Tweede Wereldoorlog

Kunst uit de nazitijd

De Tweede Wereldoorlog bracht zoveel gruwel met zich mee dat het bijna infaam is om over kunst te spreken. En toch heeft zich in die periode, tussen alle ravage en deportaties door, een grootscheepse kunstdrainage naar het Derde Rijk voorgedaan. Met doorgedreven systematiek zijn uit alle hoeken van bezet Europa schilderijen, beelden, gobelins, boeken en antieke meubelen naar Duitsland en Oostenrijk versleept. Zelfs voor mensen die thuis waren in de kunstwereld speelde dit gebeuren zich af in een dode hoek.

Het is amper te begrijpen hoe een massale organisatie zo onder de radar kon blijven. De omvang was nochtans gigantisch. In de literatuur circuleert een schatting die de Amerikaanse Office for Strategic Services kort na de oorlog maakte. Tijdens de oorlog zou er voor een waarde van 2,5 miljard dollar aan kunst overgebracht zijn. Dat zou neerkomen op één vijfde van alle kunstschatten ter wereld. Hoe deze cel dat zo snel berekende is een raadsel; het is dan ook een strategische dienst. De schaal maakt echter duidelijk dat nazi-Duitsland een zwart gat was waar alle hoogwaardige kunst in verdween.

Ondanks hun administratieve precisie lieten de nazi’s een warboel achter die nooit meer helemaal opgeruimd geraakt. Duizenden kunstwerken zijn nog steeds niet bij de rechthebbenden beland. Kunst is vanuit West-Europa na een diaspora uitgezwermd tot in Amerikaanse musea en Russische verzamelingen. Als er ook in onze musea gerecupereerde kunst zit, dan is dat omdat ze daar met het vingertje in de lucht om verzocht hebben. In dit nummer volgen we het parcours van die 78 schilderijen in onze musea.

Van 64 % van die schilderijen is de voorgeschiedenis zo anoniem als de onbekende soldaat: “collectionneur belge” staat er op archieffiches. Of er staat helemaal niets. Soms staan er namen als Lagrand, De Heuvel, Moorthamers of Arens opgegeven als eigenaars. Ze komen meermaals voor. Arme lui, wat hebben zij veel verloren. Tot uit de onderzoeksrapporten van de Amerikaanse geallieerden blijkt dat zij antiquairs waren die in meerdere of mindere mate handel dreven met de nazi’s. Ze waren helemaal geen eigenaars, maar verkopers. De vraag is wie het kunstwerk bezat voor het op de markt kwam?

Slechts in 36 % van de schilderijen is geweten wie de eigenaars waren. Het is hartverscheurend als de namen Renders en Van Gelder nog maar eens opduiken bij een belangrijk werk. Pas later denkt men daar anders over. In twee artikels verderop in dit nummer verneemt u waarom. Ook de naam Smidt van Gelder duikt regelmatig op. Zijn positie is niet helemaal helder.

Ook in onze buurlanden is teruggekeerde kunst uit nazi-Duitsland aan musea toevertrouwd. Ze zijn daar ‘in bewaring’, tot zich iemand meldt die kan bewijzen dat hij de eigenaar is of een erfgenaam ervan. De werken staan op websites die voor iedereen consulteerbaar zijn. Er is onderzoek gedaan naar de herkomst en hiaten tussen 1933 en 1945 worden als problematisch beschouwd. Daar kan zich een gedwongen verkoop of een kunstroof hebben voorgedaan.

Hoewel België in 1998 blijgezind mee de Washington Principles ondertekende, brengt ons land van die engagementen weinig in de praktijk. Samen met 43 andere landen verbond het er zich toe om kunst die door de nazi’s was verworven en nog niet aan de eigenaars was teruggegeven, te identificeren. Eén van de aanbevelingen was om onderzoek te doen naar onduidelijke herkomst en die informatie via een centraal register openbaar te maken.

Zowat alle grote Belgische musea hebben stukken ‘in bewaring’, maar in tegenstelling tot andere landen is die informatie niet openbaar. Daarom doet dit tijdschrift het nu. Alle 78 veranderden ze tussen 1933 en 1945 van eigenaar. Volgens de gangbare opvattingen hoort voor elk van hen een herkomstonderzoek plaats te vinden. Van ten minste 50 stukken (de 64 % van hierboven) kunnen we zelfs zonder enig onderzoek zeggen dat de herkomst niet sluitend is. De Dienst voor Economische Recuperatie en zijn opvolger hebben dat onderzoek indertijd niet afgerond. Het is de vraag of de musea, die dergelijke werken in hun bezit hebben, dat wel hebben gedaan. Alleen zij kunnen die vraag in eer en geweten beantwoorden.

Inhoud

  • Honger naar kunst
  • Alle wegen leiden naar das Reich
  • Verlinkt door de privéchauffeur
  • Gedistingeerde heren op de stoep
  • Onder belangstelling van de Rijksmaarschalk
  • Herkomst niet sluitend. Vier cases
  • Verzwegen verblijf
tweede wereldoorlog Binnenzicht in het hotel in Unterstein, waar de inbeslaggenomen kunst van Hermann Göring werd gestockeerd. Göring vluchtte met een trein vol kunst naar Berchtesgaden. Hier werd ook veel kunst uit België aangetroffen. Foto uit: Collectie Algoet, 1945 Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij, Brussel

Binnenzicht in het hotel in Unterstein, waar de inbeslaggenomen kunst van Hermann Göring werd gestockeerd. Göring vluchtte met een trein vol kunst naar Berchtesgaden. Hier werd ook veel kunst uit België aangetroffen. Foto uit: Collectie Algoet, 1945 Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij, Brussel

Honger naar kunst

De geallieerden hadden wel weet van kunsttransporten naar het Derde Rijk, maar pas in Duitsland en Oostenrijk stonden ze versteld van de omvang. Ze brachten 1.400 opslagplaatsen in kaart met vele honderdduizenden cultuurobjecten. Naar schatting hadden zo’n vier miljoen daarvan een problematische herkomst. De bekendste depots waren Schloss Neuschwanstein en Schloss Kogl, en uiteraard de zoutmijnen van Altaussee, waar tegen het eind van de oorlog uit vrees voor bombardementen massaal kunst verscholen werd.

Toen pas beseften de geallieerden dat zich jarenlang een systematisch programma had afgespeeld om kunst uit de bezette gebieden in nazi-Duitsland te centraliseren. Waar was die megalomane kunstdrang op gebaseerd?

tweede wereldoorlog Een Belgische delegatie onder leiding van Leo Van Puyvelde komt de kunst uit België identificeren in Unterstein. Foto uit: Collectie Algoet, 1945 Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij, Brussel

Een Belgische delegatie onder leiding van Leo Van Puyvelde komt de kunst uit België identificeren in Unterstein. Foto uit: Collectie Algoet, 1945 Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij, Brussel

In zijn doctrine schoof Hitler het beeld naar voren van de ariër als schepper en drager van cultuur. Nationaal-socialistische leiders waren culturele leiders. Goebbels schreef ooit in zijn dagboek dat Hitler het betreurde dat sommige van zijn gouwleiders zo weinig met kunst begaan waren. Geen wonder dat figuren uit de nazi-top zich met bekwame spoed assimileerden aan dit ideaalbeeld. Rijksmaarschalk Hermann Göring liet er liever geen twijfel over bestaan: hij noemde zichzelf ‘een renaissanceman’. Op zijn buitengoed Carinhall, ten noordoosten van Berlijn, bouwde hij een fabelachtige collectie uit die hij in 1953, op zijn zestigste, zou openstellen voor publiek. Zo ver is het nooit gekomen.

Zowat alle kopstukken, ook Himmler, Von Ribbentrop, Baldur von Schirach en Speer verzamelden kunst. Goebbels had, ondanks zijn campagne tegen de Entartete Kunst, nog steeds een stiekeme interesse voor moderne kunst. Ook kleinere garnalen hielden er vaak interessante collecties op na. In de literatuur is mooi gereconstrueerd hoe aan de nazi-top een geschenkencultuur bestond. Bij verjaardagen hadden ze liefst een exquis schilderij. Schenkers konden daarvoor putten uit een preselectie die naar de smaak van de gevierde was. Dat hielp voorkomen dat er foute cadeaus gegeven werden.

