving klopt. Pieter Bruegel en Manneken Pis, op wandelafstand van elkaar…

Op een plan van Brussel uit 1572 (Braun en Hogenberg) zien we bij nummer 29 het klooster van de bogaarden getekend met een groen ingekleurde hof en boomgaard. Aan de overzijde en ernaast staan enkele huizen, waaronder die van Pieter Bruegel en zijn schoonfamilie zich moeten bevonden hebben. Nadere specificatie blijft onmogelijk.

Bruegel

Kwaliteitscontrole

Het lijkt allemaal te kloppen. Maar de stelling dat Bruegel niet in de marollen maar aan de andere kant van de Kapellekerk woonde, staat en valt uiteraard met de betrouwbaarheid van het manuscript Coucke. Opgesteld voor een verwant in 1583 ten behoeve van diens naercommers, zou je verwachten dat het een realistisch beeld van de familie geeft. Maar in de zestiende eeuw verschenen wel vaker onnauwkeurige en zelfs gefantaseerde genealogieën. Het is daarom noodzakelijk om de inhoud van het document te toetsen aan de hand van originele akten. We deden deze ‘kwaliteitscontrole’ in het Antwerpse Felixarchief en in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel.

Een eerste belangrijk punt van discussie is de passage “waer oock Johanna ende dandere woenachtich syn”. Volgens de recentste biografie van de schilder Pieter Coecke van Aelst (2014) had hij uit zijn huwelijk met Mayken Verhulst slechts één dochter die de volwassen leeftijd bereikte, namelijk Maeyken Coecke die de echtgenote werd van Pieter Bruegel de Oude. Twee andere kinderen, Pauwels en Katelijne, overleden toen ze nog minderjarig waren. Er is nergens sprake van een Johanna of van een kind waarvan men zich de naam niet meteen herinnerde (‘dandere’). Berust het gegeven op waarheid? Had Bruegel nog schoonzussen waaronder een Johanna Coecke?

Een vondst van enkele maanden geleden laat ons toe twee puzzelstukjes in elkaar te passen. Jo(h)anna Coecke duikt namelijk op in een Brussels schepenregister uit 1610! Ze was toen al overleden maar werd geciteerd als moeder van Margriete Broeckman, haar dochter bij Thomas Broeckman.  De Brusselse rederijker Thomas Broeckman was ons sinds 2013 bekend als dooppeter van Jan I Brueghel. Zijn vrouw heette Jenneken (Johanna) van Ailtes. Combinatie van de twee namen geeft ons het verhoopte resultaat: het bestaan van Johanna Coecke van Aelst!

Ook over ‘dandere’, een vijfde kind van Pieter Coecke en Mayken Verhulst, bestaat bewijsmateriaal. Zij is te identificeren als de Margriete Coecke die huwde met de Brusselse huidevetter (leerlooier) Franchoys Helduwier, van wie ze twee zonen had, Peeter en Joos Helduwier. Mogelijk was zij de meter van Jan I Brueghel. Haar man had uit een ander huwelijk nog een zoon Franchoys II Helduwier, die voor 1636 van Brussel naar Amsterdam verhuisde om er een zaak in tulpenbollen op te starten. Zijn financier en huisbaas Reijmont de Smith bezat een Boerenkermis van Pieter II Brueghel. Tenslotte bewijzen ook de parochieregisters dat Bruegels zwagers Thomas Broeckman (x Johanna Coecke) en Franchoys Helduwier (x Margriete Coecke) beiden in Brussel woonden in de parochie van de Kapellekerk. 

Het onbekende netwerk Thimons - Godelet: Bruegel in familiebezit

Terwijl we het manuscript Coucke op accuraatheid testten, stootten we onverwacht op andere belangwekkende informatie over Pieter Bruegels entourage. Een zus van Pieter Coecke van Aelst, net als haar nicht Margriete Coecke geheten, zou volgens de genealogie in Antwerpen gehuwd zijn met een zekere Marten Thimon(s). Zijn naam is ons bekend omdat hij in 1540 samen met Pieter Coecke het testament van de schilder Joos van Cleve als getuige ondertekende. Niemand heeft hem echter als zwager van Pieter Coecke gezien. In 1528 werd hij als glasschilder vrijmeester van de Antwerpse Sint-Lukasgilde, in 1545 deken. In 1547 kocht hij het huis De Meerminne op de Vliet in Antwerpen.

Het manuscript Coucke geeft uit zijn huwelijk met Margriete Coecke een dochter Marte (Mechtelt, Metge) Thimons die huwde met Jacques Crabeel, woenende tAndwerpen inde half maene ontrent de nieuwe borse. Ook dit gegeven blijkt correct te zijn, want de zijdeverkoper Jacques Carbeel (ook Kerbeels) en zijn vrouw Metgen kochten het huis De Halff Mane in de Hofstraat in Antwerpen in december 1575. Het lag weliswaar bij de oude beurs. Later verhuisden ze naar Amsterdam waar Metgen in 1616 overleed. Zij zou in het bezit geweest zijn van een Kruisdraging geschilderd door Pieter Bruegel de Oude, die later aan haar achternicht Maria Brueghel (dochter van Pieter II) werd geschonken. Het is bij mijn weten voor het eerst dat een schilderij van Pieter Bruegel de Oude voorkomt in de collectie van zijn verwanten. Behalve verzamelaars als Hans Franckaert, Claes Jongelinck, Jan Noirot, Abraham Ortelius en kardinaa lGranvelle kennen we in de Nederlanden geen tijdgenoten die werk van hem bezaten. Maar ook vanuit familiale kring bestond blijkbaar die belangstelling.

