Jan Vaerten is al ruim veertig jaar dood. In Beerse waar hij sinds 1942 woonachtig was, wordt de herinnering aan hem levend gehouden door een bescheiden, maar stijlvol museum.

Jan Vaerten aan het werk, reproductie van een foto

Jan Vaerten aan het werk, reproductie van een foto

Thuis in Beerse

Voor Jan Vaerten (1909-1980) was Beerse een veilige thuishaven. Niet dat hij van nature honkvast was of de buitenwereld schuwde, wel integendeel. Het dorpje in de Stille Kempen bood rust aan zijn woelige geest en hoedde hem voor de verleidingen eigen aan grootsteden en kunstmetropolen. Hij wist goed genoeg dat zijn geestelijke honger niet te stillen was en daarom ontliep hij liever het overaanbod aan culturele prikkels en concentreerde zich des te meer op de eigen creativiteit. Maar een kluizenaar was hij zeker niet en de kunstwereld kende hem. Raar maar waar, Ossip Zadkine (1890-1967), de Wit-Russische kunstenaar die in Parijs werkte, kwam hem in Beerse opzoeken. Qua erkenning kende hij wel periodes van hoogtes en laagtes.

Het Museum Jan Vaerten huist in een deel van het Gemeenschapscentrum ’t Heilaar. Het sluit dus aan bij het hedendaags cultuuraanbod in eigen dorp. Dat zou Vaerten wel gezind hebben. In een ruime zaal, overzichtelijk en rustgevend, zijn de werken deels thematisch in open kernen opgesteld. In een oogopslag is het duidelijk dat Jan Vaerten niet onder een noemer onder te brengen is. Dat is ook wel problematisch: er valt zoveel meer te tonen. Zoon Frank beaamt dat er slechts een fractie van het beschikbare werk kan tentoongesteld worden; het heeft geen zin de ruimte vol te proppen. De werken komen dan niet langer tot hun recht en de bezoeker wordt in verwarring gebracht. Toch missen we een documentatiehoek met enkele markante documenten, wat foto’s misschien, en een overzicht van Vaertens rijkgevulde kunstenaarsleven. Voor wie zich toch hierin wil verdiepen liggen een aantal mappen klaar, maar de meeste museumbezoekers hebben het niet zo gezien in studiewerk aan een tafeltje…

Van links naar rechts: Jan Vaerten, Equus, 1975, tempera op paneel Jan Vaerten, Skelet, 1958, gouache op papier Jan Vaerten, Geit, 1948, olieverf op doek MUSEUM JAN VAERTEN BEERSE

Van links naar rechts: Jan Vaerten, Equus, 1975, tempera op paneel Jan Vaerten, Skelet, 1958, gouache op papier Jan Vaerten, Geit, 1948, olieverf op doek MUSEUM JAN VAERTEN BEERSE

Zoeken, een levenslange opdracht

Jan Vaerten is als kunstenaar een autodidact met de juiste ingesteldheid van een eeuwige zoeker. Hij had het geluk in zijn geboortestad Turnhout aan de slag te kunnen in de schilders- en drogisterijwinkel van zijn oom (Nonkel Sooi). Hier leert hij met pigmenten en bindmiddelen om te gaan, terwijl hij onvermoeibaar schildert en tekent. Met de fiets gaat hij jarenlang elke zondag Albert Van Dyck (1902-1951) opzoeken. Die zondagse lessen zijn, meer nog dan de avondlessen in de academie van Turnhout, zijn voornaamste leerschool. Het hoeft daarom niet te verbazen dat zijn vroeg werk in de geest van het animisme baadt, met portretten, landschappen en huiselijke taferelen. Het is ook de tijd dat hij op een Parijse tentoonstelling de kleurenpracht van Vincent van Gogh (1853-1890) ontdekt.

Tijdens en na de oorlog frequenteert hij de Brusselse galerij Apollo. Die is ondanks het schrale aanbod van de oorlogsjaren uitgegroeid tot de ontmoetingsplaats van jonge kunstenaars die een meer dynamische stijl zullen ontwikkelen onder de noemer Jeune Peinture belge. Die stijl past beter bij Vaertens temperament. Het animisme lijkt hem ten slotte te braaf, te vrijblijvend. Hij verblijft enige tijd te Parijs waar hij onder meer met Ossip Zadkine vriendschap sluit.

In 1948 wordt hij geselecteerd voor de Biënnale van Venetië; zijn loopbaan staat op de rails. Toch zal hij ook van de Jeune Peinture belge vervreemden omdat hij zijn werk wil toespitsen op het inhoudelijke. Hij staat bekend als een vlotte tekenaar en een stevige kolorist. Maar hij vreest verstrikt te geraken in het formalisme, de vormelijkheid. Kleur is OK, maar is geen doel op zichzelf. Ze staat ten dienst van de inhoud. De taak van de kunstenaar is een streven naar geestelijke inhoud.

Zonder de figuratie af te zweren gaat Vaerten in die zoektocht sterker aanleunen bij de abstractie. Ook kleur wordt aan dat ideaalstreven ondergeschikt gemaakt. Tijdens een aflevering van het televisieprogramma Ten Huize van drukte hij het als volgt uit: “De kleur heeft een absolute waarde. Rood is bij mij altijd agressief, mauve is een uiting van wil, blauw is vergeestelijking, maar ook vernieuwing, maar altijd verwijzend naar licht – licht is bij mij wit, licht is de som van alle kleuren.”