Daarnaast joeg Hitler een heel specifiek fantasme na. Hij zou een weergaloos kunstmuseum optrekken met alle topstukken uit het Rijk. Op staatsbezoek in Firenze in 1938 zou hij daarvoor de inspiratie hebben opgedaan. Terwijl Benito Mussolini allang dodelijk verveeld was omdat zijn gast maar tussen de kunst bleef rondhangen, bedacht Hitler dat het Derde Rijk zijn eigen Firenze zou krijgen. Dat moest Linz worden, de stad van zijn jeugdjaren. Op plannen is te zien dat hij daarvoor de treinsporen vier kilometer wou laten verleggen.

tweede wereldoorlog De belangrijkste trafieken van kunstwerken uit ons land

De belangrijkste trafieken van kunstwerken uit ons land

Tenslotte was er de rabiate drang om de vernedering van Versailles ongedaan te maken. Na de Eerste Wereldoorlog had Duitsland als een kleuter meesterwerken van vreemde origine moeten afstaan. We vergeten vaak dat stukken als Het Lam Gods en Het laatste avondmaal van Dirk Bouts door een speling van de geschiedenis in Duitsland terecht gekomen waren. Die waren ze nu kwijt. Eens de bezetting een feit was, moesten deze stukken met hoge prioriteit terugkeren naar het Derde Rijk. In het volgende artikel is te lezen welke kanalen nazi-Duitsland opzette om zich kunst toe te eigenen. Ze leenden er zich in elk geval toe om de bezette gebieden grondig af te romen. Voor Hitlers Linz-collectie brachten de directeurs Hans Posse en daarna Hermann Voss zowat 6.700 kunstwerken bij mekaar. Over het geld dat ze daarin investeerden, lopen de versies uiteen. Allicht is die van Reichsminister Lammers, 106 miljoen Reichsmark, de betrouwbaarste. Tenslotte hield hij toezicht op de boekhouding.

Walter Andreas Hofer, die instond voor de uitbouw van de Göring-collectie, schatte na de oorlog dat er rond de 100 miljoen Reichsmark in geïnvesteerd was. Deze verzameling bevatte 1,375 schilderijen en zo’n 250 beelden. Göring heeft blijkbaar weinig scrupules gehad bij de vorming van zijn collectie. Zowat de helft bleek roofkunst.

tweede wereldoorlog Jacob Jordaens, Presentatie van het Jezuskind in de tempel, olieverf op doek, Rubenshuis, Antwerpen

Jacob Jordaens, Presentatie van het Jezuskind in de tempel, ca. 1618, olieverf op doek, 126 x 105 cm Rubenshuis, Antwerpen Foto: Michel Wuyts en Louis De Peuter

Alle wegen leiden naar das Reich

Wat een verwarring en chaos moet er hier na de Duitse bezetting geweest zijn. Net zo goed bij de zoektocht naar verdwenen kunst. Nog tijdens de oorlogsjaren gaf ons land niet meteen blijk van een grote kennis ter zake. Terwijl de Amerikaanse Monuments Men in Zuid-Duitsland en Oostenrijk volop kunstdepots lokaliseerden, wist de Belgische Staatsveiligheid in Londen in 1944 nog niet eens dat Het Lam Gods van de “gebroeders Van Dijck” zich al twee jaar in Duitsland bevond.

Zelfs Belgische diensten die zich specifiek met kunst bezighielden, kwamen van ver. Uit de korte notities in het archief, sommige snel met de hand geschreven, is af te leiden dat er vaak niet meer dan wat losse eindjes waren als vertrekpunt. Vaak ging het om gefragmenteerde inlichtingen van horen zeggen. Uit een Frans rapport kwam Leo Van Puyvelde, directeur-generaal voor de bescherming van het cultureel patrimonium, te weten dat Dr. Herbst de directeur was van het Dorotheum in Wenen. De man “zou in april 1944 twee portretten verworven hebben in Brussel”. Hij moest eens weten. Het waren er bijna twee dozijn.

Het was al maart 1946 als Van Puyvelde via een rapport uit Nederland hoogte kreeg van de activiteiten “d’un certain Mühlmann”. De draagwijdte van deze naam drong duidelijk nog niet door. Kajetan Mühlmann was de pionier die in steeds nieuwe bezette gebieden – eerst Polen, dan Nederland, uiteindelijk Rusland – de kanalen voor kunstverwerving opzette. Het rapport noemde “Lagrand” als één van diens belangrijkste bemiddelaars. Maurice Lagrand was een Brusselse antiquair uit de Regentschapsstraat. Zonder dat hij er erg in had, beschikte Van Puyvelde daarmee over enkele sleutels om het netwerk te doorgronden. Maar hij zag het niet. Hoe zou hij ook?

Tweede wereldoorlog Fiche van de Dienst voor de recuperatie van kunstwerken: Jacob Jordaens, Presentatie van het Jezuskind in de tempel, olieverf op doek, Algemeen Rijksarchief, Dienst voor Economische Recuperatie, Brussel

Fiche van de Dienst voor de recuperatie van kunstwerken: Jacob Jordaens, Presentatie van het Jezuskind in de tempel, ca. 1618, olieverf op doek, 126 x 105 cm Algemeen Rijksarchief, Dienst voor Economische Recuperatie, Brussel

Tweede wereldoorlog restaurateur Jef Van der Veken, Pieter II Brueghel, Kermis met toneel en processie, olieverf op paneel,

Van dit schilderij geeft de fiche restaurateur Jef Van der Veken als eigenaar aan. De vraag is of hij de oorspronkelijke eigenaar was. (Atelier van) Pieter II Brueghel, Kermis met toneel en processie, olieverf op paneel, 111 x 162 cm Herkomst: XXX – Jef Van der Veken (verkocht voor 200.000 Bfr) – Walter Andreas Hofer – Collectie Göring – Restitutie België Nu: Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel Foto: J. Geleyns / Ro scan

Geen tijd te verliezen

Dit artikel brengt in kaart via welke kanalen het Derde Rijk aan kunstverwerving deed. Voor een regime dat we associëren met agressieve inbeslagnames kan het verbazen dat er voor miljoenen Reichsmarken kunst is gekocht. Waar haalde het regime al dat geld? In zijn eerste jaren na de machtsgreep stond het toch op het randje van een faillissement? Hitler puurde fortuinen uit de royalties van Mein Kampf en de postzegels met zijn beeltenis, Göring was van goede komaf en cumuleerde diverse ministerfuncties. Daarenboven zetten ze stichtingen op die door machtige industriëlen werden gespijsd. Zette het Rijk de strijd in tegen de tabaksindustrie, dan kon een substantiële bijdrage een tabaksproducent helpen om buiten schot te blijven. Zodoende beschikten de kunsthistorici die de collecties uitbouwden over haast onbegrensde kaskredieten. Ze omringden zich met kunsthandelaars die bezet Europa afdweilden op zoek naar de betere stukken. Om zijn ambities kracht bij te zetten, formuleerde Hitler in 1938 het Führervorbehalt. Belangrijke kunstcollecties liet hij sicherstellen. Ze kwamen onder tijdelijk beslag te liggen tot hij zijn eerstekeuzerecht kon doen gelden. Medewerkers maakten fotoboeken van het aanbod, zodat de Führer, als bladerde hij in een prospectus, kon beslissen welke stukken hij wou en voor welk museum. De notie “für Linz” kwam vanaf dan veelvuldig voor. Na de oorlog zijn er meer dan honderd van die catalogi teruggevonden.

Tweede wereldoorlog, Rivierlandschap, olieverf op koper, Pieter Smidt van Gelder,  Dienststelle Mühlmann, Jan I Brueghel,

Dit schilderij werd door de Nederlander Pieter Smidt van Gelder verkocht aan de Dienststelle Mühlmann. Smidt van Gelder wou dat de nazi-top wist dat hij het aanleverde. Jan I Brueghel (school), Rivierlandschap, eerste kwart 17de eeuw, olieverf op koper, 10 x 14 cm Herkomst: Eigenaar Smidt van Gelder – In 1941 verkocht aan Dienststelle Mühlmann – Linzcollectie Hitler – Restitutie België Nu: Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel Foto: Grafisch Buro Lefevre, Heule

Terwijl de bezettingslegers zich half mei 1940 nog aan het installeren waren in de Lage Landen, kwam de kunstverwerving al op gang. Göring stuurde op 20 mei zijn collectiebeheerder Andreas Walter Hofer naar Amsterdam, een week later kwam hij zelf ter plaatse. Zoals een galeriehouder na de oorlog zei: “Zag je Hofer, dan wist je dat even later Göring zou komen.” Bij ons is de verzameling van de Brugse bankier Emile Renders in september 1940 tijdelijk sichtergestelt. Daar leest u verder meer over. De man die zich na de oorlog vol vaderlandsliefde aan de restauratie van Het Lam Gods zou wijden, Jef Van der Veken, verkocht tijdens de oorlog Kermis met toneel en processie van Pieter II Brueghel aan Hofer. Het hangt nu in het Museum voor Schone Kunsten Brussel.

De nazi’s hadden kennelijk geen tijd te verliezen. Ze konden vaart maken omdat hun kunstkenners de weg wisten. In Parijs, Amsterdam en Brussel waren ze eerder geweest en ze kenden de adressen van de handelaars. Niet zelden hadden ze er voor de oorlog al zaken mee gedaan. In geen tijd stonden ze in verbinding met plaatselijke kenners die wisten waar de interessante kunstverzamelingen zaten. In de nazi-administratie is te zien dat Jacques De Mul (veilingmeester Paleis voor Schone Kunsten) en Gaston Demeter (financieel beheerder Museum voor Schone Kunsten Brussel) wel wat bruikbare tips hadden. In verhoren is de zeer behoorlijke commissie vermeld die de nazi’s uitbetaalden.

