Hij schilderde ze in hun dagelijks doen, zo onopvallend mogelijk, wanneer ze ergens op hun eentje een boek zitten te lezen, op de weg naar de school, alleen of in groep, met een ruikertje veldbloemen in de hand, of bij de schamel gedekte tafel, naast een lam, een veulentje, bij het spel - dat nooit luidruchtig schijnt; bij het haarkammen - waarbij ze elkaar helpen. Er is nooit uitbundigheid rond deze kinderen, wél schuchterheid, weemoed, ongekunsteldheid. Zij leven nog in een wereld van poëzie en van een zachte droom, van verbazing ook om het openbloeiend leven.
Er hangt iets verfijnds over deze boerenkinderen, iets ranks, sierlijks. In hun eenvoud zijn ze mooi en vol charme, nog in niets gestoord door de troublante deviatiemogelijkheden van het leven. Deze kinderen zijn allen zoals hun schilder zelf is geweest: zwijgzaam, evasief, nadenkend en in zichzelf gekeerd.
Ook uit zijn landschappen ademt eenzelfde sfeer van introspectie. Het zijn lente- en zomerlandschappen. Alles in zijn œuvre is jong en groen. Winterzichten of oudere mensen heeft hij praktisch nooit geschilderd of getekend. Zijn landschappen zijn meestal verlaten en eenzaam. Ook hier heeft Van Dyck voor ons zijn zwaarmoedige ingesteldheid op het leven niet kunnen verbergen, ondanks de lente- en de zomersfeer. Het is alsof hij het vergaan van het bestaande wou verzwijgen; alsof hij - die zo vroeg moest heengaan - door de teleurgang van alle leven niet te vernoemen die teleurgang en die dood heeft willen bezweren.
Van Dyck heeft van het land waarin hij woonde gehouden, en van de kinderen die hij kende. En hij heeft niets anders geschilderd dan die dingen waarvan hij hield. In een van zijn brieven schreef hij: 'Het is sinds lang een der artikelen van mijn geloof dat er geen kunst bestaat die niet gevoeld werd, anders gezegd dat men dat slechts kan vertolken wat men goed kent, wat men bemint, dat het kunstwerk maar rijpt naarmate deze kennis en liefde groeien. Dan valt het als een vrucht van de boom. Maar wij moeten weten wat voor een boom wij zijn, want velen onder ons hebben dikwijls gewenst een exotische aard te bezitten, maar die brengt op onze bodem geen enkele natuurlijke vrucht voort. Schilderen is niet alleen harmonisch opbouwen, het is niet alleen nabootsen, het is het een en het ander'.
In het gehele œuvre van Van Dyck kan deze theorie met zijn schilderkundige verworvenheden gekonfronteerd worden. En daarin ligt m.i. zijn grootheid.