Links: Jan Vaerten, Mijn moeder, 1944, tekening op papier Rechts: Jan Vaerten, Korenschoven met kapel, 1949, olieverf op doek MUSEUM JAN VAERTEN BEERSE

Links: Jan Vaerten, Mijn moeder, 1944, tekening op papier Rechts: Jan Vaerten, Korenschoven met kapel, 1949, olieverf op doek MUSEUM JAN VAERTEN BEERSE 

Pessimisme zonder wanhoop

Vaerten kan het niet verhelpen, maar zijn mensbeeld is pessimistisch. Alle boosheid, alle kwaad is van menselijke oorsprong. In de werken van vlak na de oorlog drukte hij dat uit door het uitbeelden van monsterachtige dieren. Het lijden van het dier is even sterk als dat van de mens, maar kan niet gerationaliseerd worden. Het is de mens, en de mens alleen, die oorzaak is van het zinloze en extreme lijden. Ironisch laat Vaerten opmerken dat indien hij dat thema had blijven uitwerken (“koeien in pinnekensdraad”), hij zeker een aanvaard en succesvol kunstenaar zou geweest zijn.

Zijn idealisme haalt de bovenhand; hij legt zich onvermoeibaar toe op het streven naar hogere idealen. Uit het donkere kluwen is er altijd een hunkering naar het licht, naar het geestelijke. Bevalligheid heeft hier niets te zoeken en coloriet moet het afleggen tegen intensiteit. Het werk is er niet om de realiteit af te beelden, wel om ze uit te beelden. Autofiguratie noemt hij dat.

Jan Vaerten, Zelfportret, 1947, olieverf op doek MUSEUM JAN VAERTEN BEERSE

Jan Vaerten, Zelfportret, 1947, olieverf op doek MUSEUM JAN VAERTEN BEERSE

Opmerkelijk is dat Jan Vaerten een zeer groot respect heeft voor het ambacht, meer bepaald voor het tekenen. De tekening is voor hem evenwaardig aan het schilderij. Minder gemakkelijk zelfs. Een schilderij laat toe om met kleur een onhandigheid weg te werken; die luxe heeft de tekenaar niet. In zijn tekeningen ontwikkelt hij dezelfde thematiek als in zijn schilderijen. In het museum krijgt een van zijn laatste creaties een prominente plaats. Ecce Mulier (‘Ziehier de Vrouw’) beeldt in zeven tekeningen het thema uit van het streven van de vrouw naar zelfontplooiing. Kleur moet het hier afleggen ten bate van een subtiel spelen met lichte en donkere partijen. Frêle maar sensueel wordt de amper aangezette vrouwelijke gestalte geconfronteerd met voorstellingen met mythologische inslag: de eenhoorn, het paard, de vogel. Het licht van de geestelijke bevrijding is het streefdoel, nabij en ongrijpbaar tegelijk.

Dan neemt de kunstenaar zijn toevlucht tot experimentele technieken. Vreemde voorwerpen die hij in de natuur aantreft tekent hij na of introduceert ze ongewijzigd in het werk. Die combinaties noemt hij Objart, hiermee verwijzend naar een iconische tentoonstelling met die naam te Antwerpen in 1968. Het doek blijft niet noodzakelijk beperkt tot twee dimensies. In zelfportretten wordt de eigen hand van de meester niet geschilderd, zij rust als reliëfobject op het geschilderde oppervlak. Gebiedend of beschermend, dat is de vraag.

Jan Vaerten, Zelfportret (detail), 1980, acryl op papier MUSEUM JAN VAERTEN BEERSE

Jan Vaerten, Zelfportret (detail), 1980, acryl op papier MUSEUM JAN VAERTEN BEERSE

Ken jezelf

In het museum zijn enkele zelfportretten te zien. Ze verdienen het bestudeerd te worden; de evolutie is duidelijk: van de uitdagende wonderboy in gewaagde kleuren tot de priemende blik van een ontgoochelde ouderling wiens gerimpelde trekken nog net niet worden opgeslorpt door een dominante chaos van negatieve krachten.

Is het ideaalbeeld van Jan Vaerten te hoog gegrepen? Kan schilderkunst dit streven adequaat uitdrukken? Hij staat tenslotte niet alleen. Felix de Boeck (1898-1995) is dezelfde weg opgegaan, in een poging om geestelijke kracht, scheppingsdrang of de mysteries van leven en dood uit te drukken. In dit perspectief krijgen schilderijen een andere invulling. Van kijkstukken worden zij meditatieobjecten. Voor Jan Vaerten was dit de ultieme zingeving aan zijn artistieke roeping. Met de rechtlijnigheid die hem kenmerkt heeft de kunstenaar niet de gemakkelijkste weg gekozen, wel de eerlijkste.

Museum

Open: maandag van 9 tot 12.30 uur, van 14 tot 16 uur en van 18 tot 20 uur, woensdag t.e.m. vrijdag van 9 tot 12.30 uur en van 14 tot 16 uur, dinsdag, zaterdag en zondag na afspraak – Heilaarstraat 35, 2340 Beerse – Toegang is gratis – Secretariaat GC ‘t Heilaar – T 014 600 770

Download hier de pdf

Jan Vaerten