Tweede wereldoorlog, Jules Defort, Cornelis de Vos, Portret van een man, olieverf op paneel,

Van dit schilderij geeft de fiche Jules Defort als eigenaar aan. Defort was een antiquair, niet de oorspronkelijke eigenaar. Cornelis de Vos, Portret van een man, 17de eeuw, olieverf op paneel, 122,5 x 93 cm Herkomst: XXX – Jules Defort (verkocht voor 1.000.000 Bfr) – Georg Schilling – Dr Hermann Voss – Linzcollectie Hitler – Restitutie België Nu: Rubenshuis, Antwerpen

Dienststelle Mühlmann

Los van die contacten werd er werk gemaakt van een georganiseerde aanpak. Al een paar dagen na de capitulatie van Nederland, op 16 mei, richtte Kajetan Mühlmann in Den Haag zijn Dienststelle Mühlmann op. Met een team van enkele kunsthistorici zocht hij in heel de Lage Landen interessante collecties op en deed hij aankopen op de privémarkt. Al vrij snel leverde zijn medewerker Eduard Plietzsch, zelf een gewaardeerd kunsthistoricus, deze nota af: “Il y a des citoyens hollandais qui résident à l’étranger depuis de nombreuses années et y gardent leur collection. Mrs v. Gelder, Uccle, Bruxelles. A Anvers: Smidt van Gelder.”

Over mevrouw Van Gelder leest u verderop een heel hoofdstuk. Pieter Smidt van Gelder is de man die Antwerpen een museum schonk. In het archief van Koblenz zit een getuigenis van Mühlmann over hem: “Hij was bang dat zijn huis en vermogen in België als vijandelijk vermogen onder toezicht zou komen te staan. Het was hem vooral om een permanente reisvergunning tussen Nederland en België te doen. In de herfst van 1940 nodigde hij me bij zich uit in Antwerpen. Dat leidde tot een verkoop van veertien schilderijen voor een bedrag tussen 200.000 en 280.000 gulden. Nadien bood hij ons meermaals kunstwerken aan, die ten dele niet uit zijn bezit kwamen, zodat we dachten dat hij zich met kunsthandel bezighield.” Smidt van Gelder drong er op aan dat zijn naam vermeld werd bij Hitler en Göring. Probeerde hij zijn hachje te redden door zich coöperatief op te stellen? Of pleegde hij economische collaboratie?

Hij was bang dat zijn huis en vermogen in België als vijandelijk vermogen onder toezicht zou komen te staan.
Tweede wereldoorlog, dienststelle Mühlmann, Cornelis Beelt, Het strand in Scheveningen, olieverf op paneel,

Voor dit schilderij vond de Dienststelle Mühlmann een afnemer in München. Via deze dienst geraakten kunstwerken in alle windrichtingen verspreid. Cornelis Beelt, Het strand van Scheveningen, 18de eeuw, olieverf op paneel, 82 x 57 cm Herkomst: XXX – Leroy – Dienststelle Mühlmann – Neuerburg München – Recuperatie België Nu: Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen © Lukas - Art in Flanders – Foto: Hugo Maertens

De diensten van Mühlmann hebben hun werk grondig gedaan. Na de oorlog is zijn Geschäftsbuch teruggevonden. Even bladeren volstaat om tal van Belgische galeriehouders tegen te komen die aan hem verkochten: Arens, Defort, Lagrand, Manteau en Leroy. De Heuvel is sympathiek afgekort tot “Heuvel”. De antiquairs Delplace en Van Herck leverden interieurstukken. Uitermate interessant aan dit kasboek zijn de prijzen. Doorgaans gunde Mühlmann zichzelf een commissie van 10 tot 15 %, Hitler of geen Hitler. Deze Dienststelle heeft er in zijn eentje toe geleid dat kunstwerken in alle richtingen uitwaaierden. Want naast de gekende nazi- kopstukken verkocht hij ook aan veilinghuizen in Berlijn, München en Wenen. Hij verkocht aan gouverneur-generaal Hans Frank, wiens standplaats Polen was. Een centraal kantoor als de Dienststelle Mühlmann was er in België niet. In het Brussels galeriecircuit was er wel een informele invloedsconcentratie. Volgens de Amerikaanse interviewrapporten na de oorlog leidde galeriehouder Maurice Lagrand nazi-Duitsers rond in België en in delen van Frankrijk. Daarbij zou hij belangrijke privéverzamelingen hebben aangeduid. Dat lijkt niet tegengesproken te worden door een getuigenis van Dr. Rosemann die tijdens de oorlog voor de Brusselse Kunstschutz werkte. Volgens hem was Lagrand het hoofd van de kunsthandel, werkte hij bijna exclusief voor de Duitsers en had hij Duitse experten aan zijn zijde. In een rapport met de veelbelovende hoofding “top secret” zit een getuigenis van Paul Coremans, de oprichter van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium. Die hoorde Lagrand bij een incident op een veiling tegen zijn collega’s antiquairs zeggen: “Als je me na de oorlog lastigvalt, praat ik, en daar zullen jullie allemaal verveeld mee zitten.” Zo lang heeft hij niet gewacht. Tegen het einde van de oorlog achtte hij het raadzamer naar Parijs te verhuizen. Hij verhandelde er nog steeds kunst. In het archief in Parijs zitten aanvragen van hem om schilderijen te mogen uitvoeren: onder andere twee van Joos van Craesbeeck voor het Landesmuseum Bonn.

Tweede wereldoorlog, David II Ryckaert, Stilleven met kreeft, olieverf op paneel,

Dit schilderij werd tijdens de oorlog in België gekocht door een Duits museum. Duitse musea kwamen hier tegen gunstige voorwaarden kunst inkopen. (Toegeschreven aan) David II Ryckaert, Stilleven met kreeft, olieverf op paneel, 71 x 105 cm Herkomst: Graaf de Bousies (voor 25.000 Reichsmark) – Kunsthal Hamburg – Restitutie België Nu: Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel Foto: J. Geleyns / Ro scan

Duitse media op koopjesjacht

Naar Bonn? Een weinig bekend onderdeel van de kunstverwerving verliep via Duitse musea die zich niet snel genoeg naar de bezette gebieden konden reppen. In de publieke opinie is er doorgaans mededogen met deze musea: hadden ze niet hun Entartete Kunst moeten afstaan? Toch begaven musea uit het Rijngebied, gemeenzaam de Rhineland Gang genoemd, zich al in het najaar van 1940 als haaien op de markt. De directeur van het Museum für Kunsthandwerk uit Frankfurt deed zijn burgemeester de aanbeveling “deze zich niet snel meer voordoende gelegenheid te benutten”, want de handelswaarde van de objecten “lag in Duitsland minstens 5 tot 6 keer hoger”. De boodschap werd goed begrepen. De burgemeester drong zelfs aan op snelheid, om te verhinderen dat concurrenten hen te snel af waren. Waarop 60.000 Reichsmark ter beschikking werd gesteld voor aankopen in Frankrijk en 20.000 voor België en Nederland.

Dat er concurrentie was van andere musea, was een juiste inschatting. Toen het hoofd van de cultuurafdeling een factuur van 700.000 Reichsmark (waarvan 200.000 in België) voor het Landesmuseum Bonn moest toelichten, minimaliseerde hij dat bedrag door te verwijzen naar andere musea. Volgens zijn informatie hadden Krefeld en Essen eind 1942 elk voor 1,2 miljoen Reichsmark kunst gekocht in de bezette gebieden, Düsseldorf tussen 1,2 en 1,5 miljoen en Keulen alleen nog maar in Frankrijk voor 1,5 miljoen. Het spreekt voor zich dat de hoogste bedragen op een grote kunstmarkt als Parijs uitgegeven werden, maar toch vonden diverse werken vanuit België hun weg naar nazi-Duitsland. Enkele daarvan die na de oorlog werden gerecupereerd, hangen nu in Belgische musea. Daarover meer in de volgende artikels.

Tweede wereldoorlog, Walter Paech, Pieter II Brueghel, Bruiloftsdans, olieverf op paneel,

Dit schilderij werd tijdens de oorlog in het PSK gekocht door bemiddelaar Walter Paech uit Amsterdam. Pieter II Brueghel, Bruiloftsdans, olieverf op paneel, 40,5 x 53,9 cm Herkomst: Eigenaar Frans Heulens – Op 3/11/1941 voor 120.000 BF verkocht aan Walter Paech – Op 11/12/2002 uit familiebezit geveild bij Christie’s Londen (1,2 miljoen dollar hamerprijs)

Ondanks de omvang van deze bedragen, gebeurden deze museumaankopen door kleine delegaties van conservatoren die op prospectie kwamen. En helemaal kleinschalig waren de eenmansoperaties die enkele buitenlandse kunstexperten hier uitvoerden. Deze bemiddelaars hebben een grotere impact gehad op de Duitse kunstverwerving dan tot dusver gedacht. Via buitenlandse databanken zijn voor Georg Schilling, een handelaar uit Keulen, zonder al te veel moeite een dertigtal schilderijen te vinden die door zijn handen gingen. Hij kocht bij galeries als De Heuvel, Defort en Moorthamers, maar nog het meest bij de weduwe Van Gelder. Schilling had toegang tot de allerhoogste nazi-kanalen en verkocht zowel aan de Linzcollectie en Göring, als aan het veilinghuis Dorotheum in Wenen.

