Outsiderkunst gaat over kunst buiten het officiële kunstcircuit, maar voelt vandaag soms als een stigmatiserend stempel: outsiderkunstenaars worden al snel in een hokje geduwd waar hun biografie belangrijker is dan hun werk. Toch durven vele musea de term nog niet zomaar los te laten, want dan dreigen deze kunstenaars opnieuw in de marge te verdwijnen. Een reportage naar aanleiding van de expo Monique Gies. Binnenzichten in het Museum Dr. Guislain Gent.
Het concept ‘outsiderkunst’ werd geïntroduceerd door de Britse kunsthistoricus Roger Cardinal (1940-2019) in zijn boek Outsider Art (1972) in relatie tot art brut. Art brut verwijst naar kunstenaars en makers uit de twintigste eeuw die veelal autodidact zijn en losstaan van de conventies van de kunstwereld, wat zich vertaalt in een beeldtaal met een eigen vorm en thematiek. Het genre kreeg zijn naam in 1945 van de Franse schilder Jean Dubuffet (1901-1985) die geïnteresseerd was in creaties van “personen die vreemd zijn aan de professionele artistieke milieus”: vaak kinderen, mensen met een psychische kwetsbaarheid of gedetineerden. Hij waardeerde hun spontane, ongepolijste creativiteit en zag het als ‘pure kunst’ gemaakt zonder interesse in trends, verkoop of academische conventies. Cardinals idee van de outsider art daarentegen, ging nadrukkelijk om de positie die die kunst werd toegeschreven, niet per se om de biografie van de maker.