De verwantschap tussen Metgen Thimons en haar achternicht Maria Brueghel loopt via haar halfzus. Marten Thimons had uit zijn eerste huwelijk met Anna vanden Vekene een dochter Lysbeth Thimons/Thymans die huwde met Hans Godelet, de man die in 1575 Maeyken Verhulst vertegenwoordigde bij haar claim op de huizen in de Antwerpse Hoogstraat. Eén van hun kinderen was Elisabeth God(d)elet die in 1588 huwde met Pieter II Brueghel. Marten Thimons, vorig jaar nog omschreven als an obscure glass painter blijkt nu een sleutelfiguur in een belangrijk netwerk: zwager van Pieter Coecke van Aelst en grootvader van Elisabeth God(d)elet, de vrouw van Pieter II Brueghel. Net als zijn broer Jan huwde Pieter met iemand uit zijn milieu, een aanverwante in de derde graad.

Het Bogaardenklooster als decor voor Bruegels kreupele bedelaars?

De nauwkeurigheid en het nut van het manuscript Coucke staan buiten kijf. Ze geeft geen volledig beeld van de familie - enkele personen lijken weggelaten of vergeten - maar de beschikbare informatie klopt. Ze geeft een nieuwe, verhelderende kijk op Pieter Bruegels familie en woonplaats.

Pieter Bruegel de Oude. De kreupelen, olieverf op paneel.

Pieter Bruegel de Oude, De kreupelen, 1568, olieverf op paneel. 18,5 x 21,5 cm - MUSEE DU LOUVRE. PARIJS

Wanneer ik, met die nieuwe kennis in het achterhoofd, zijn schilderij van de kreupele bedelaars (1568) bekijk, doet de achtergrond me opeens denken aan de ‘bogaert’. Grote muren die aan (bij)gebouwen van een klooster doen denken, paadjes door het gras die leiden naar een achterliggende boomgaard, stenen muurtjes… Bevond het decor waarin Bruegel zijn kreupelen opvoerde zich recht over zijn deur? Bruegel schilderde wat hij zag en had oog voor het leven van alledag. Bogaarden hielden zich bezig met ziekenzorg en het uitdelen van aalmoezen aan behoeftigen en de verschoppelingen van de maatschappij. Hun klooster had geen slot, maar was overdag vrij toegankelijk. 

De betekenis van het paneel is tot op heden onduidelijk. Maar moet er, behalve het feit dat het om een opvoering lijkt te gaan, veel achter gezocht worden? Schilderde Bruegel, de meesterlijke waarnemer, niet gewoon wat zich afspeelde over zijn deur? En werden de Latijnse verzen op de keerzijde misschien aangebracht door een zielsverwante bogaard? Dat laatste zullen we nooit weten, maar de omgeving rondom zijn huis in de Bogaardenstraat bood hem alleszins de perfecte setting voor dit tafereeltje.

Het zogenaamde Bruegel huis, Hoogstraat 132, Brussel

Het zogenaamde Bruegelhuis, Hoogstraat 132, Brussel

Het David III Teniershuis

In 2019 zal het zogenaamde Bruegelhuis in de Hoogstraat 132 geopend worden als  Bruegelmuseum. De kans dat Pieter Bruegel hier ooit een voet heeft binnengezet, is klein. De naam Bruegelhuis is onjuist en suggestief. Is de herdenking van het 450ste jaar van Bruegels overlijden in 2019 niet het moment om de vergissing uit 1897 recht te zetten en de historische realiteit te respecteren? Zou het niet eerlijker zijn om de naam te wijzigen in David III Teniershuis?

Een tentoonstelling waarin de rode draad gevormd wordt door het leven en werk van Pieter Bruegel de Oude én zijn schilderende nakomelingen, David III Teniers in het bijzonder, zou door ieder geapprecieerd worden. Men hoeft de waarheid dan niet langer geweld aan te doen en kan zonder schroom verwijzen naar het échte woon- en sterfhuis van Pieter Bruegel, een verdwenen woning in de Bogaardenstraat.

En mocht men voor een feestelijke opening iemand zoeken die nog steeds een familieband heeft met de Bruegels: koningin Mathilde is een afstammelinge van Marie Coecke, zus van Pieter Coecke van Aelst. Een verre verwante van Bruegel en Teniers… Ook dat weten we dankzij het manuscript Coucke.

 

Download hier de pdf

Waar woonde Pieter Bruegel de Oude in Brussel?