Van op het Amsterdamse Rokin, waar hij een kunsthandel had, kwam zeer regelmatig Walter Paech naar België. Hij was zeer bedrijvig, hij verhandelde een veertigtal schilderijen van Belgische herkomst. Paech moet de markt tot in de finesse gekend hebben, want hij kocht meermaals van particulieren. Voorts bestreek hij een breed veld aan galeries. Eén keer organiseerde hij met hun aanbod in Hotel Métropole een kunstverkoop voor Hermann Göring. In het archief in Den Haag zitten enkele losse blaadjes uit zijn notitieboekje, waaruit af te leiden is welke werken van welke galeries daar verkocht werden. Enkele van die werken worden in Nederland nog steeds bewaard als Nationaal Kunstbezit, omdat ze na de oorlog vanuit Duitsland simpelweg teruggestuurd werden naar afzender. Ze kwamen nochtans uit België. Paech kocht tijdens de oorlog in Brussel ettelijke stukken op de veilingen van het Paleis voor Schone Kunsten.

Tweede wereldoorlog, Gillis I Mostaert, Sint-Joriskermis, olieverf op paneel,

Tijdens de oorlog kwam het Duitse museum van Lübeck in België kunst kopen tegen gunstige voorwaarden. Gillis I Mostaert, Sint-Joriskermis, 16de eeuw, olieverf op paneel, 79,1 x 107,4 cm Herkomst: Onbekende eigenaar – Gekocht door Museum für Kunst und Geschichte Lübeck – Restitutie België Nu: Museum voor Schone Kunsten, Gent 

Tweede wereldoorlog, Folville de Liège, triptiek, Rogier van der Weyden, Salve Regina, olieverf op paneel,

Een zekere ‘Folville de Liège’ verkocht tijdens de oorlog deze triptiek in het PSK. Een vrijwillige keuze of in beslag genomen materiaal? Omgeving van Rogier van der Weyden, Salve Regina, 1491-1500, olieverf op paneel, 50 x 33 cm Herkomst: Folville – Veiling PSK 12/5/1941 (260.000 Bfr) – Heinskisters Keulen – Restitutie België Nu: Musée des Beaux-Arts, Doornik

Kunstmarkt oververhit

Dé draaischijf op de Belgische kunstmarkt was het veilinghuis van het Paleis voor Schone Kunsten. Volgens een voorzichtige raming van het ULB-team van Kim Oosterlinck – op onvolledige gegevens – verkocht het PSK tijdens de oorlog 66 % van de kunstobjecten op de Brusselse veilingmarkt. In omzet uitgedrukt was dat zelfs 81,5 %. In tegenstelling tot wat men in crisisjaren tijdens de oorlog zou verwachten, beleefde de kunstmarkt gouden tijden. Daar stonden de bestuurders van het PSK zelf van te kijken. In hun jaarverslag van november 1940 waren ze nog zeer somber. Dat België in een oorlogsconflict zat, had “des répercussions desastreuses”. Voor het eerst sinds de oprichting werd een boekjaar met verlies afgesloten. Een jaar later was er sprake van “une tournure inattendue”. De veilingen brachten “des rentrées tout à fait inespérées”. Plots was er een winst van 695.000 Belgische frank. In november 1942 presenteerde het veilinghuis “le bilan le plus favorable que nous avons jamais conn”’: 2 miljoen frank winst.

Deze wending stond niet op zich. In alle bezette gebieden geraakte de kunstmarkt binnen de kortste tijd oververhit. Al eind 1940 sloeg Hans Posse, directeur van het Linzmuseum, alarm. “Enkele lieden kopen alles op wat ze maar kunnen bemachtigen, en de prijs doet er niet toe”, schreef hij in een rapport. Waarop hij berekende dat er in Nederland alleen al voor 8 miljoen gulden was uitgegeven. Zijn voorstel om een maximumbedrag op Duitse aankopen te zetten, kreeg bij Hitler geen gehoor. Aangedreven door de Duitse kunsthonger keerde de smaak op de markt zich van moderne kunst naar zeventiende-eeuwse Hollandse en Vlaamse meesters. 

Er kwamen meer veilingen, met meer loten en hogere omzetten. In 1943 bereikte de markt een piek. Tegen die tijd waren de prijzen op Franse veilingen verdubbeld, in Nederland vervijfvoudigd. Nadien werd de spoeling dun en zakte de markt in. Deze voorbeelden geven aan dat het koopcircuit van de nazi’s een fijnmazig netwerk was dat zich in de beslotenheid van de kunstwereld afspeelde. Geen wonder dat buitenstaanders geen weet hadden van de stroom kunst die naar het Derde Rijk verhuisde.

Einsatztab Reichsleiter Rosenberg

Nog andere kanalen voor kunstvergaring waren er op uit zo weinig mogelijk stof te maken. Zelfs al betrof het een drieste actie als kunstroof. Daarvoor riep het nazi-regime ideologische gronden in en creëerde het zich sinds de machtsovername in 1933 de gewenste bewegingsvrijheid. Via almaar strakkere verordeningen sloot het net om joodse inwoners van Duitsland zich meer en meer. Joden konden emigreren mits een vluchttaks tot 25% op hun vermogen. In daaropvolgende verordeningen moesten joden zich melden, hun vermogen bekendmaken en uiteindelijk hun winkels of bedrijven stopzetten. Volledig in het nauw gedreven konden joodse kunstverzamelaars geen andere kant meer op dan hun kunst af te staan. Deze batterij verordeningen zou later in alle bezette gebieden, ook bij ons, van toepassing worden. Door deze bepalingen een schijn van wettelijkheid te geven, hoopte het regime paniek en protest te bedaren.

Volledig in lijn met het streven naar ideologische zuiverheid werd de dienst Einsatztab Reichsleiter Rosenberg (ERR) opgericht, genoemd naar zijn inspirator. Alfred Rosenberg droomde van Duitse onderzoeksinstituten die alle kennis van de vijanden centraliseerden. Daarom was hij uit op hun wetenschappelijk toebehoren, hun studiematerialen en archieven. Die ideologische opposanten, dat waren de joden, communisten, socialisten en vrijmetselaars. Bij professoren van vrije universiteiten, linkse politici als Paul Henri Spaak, Camille Huysmans en Leon Springer, bij hogescholen, rabijnen en vrijmetselaarstempels werden eigendommen in beslag genomen. Vaak betrof het boeken en archieven, maar ook schilderijen.

Vanaf januari 1942 kregen de ERR-diensten er een ietwat minder intellectuele taak bij. Op basis van een feilloze administratie werden leegstaande woningen van gedeporteerde of geëmigreerde joden zonder pardon leeggehaald. Meubelen, huisraad, maar ook juwelen, geld, diamanten en kunstvoorwerpen gingen mee op de vrachtwagen. Dat dit een planmatig gebeuren was met concrete doelstellingen, bewijst een uittreksel uit een rapport: “Door de eerste 10.000 getransporteerde joden komen er naar schatting 2.500 jodenwoningen vrij. Die worden vanaf de tweede helft van 1942 leeggehaald.” Toen de bezetters merkten dat opgeroepen joden eerst nog snel hun waardevolle spullen verkochten, werd ook daar een verordening voor uitgevaardigd: voortaan was ook dat verboden. Het getuigde van een cynische berekening om eerst de bewoners te evacueren en pas daarna de woningen te ontruimen. Zo niet bestond het gevaar dat mensen zouden vluchten en misbaar maken.

Tweede wereldoorlog, Kunstveiling in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel, 30 oktober 1942 Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij, Brussel

Kunstveiling in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel, 30 oktober 1942, Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij, Brussel

Deze zogenaamde Möbel Aktion werd met buitengewone precisie in praktijk gebracht. Tegen november 1943 waren er 52.800 woningen verzegeld en 47.500 leeggemaakt. Inboedels werden naar Duitsland overgebracht om de slachtoffers van geallieerde bombardementen uit de nood te helpen. Waardevoller werk werd in opslagplaatsen gestockeerd, zoals de logetempel in de Lakensestraat, een depot in Neder-over-Heembeek of de SS-diensten in Elsene. Transportbedrijven als Arthur Pierre en Wallon Frères waren vragende partij om zo’n rendabel order binnen te slepen. Tegen het eind van de oorlog lieten de vluchtende nazi-strijdkrachten bewust stapels objecten achter in de depots. Ze transporteren vergde te veel organisatie. Maar vooral, zoals ze in een rapport schreven: “der propagandistische Vorwurf des Kunstraubes wäre bedenklicht gewesen.” Toen al waren de nazi’s beducht over de indruk die ze zouden achterlaten.

Los van de ERR-inbeslagnames speelde zich op economisch vlak een consistente afpersing af bij de vijanden van het Rijk. Hogergenoemde reeks verordeningen speelden een ontjoodsing van de economie in de kaart. Bedrijven met joodse zaakvoerders werden ‘geariseerd’ en onder beheer van een Verwalter gesteld. Zaken die modaal presteerden, werden geliquideerd. In een systeem om de Belgische economie zoveel mogelijk leeg te zuigen, waren zij niet meer dan ballast. Van de andere werden de opbrengsten afgeroomd.

Tweede wereldoorlog, kunsthandelaar, David Reder, Pieter Jansz Pourbus, Laatste avondmaal, olieverf op paneel

Kunsthandelaar David Reder was één van de weinigen die na de oorlog geroofde kunst kon recuperen. Dit stuk heeft hij nadien op de markt gebracht, en daar duikt het nog regelmatig op. Pieter Jansz. Pourbus, Laatste Avondmaal, ca. 1562, olieverf op paneel, 162,1 x 195,2 cm Herkomst: Eigenaar David Reder – 1943 inbeslagname ERR – Depot Jeu de Paume – Depot Schloss Kogl – 1949 teruggave aan David Reder – Veiling Weiss Gallery Londen 2009

Roofkunst in omloop

Wat ons in dit verband interesseert, zijn de zaken die kunst verhandelden. Zo werd de galerie van Léon Seyffers in de Regentschapsstraat overgenomen, waarna tal van schilderijen, waaronder werk van Cuyp, Teniers, de school van Rubens en Van Dyck, vooralsnog in beslag werden genomen. De joodse kunsthandelaars David Reder en Paul Frenkel probeerden aan een inbeslagname te ontkomen toen hun opslagplaatsen werden ontdekt. Ze verklaarden dat ze hun stock overgedragen hadden aan de Roemeense consul in Brussel. Een verhaaltje dat de nazi’s doorprikten, waarna de collectie in beslag genomen werd. Reder is één van de weinigen die na de oorlog veel schilderijen kon recupereren: zeker 56 teruggekeerde werken, onder andere van Molenaer, Pourbus, Poussin, Van Cleve en Veronese.

Het waren niet noodzakelijk kunsthandels die veel kunst moesten afstaan aan de nazi’s. Een dramatisch voorbeeld was het transportbedrijf Continentale Menkès, op de Antwerpsesteenweg in Brussel, dat tevens opslagruimte verhuurde. Eerst ontstond een grimmige correspondentie tussen de bedrijfsleiders om aan te tonen dat Menkès, op dat moment ‘op verblijf’ in Massachussets, geen jood was. Van zodra de nazi’s het beheer van het bedrijf begin 1941 overnamen, stroomden de bevelen binnen om opslagruimtes open te maken. Het is pijnlijk hoe het bedrijf geen enkel verweer had om eigendommen van Amerikaanse en Britse vijanden, maar ook collecties van joodse eigenaars te zien verdwijnen. Onder hen de verzameling Oppenheim-Errera, met schilderijen van Emile Claus en Maurice De Vlaminck en beelden van Richard Minne.

In hun streven om de bezette regio te strippen, probeerden de nazi’s zoveel mogelijk onroerend eigendom in handen te krijgen. Een afzonderlijke dienst nam percelen van joodse eigenaars in beheer. Mocht de eigenaar dat toch zelf blijven doen, dan diende hij een percentage van de huurinkomsten af te dragen. Dat aandeel bedroeg aanvankelijk 3 %, maar tegen eind 1942 was het 7 % en midden 1943 al 10 %. Begin 1944 had de dienst bijna 1.500 percelen in zijn beheer. De betere daarvan werden gebruikt om Duitse divisies in te kwartieren. Ook uit die huizen is vaak, waardevolle kunst verdwenen. Zo geschiedde bij de families Bernheim (Foujita, Meunier), Kleinberg (Israels, Laermans) en Menzel (Chagall, Rops).

Tweede wereldoorlog, roofkunst, Gustave Courbet, Kasteel op rotsen, olieverf op doek,

Onderaan op deze DER-fiche is te lezen dat dit doek tijdens de oorlog geveild is, ‘après avoir été volé à des israélites belges’. Het gaat dus om roofkunst. Na de recuperatie na de oorlog werd het opnieuw geveild in het PSK. Gustave Courbet, Kasteel op rotsen, olieverf op doek, 65 x 81 cm Herkomst: Fam Steinman Antwerpen – Veiling PSK 24/11/1941 (lot 13) – Graaf Wolfgang von Moltke – Restitutie België – Veiling PSK mei 1951 (lot 180) Nu: onbekend Algemeen Rijksarchief, Dienst voor Economische Recuperatie, Brussel

In 2008 kwam de Commissie voor Schadeloosstelling aan de Joodse Gemeenschap tot de bevinding dat er twaalf joodse kunstcollecties gespolieerd zijn. Over de verzameling van Hugo Andriesse verneemt u in het volgende artikel meer. Andere grote collecties waren die van Eric Lyndhurst, Alfred Cahen en Hugo Zunsheim. In onze contreien geraakte dus veel roofkunst in omloop. Zoals gezegd werd een deel daarvan opgeslagen in Belgische depots, er werd een deel rechtstreeks afgevoerd naar Duitsland, maar het betere werk werd naar Parijs overgebracht. Het Jeu de Paume gold als centraal inzamelpunt voor kunst uit Frankrijk en België. Daar stond een heel ontvangstcomité klaar om de werken te inventariseren, te beschrijven, te fotograferen, indien nodig te restaureren en dan vervolgens naar Duitsland of Oostenrijk af te voeren. Tenzij er voor die tijd hoog bezoek kwam. Dat gebeurde meermaals in de figuur van Rijksmaarschalk Göring die tussen het oorlog voeren door de tijd vond om naar Parijs af te zakken. Tussen november 1940 en januari 1943 werd hij 21 keer opgemerkt in het Jeu de Paume om er zijn collectie te verrijken.

 

tweede wereldoorlog
Tweede wereldoorlog, Jan Steen, Het tafelgebed, olieverf op doek, Albert Cuyp, Portret van een burgerpaar in een landschap,

Links: Deze Jan Steen van de familie Andriesse werd tijdens de oorlog geroofd, maar nadien teruggegeven. Jan Steen, Het tafelgebed, olieverf op doek, 49 x 59 cm Herkomst: Eigenaar Hugo Andriesse – 1943 inbeslagname ERR – Depot Jeu de Paume – Depot karthuizerklooster Buxheim – Maart 1947 teruggave aan Elisabeth Andriesse Bundesarchiv, B 323 Bild-0857-022 / Foto: o.Ang.

Rechts: Ook deze Albert Cuyp kon de familie Andriesse na de oorlog recupereren. Albert Cuyp, Portret van een burgerpaar in een landschap, olieverf op doek, 81 x 64 cm Herkomst: Eigenaar Hugo Andriesse – 1943 inbeslagname ERR – Depot Jeu de Paume – Collectie Göring – 1946 teruggave aan Elisabeth Andriesse Bundesarchiv, B 323 Bild-062-016 / Foto: o.Ang.

En dan nu een boude hypothese. Onderzoekers hebben achterhaald dat er rond het Jeu de Paume een satellietwerking bestond. Kunstwerken die de lat niet haalden om naar Das Reich te vertrekken, kwamen terecht bij Duitsgezinde galeries en kunsthandels. Zo konden de werken tenminste nog ten gelde worden gemaakt om de oorlogskas te spijzen. Zou er in België, waar eveneens roofkunst in omloop kwam, op een vergelijkbare manier kunst verkocht zijn ten voordele van het naziregime? En waar zou dat dan gebeurd zijn? De plausibelste plek is allicht de draaischijf van de kunstmarkt, het Paleis voor Schone Kunsten, dat trouwens ten dele bezet was door de nazi’s.

Zou het? De reconstructie van de kunstmarkt tijdens de Tweede Wereldoorlog vertoont een gruwelijke lacune. De archieven met de veilingverkopen van het Paleis voor Schone Kunsten zijn onvindbaar. Ofwel zijn ze verloren, ofwel vernietigd of wie weet hebben de nazi’s ze, zoals wel meer bewijsmateriaal, meegenomen naar Duitsland. Tot dusver waren er vermoedens, maar geen bewijzen, dat er roofkunst verkocht werd in het PSK. Via een omweg langs andere archieven denken we nu het bewijs te kunnen leveren.

Hoewel we geen enkele aanwijzing kunnen vinden dat Château sur les rochers van Gustave Courbet tijdens de oorlog ons land verlaten heeft, komen we wel een fiche tegen waarop staat dat het nadien is teruggekeerd. Er staat letterlijk op dat “cette toile était volée à des israélites belges”. Bovendien is het na die diefstal geveild in het PSK, en wel op 24 november 1941. Van nog een ander werk, een genretafereel van Leandro Bassano, kunnen we de terugkeer na de oorlog aangrijpen om terug in de tijd te gaan. Het schilderij keert terug uit Schloss Kogl en draagt als stempel van de nazi-administratie BN77 mee. Die code wijst er op dat het ERR-roofkunst is. In de catalogi van het PSK treffen we het werk van Bassano, met dezelfde foto, aan op een veiling van 21 tot 23 november 1941. Althans op basis van deze twee voorbeelden kunnen we besluiten dat er tijdens de oorlog roofkunst werd verkocht in het PSK. Veel is het niet, maar wel een voet tussen de deur. En een aansporing om deze stelling verder te onderzoeken.

Tweede wereldoorlog, Andriesse, Salomon van Ruysdael, Rivieroversteek, olieverf op doek,

Dit geroofde schilderij uit de collectie Andriesse kwam na de oorlog terug naar België, maar volgens de gegevens van het ERR-project is het niet gerestitueerd aan de familie en bijgevolg nog steeds zoek. Salomon van Ruysdael, Rivieroversteek, olieverf op doek, 100 x 145 cm Herkomst: Eigenaar Hugo Andriesse – 1943 inbeslagname ERR – Depot Jeu de Paume – Collectie Göring – Transport Parijs – Transport België Bundesarchiv, B 323 Bild-062-013 / Foto: o.Ang.

Verlinkt door de privéchauffeur

Alles was geregeld, dacht Hugo Andriesse. Hij runde de Brusselse vestiging van het nog prille concern Unilever. In zijn woning in de Klauwaartslaan 24 in Elsene had hij een fijne verzameling kunstwerken van Nederlandse meesters en een fraaie reeks wandtapijten. In 1939 besefte hij dat zijn joodse afkomst hem problemen kon bezorgen.

Daarom bracht hij zijn schilderijen in bewaring in de depots van het Jubelpark. Op een geïmproviseerde acte noteerde directeur Jean Capart dat hij “28 caisses plombées” in ontvangst genomen had. Daar zat werk in van Rembrandt, Jan Steen, Albert Cuyp, Simon van Ruysdael en Caspar Netscher. Voor zijn oosterse tapijten had hij een ander plan. Die bracht hij onder bij een tapijtenhandel. Toen verliet hij met zijn vrouw Elisabeth het land. Hun privéchauffeur reed hen naar Portugal; van daar zouden ze de oversteek naar New York maken. De kunstcollectie zouden ze laten nasturen. Hun huis lieten ze achter. Dat zorgde wel voor zichzelf. Wisten zij veel dat de nazi-bezetters ondertussen de stad uitkamden naar joods bezit. Al in 1941 stelden ze een fiche op dat Andriesse een “Geflüchteter Jude” was. Hetzelfde jaar werd hij als vijand beschouwd omdat hij er onwettige vermogensactiva op nahield. Niets hield de ERR-diensten nog tegen om het huis in Elsene leeg te halen. Ze waren immers in orde, althans met de door henzelf uitgevaardigde verordeningen.

Maar de kunstverzameling, waar was die naartoe? Uit de zaak-Andriesse blijkt hoe alle geledingen van het nazi-apparaat erop gespitst waren om kunst te verwerven. In dit geval kwam de impuls uit de gevangenis, waar een opgepakte kunsthandelaar maar wat graag informatie wou geven in ruil voor zijn vrijheid. Hij had gehoord dat Andriesse iemand zocht om zijn kunst over te brengen. Door interesse te veinzen was hij te weten gekomen dat de collectie in een Brussels museum zat en dat de chauffeur Jean heette. Misschien wou die, mits een financiële tegemoetkoming, wel getuigen. Dat wou Jean wel, “aangezien hij de kunstwerken zelf met een vrachtwagen naar een museum had gereden.”

Tweede wereldoorlog, collectie Andriesse, Nicolas Maes, In de winkel, olieverf op paneel

Dit geroofde schilderij uit de collectie Andriesse is nog altijd zoek. Nicolas Maes, In de winkel, olieverf op paneel, 75 x 61 cm Herkomst: Eigenaar Hugo Andriesse – 1943 inbeslagname ERR – Depot Jeu de Paume – Depot karthuizerklooster Buxheim - Bundesarchiv, B 323 Bild-0857-023 / Foto: o.Ang.

In maart 1943 werd de collectie overgebracht naar het Jeu de Paume, op dat moment een centraal depot waar alle roofkunst uit Frankrijk en België samenkwam. De stukken werden er nauwgezet geïnventariseerd. Directeur Kurt von Behr en zijn briljante medewerker Bruno Lohse beslisten welke werken naar Duitse verzamelingen mochten en welke hun weg vonden op de Parijse markt. Via zijn intimus Lohse kwam Hermann Göring doorgaans zeer vlug te weten welke lekkere hapjes er te rapen waren. Führervorbehalt of niet, hij kwam regelmatig naar Parijs om zijn keuze te maken. Drie dagen voor de aanval op Pearl Harbour vond hij nog de tijd om nieuwe aanwervingen te doen voor zijn collectie.

Göring was gecharmeerd door de collectie Andriesse. Hij koos negen van de 28 schilderijen en enkele tapijten. Andere schilderijen vonden hun weg naar andere Duitse bestemmingen, zoals de opslag in het karthuizerklooster in Buxheim. In de depots van Göring en Buxheim konden de Monuments Men na de oorlog diverse stukken recupereren. Mevrouw Elisabeth Andriesse, weduwe ondertussen, kreeg er meer dan twintig terug, waaronder werk van Albert Cuyp, Gerard ter Borch, Gerard Dou, twee van Gabriel Metsu, Jan Steen en Eglon van der Neer.

Tot op de dag van vandaag zijn nog ettelijke stukken uit de collectie zoek. Als zich nieuwe kansen aandienden, deinsde Göring er namelijk niet voor terug om werken te ruilen. Uit de collectie-Andriesse ruilde hij twee landschapjes van Salomon van Ruysdael met de Amsterdamse handelaar Jan Dik, die ze vervolgens doorverkocht aan het Weense veilinghuis Dorotheum. Voorts zijn er na de bevrijding uit Görings verzameling stukken geplunderd.

Was Vrouw met papegaai van Caspar Netscher er zo eentje? In juni 2014 viel het waakzame oog van de Cel Recuperatie Geroofde Goederen op het werk, dat bij Christie’s in New York geveild werd. Decennialang zat het in de depots van het Von der Heydt Museum in Wuppertal. Tot het in 2009 enkele maanden openbaar ging tijdens een tentoonstelling. Via de catalogus spoorde een Amerikaans advocatenkantoor het op. Het verdedigt de belangen van de erven Andriesse, een stichting voor goede doelen. Op de veiling haalde het werk vijf miljoen dollar. De zaak-Andriesse is nog steeds niet afgesloten. Werken van Pieter Cornelisz van Slingelandt en Nicolaes Maes zijn nog altijd zoek. En een kleine Van Ruysdael.

Tweede wereldoorlog, Andriesse, Caspar Netscher, Vrouw die een papaegaai voedert, olieverf op paneel,

Dit geroofde schilderij van de familie Andriesse bleef na de oorlog decennia lang vermist, tot het in 2014 opdook in een Duits museum. Ondertussen hangt het in Washington. Caspar Netscher, Vrouw die een papegaai voedert, 1666, olieverf op paneel, 46 x 37 cm Herkomst: Eigenaar Hugo Andriesse – 1943 inbeslagname ERR – Depot Jeu de Paume – Collectie Göring – Na oorlog geveild bij Galerie Abels Keulen – 1952 schenking Von der Heydt Museum Wuppertal – 2014 teruggave erven Andriesse – 2014 Christie’s New York – Kunsthandelaar Richard Green – Via schenking naar National Gallery of Art, Washington 

Tweede Wereldoorlog

Gedistingeerde heren op de stoep

Halverwege de vijftig was mevrouw Van Gelder, geboren Göretzky, toen de oorlog uitbrak. Tot enkele jaren tevoren had ze in de De Frélaan in Ukkel gewoond, in Chateau Zeecrabbe. Het oude kasteel had ze laten slopen en op het parkdomein had ze een nieuw, eclectisch gebouw laten optrekken. Dat verkocht ze in 1937 aan de Russische ambassade. Die zit trouwens nog steeds op dat adres.

Tweede wereldoorlog, collectie Van Gelder, drukkersfamilie, Moretus, Peter Paul Rubens, de drie koningen, Rubenshuis, Museum Plantin-Moretus, De Ethiopische koning,

Dit schilderij uit de collectie Van Gelder werd in de zeventiende eeuw door de drukkersfamilie Moretus besteld bij hun huisvriend Peter Paul Rubens. Het is één werk uit een reeks van de drie koningen. Na de oorlog werd het geveild; de koper schonk het in 1951 al aan het Rubenshuis. In 2000 kocht de stad Antwerpen het voor het Museum Plantin-Moretus, zodat het opnieuw op zijn oorspronkelijke plek hangt. In 2015 bracht de National Gallery in Londen de drie werken voor het eerst sinds 1881 opnieuw samen. Peter Paul Rubens, De Ethiopische koning, 1630-33, 64,5 x 49,5 cm Herkomst: Veiling Drouot Parijs - Van Gelder - Georg Schilling - Collectie Göring - Restitutie België - Veiling PSK januari 1950 (lot 88) -1951 bruikleen Rubenshuis - 2000 Museum Plantin-Moretus Nu: Museum Plantin-Moretus, Antwerpen – UNESCO Werelderfgoed

Zelf was ze een eind verderop gaan wonen, in de Saturnusstraat. Sinds 1929 was ze weduwe, maar ze bezat nog steeds tal van kunstwerken van haar echtgenoot. Michel van Gelder had in de jaren 1890 met een vennoot op grote schaal kunst verhandeld aan nieuwe rijke Amerikanen. Deze industriëlen, financiers en rechters wensten zich, zonder veel kennis van zaken, te onderscheiden met historische stukken uit het oude continent. Eigenlijk vroegen ze bedrogen te worden. Een wens die Van Gelder en zijn vennoot met graagte inwilligden, door correcte werken te mengen met kopies en optimistische toeschrijvingen. Toen er processen dreigden, was Van Gelder de handige jongleur die de brandjes moest blussen. Tijdens de oorlogsjaren bleef mevrouw Van Gelder gedistingeerde heren ontvangen. Daar had ze zelf alles voor in het werk gesteld. Zowat in alle richtingen, naar Luxemburg, München en Poznan, stuurde ze brieven met verkoopvoorstellen voor een belangrijk pakket schilderijen. Gezien de kunsthonger van het Derde Rijk was het niet verbazingwekkend dat ze vooral onderhandelingen in het Duits zou voeren.

Voor Göring en Hitler

Amper een jaar na de Duitse bezetting sloot de dame al een mooie transactie. Daarvoor ontving ze meermaals Georg Schilling, een kunsthandelaar die voor het Linzmuseum onze contreien prospecteerde. Ondanks zijn mandaat voor Hitler sloot Schilling zijn eerste aankoop bij Van Gelder af voor Göring. Er is stevig onderhandeld over de acht werken, waaronder een Rubens en een werk uit de school van Van der Weyden. Ofschoon de vraagprijs 387.000 Reichsmark bedroeg, is op de verkoopacte 220.000 Reichsmark genoteerd. De handtekening is van Walter Andreas Hofer, de collectiebaas van Göring. Schilling krijgt als aanbrenger tien percent.

Tweede wereldoorlog, Isaac Wigans, Stilleven, olieverf op paneel, Maurice Legrand, Van Gelder, Dorotheum

] In juni 1944 verkocht de weduwe Van Gelder via kunsthandelaar Maurice Lagrand onder andere dit werk aan het Weense veilinghuis Dorotheum. Isaac Wigans, Stilleven, olieverf op paneel, 60,6 x 76,5 cm Herkomst: Van Gelder – Maurice Lagrand – Dorotheum – Linzcollectie Hitler – Restitutie België Nu: Musée des Beaux-Arts, Luik

De Rubens in deze eerste verkoop is een verhaal apart. Het ging om een Moorse koning, die in een collectiecatalogus van Van Gelder uit 1911 duidelijk herkenbaar is op een interieurfoto. In het laatste kwart van de negentiende eeuw was hij een paar keer geveild bij Drouot in Parijs. Het is niet duidelijk of daar toen ook de Vlaamse voorgeschiedenis bij vermeld stond. Het ging namelijk om een schilderij dat Balthasar Moretus, een lid van de bekende Antwerpse drukkersfamilie, had besteld bij Peter Paul Rubens. Het maakte deel uit van een reeks van de drie koningen. Toen het werk na de oorlog terugkeerde naar België, werd het in januari 1950 geveild (lot 88) en voor 240.000 frank aangekocht door Gaston Dulière. Die gaf het in bruikleen aan het Rubenshuis. In 2000 kon de stad Antwerpen het kopen voor het Museum Plantin-Moretus, waar het nog steeds hangt.

Mevrouw Van Gelder was allerminst partijdig in haar cliënteel. Via dezelfde Schilling sloot ze een overeenkomst voor de Linzcollectie van Hitler. Daaronder stukken van Jan de Bray en Caspar Netscher. De hoogste prijzen haalde ze met een Moeder en kind van Rogier van der Weyden (80.000 Reichsmark) en een portret van een jongetje van Frans Hals, die in de oorlogsadministratie Franz heette. Daar kreeg ze 60.000 Reichsmark voor, maar ze kon er dan ook certificaten van Hofstede de Groot en Bode bijleveren.

maar de prijs was zo gunstig dat we hem in Duitsland of Nederland met veel winst voor een belangrijker stuk kunnen omruilen.
Tweede wereldoorlog, Jacob Jordaens, Een apostel, olieverf op paneel, Lagrand, Dorotheum

Deze Jordaens verkocht Van Gelder in 1944 via Lagrand aan het Dorotheum, waarna het achter het IJzeren Gordijn belandde. Daar mocht het voormalige West-Duitsland ons land niet helpen bij zijn zoektocht. Jacob Jordaens, Een apostel, 1623-25, olieverf op paneel, 68,5 x 51,5 cm Herkomst: Van Gelder – Lagrand – Dorotheum – Narodni Nu: Národní Galerie, Praag

De Duitse musea van de Rhineland Gang schreven al in februari 1941 in hun enthousiaste verslagen dat ze voor drie weken op prospectiereis gingen om “für westdeutsche Museen wichtige Arbeiten in Frankreich und Belgien zu erledigen.” In 1942 vonden ze de weg naar Ukkel. De conservatoren van het Landesmuseum Bonn hadden niet de intentie om lang te dralen, ze namen alvast een optie op een Jan Gossaert, Jacob Jordaens en Ferdinand Bol. Een Jan Steen namen ze er bij. Dat hoefde niet per se, “maar de prijs was zo gunstig dat we hem in Duitsland of Nederland met veel winst voor een belangrijker stuk kunnen omruilen.” Kostprijs voor zes werken: 150.000 Reichsmark.

Zou mevrouw Van Gelder in juni 1944 beseft hebben dat haar laatste kans op een monsterdeal aangebroken was? Op een tijdstip dat de geallieerden al geland waren op Normandië riep ze de diensten in van galeriehouder Maurice Lagrand. Hij stond dicht bij de kunstcenakels van de nazi’s en organiseerde een verkoop via het Weense veilinghuis Dorotheum. Van Gelder verkocht in één klap 29 schilderijen, waarvan zeven van Jacob Jordaens alleen al. Niets deed vermoeden dat het Derde Rijk op wankelen stond. De Reichsmarken vlogen in duizelingwekkende vaart richting Ukkel. Voor een stilleven van Isaac Wigans kreeg ze 15.000 RM, voor twee portretten van Lorenz Strauch 16.000 en 25.000 RM. Een Esaias van de Velde en een Hendrik van Balen brachten elk 40.000 RM op. Een Abraham Janssens 60.000 RM en een Meester van Messkirch 70.000 RM. Zowat alle stukken verkocht het Dorotheum daarna verder, soms voor het dubbele van de prijs. Het Linzmuseum bood volop mee, alsof het elk ogenblik kon opengaan.

Tweede wereldoorlog, Van Gelder, Hendrick I van Balen, Jan I Breughel, De inzameling van het manna, olieverf op koper,

Dit werk van Van Gelder werd na de oorlog gerestitueerd aan België en geveild in het PSK. Nadien dook het nog op op de kunstmarkt. Hendrick I van Balen en Jan I Breughel, De inzameling van het manna, 1589-1625, olieverf op koper, 50,8 x 71,2 cm Herkomst: Van Gelder – Lagrand – Dorotheum – Linzcollectie Hitler – Altaussee – Restitutie België – Veiling PSK januari 1950 (lot 47) – 2009 en 2010 veilingen Christie’s Londen RKD-Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis

Terug in ons land

Veel schilderijen uit de Saturnusstraat zijn na de oorlog teruggevonden in de collecties van Hitler en Göring, alsook in het Landesmuseum Bonn. Ze keerden terug naar België. Toen rees de vraag: wie komen ze toe? Met de Conventie van Londen van 1943 nog vers in het achterhoofd was de kwestie snel beslecht. De geallieerde landen spraken er af dat elke transactie met nazi-Duitsland als nietig werd beschouwd. Aangezien mevrouw Van Gelder wegens de hausse op de kunstmarkt vorstelijk vergoed was, nam de Belgische staat de werken in ontvangst. De weduwe probeerde nog wel. Ze meldde zich omdat ze in Le Soir Illustré de man herkend had aan wie ze schilderijen verkocht had: Walter Andreas Hofer. Daar was ze toe gedwongen geweest, verklaarde ze, omdat de Russische ambassade de huur niet betaalde en ze in financiële nood zat. Acht werken had ze verkocht, zei ze, aan 176.000 RM en ze was bereid alles terug te kopen. Toen had men de acte nog niet gevonden dat ze 220.000 RM geïncasseerd had.

In onze belangrijkste musea hangen werken die uit de collectie-Van Gelder komen. Het Museum voor Schone Kunsten Brussel heeft er vier, onder andere een Meester van Alkmaar (Göring) en hogergenoemde Esaias van de Velde (via Dorotheum naar Hitler). Het Museum voor Schone Kunsten Antwerpen heeft er drie, waaronder De fruitverkoopster van Jordaens (via Dorotheum naar Hitler) en de Madonna van Jan Gossaert, die ondertussen slechts een navolger blijkt te zijn (Landesmuseum Bonn). De heilige familie uit de school van Rogier van der Weyden (Göring) hangt in Doornik. Luik heeft de hogergenoemde Wigans. Het Rubenshuis kreeg twee schilderijen van Jacob Jordaens die in de Hitlercollectie beland waren.

Tweede wereldoorlog, Van Gelder, Landesmuseum Bonn, Jan Gossaert, Madonna, olieverf op paneel

Dit schilderij verkocht Van Gelder aan de Duitse musea die in de bezette gebieden voordelig kunst wilden verwerven. In dit geval het Landesmuseum Bonn. Jan Gossaert (navolger), Madonna, 16de eeuw, olieverf op paneel, 20 x 14,5 cm Herkomst: Van Gelder – Landesmuseum Bonn – Restitutie België Nu: Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen 

In zes veilingen waar de Belgische staat na de oorlog gerecupereerde kunst verkocht, werden meer dan twintig stukken van Van Gelder te koop aangeboden. Naast de Moorse koning van Rubens (Göring), waren dat een Jan Steen en een Netscher (allebei Bonn). Er werden twee schilderijen van Jacob Jordaens verkocht: een Pomona (Dorotheum) en De vruchtbaarheid (Bonn). Het verzamelen van het manna door Hendrik van Balen dat na de oorlog geveild werd, dook in 2010 nog op bij Christie’s Londen. Het werd verkocht voor 177.000 dollar.

Minstens evenveel stukken zijn nooit meer opgedoken. Werken die bij het Dorotheum geveild werden, verdwenen in alle windrichtingen. In sommige gevallen leidde het spoor achter het IJzeren Gordijn, een terrein waar het voormalige West-Duitsland niet mocht komen om ons land te helpen zoeken. Via de veilingboeken van het Dorotheum konden we er vier opsporen in Praag: Hoofd van een apostel en Een gek, allebei van Jacob Jordaens, een vissenstilleven van Abraham van Beyeren en Atelier van een schilder door Alessandro Magnasco. De conservatoren bevestigden dat de werken nog steeds in de collectie zitten en via de technische fiche is de herkomst van Van Gelder bewezen.

Andere werken bevinden zich nog steeds onder de radar. Daaronder stukken van Rembrandt, Goya, Frans Hals, Tintoretto, Joos van Cleve, Cornelis de Vos en een stuk of drie Jordaensen. Althans, onder die naam zijn ze te koop aangeboden.

Tweede wereldoorlog, triptiek Jan Crabbe, Emile Renders, Göring, Hans Memling, Annunciatie, olieverf op paneel

Deze twee luiken van de triptiek-Crabbe zaten in het pakket kunst dat Emile Renders in 1941 aan Göring verkocht. Hans Memling, Annunciatie-triptiek van Jan Crabbe (buitenluiken), ca. 1467-1470, olieverf op paneel, 83,2 x 26,5 cm Herkomst: Emile Renders – Walter Andreas Hofer – Collectie Göring – Restitutie België Nu: Groeningemuseum, Brugge

Tweede wereldoorlog, Emile Renders, Hermann Göring, Quinten Metsys, Maria met kind, olieverf op paneel

Na een flirt van een half jaar verkocht Emile Renders in maart 1941 onder andere dit werk aan Hermann Göring. Quinten Metsys, Maria met kind, olieverf op paneel, 47,5 x 34 cm Herkomst: Emile Renders – Walter Andreas Hofer – Collectie Göring – Restitutie België Nu: Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel Foto: F. Maes (KMSKB)

Onder belangstelling van de rijksmaarschalk

De Brugse bankier en kunstverzamelaar Emile Renders was iemand om rekening mee te houden. In het kunstmilieu had men vanaf de jaren ‘20 zijn faam zien groeien als expert van oude kunst. Daar droeg hij actief toe bij. Telkens hij een verwerving deed, wist hij de kanalen te bespelen om dat wereldkundig te maken. En als de pers zijn verhalen niet oppikte, droeg hij ze zelf wel uit, via lezingen en artikels in vakbladen. Al in 1927 kon hij zich internationaal in de kijker werken. In de Belgian exhibition in het Londense Burlington House vormde zijn collectie early Flemish paintings een onderdeel van de afdeling oude kunst. In de catalogus werd hij omschreven als een prospectant die la Flandre profonde afreisde om er boven de schouw tal van meesterwerken aan te treffen. Gewaardeerd kunstprofessor Georges Hulin de Loo was zo vriendelijk om op te schrijven dat ze “voor het eerst uit de anonimiteit kwamen.”

Ongeduld en druk

België was nog niet lang bezet toen in september 1940 de Brusselse veilingmeester Jacques De Mul naar de collectie kwam kijken. Hij was in gezelschap van Walter Paech, de Duits-Amsterdamse kunsthandelaar die we in dit nummer al eerder tegenkwamen. Die zag voldoende potentieel in de Van der Weyden, Memling en Metsys om er een fotocatalogus van door te spelen aan Walter Andreas Hofer, de hoofdinkoper van Hermann Göring. Per kerende gaf de Rijksmaarschalk bevel om te kopen. Om te vermijden dat er iets spaak zou lopen, liet hij alvast de Divisenschutz de collectie bevriezen. Sicherstellen, heette dat.

Toch kwam het het eerstvolgende half jaar niet tot een overeenkomst. Renders hield vast aan zijn prijssetting en drong aan op uitbetaling in dollars of goud. In het archief zitten meerdere brieven waarin hij zelf Paech blijft benaderen. Die vertrouwde hij blijkbaar. Gezien zijn gezondheidstoestand, zo schrijft hij op 27 december 1940, wil hij niemand ontvangen “que vous seul”. Hij maakt zijn beklag dat Hofer maar 5/7 van zijn vraagprijs wil bieden in Belgische frank. Hoe meer tijd er overheen gaat, is hem gemeld, hoe meer de interesse vervliegt. Renders zegt niet te kunnen instemmen met een bod dat verder verlaagt tot 4/7, weliswaar in dollars.

Uiteindelijk is voor Göring de maat vol. Of Renders eindelijk eens kan beslissen, schrijft hij op 17 maart 1941, want anders “kan hij niet voor de veiligheid van zijn collectie instaan.” Niet veel later koopt hij de verzameling voor elf miljoen Belgische frank en een gedeelte in gulden. Na deze transactie blijft Renders zelf contact zoeken met Duitsgezinde kunstverkopers. Onder andere aan Alois Miedl, die na de ‘arisering’ de Amsterdamse galerie van Goudstikker overgenomen heeft, schrijft hij dat hij een aardige reeks gotische beelden te koop aanbiedt.

Van heel de collectie is na de oorlog maar een beperkt deel teruggevonden in Berchtesgaden, waar Göring met enkele treinstellen kunst naartoe gevlucht was. Nog voor de geallieerden er de hand konden op leggen, was er een gedeelte van geplunderd. Nadien bleken zelfs de kunstdepots van de Amerikanen niet waterdicht. Van wat er wel terugkeerde naar België, werden in 1951 acht werken verdeeld onder onze musea. De Madonna van Quinten Metsys hangt, met twee andere werken, in het Museum voor Schone Kunsten van Brussel. De collega’s in Antwerpen hebben twee stukken, waaronder een Annunciatie van de Meester van Baronchelli. Het museum van Doornik heeft een Madonna en kind van Van der Weyden en het Groeningemuseum in Brugge twee Memlings van de Crabbe-triptiek.

Tweede wereldoorlog, collectie Renders, Göring, Vermeer, Miedl,  Metropolitan, Man van smarten met knielende schenker, olieverf en tempera op paneel, Emile Renders, Walter Andreas Hofer,  Ruil, Goudstikker, Hester Diamond New York

Dit stuk uit de collectie Renders ruilde Göring bij de galerie Goudstikker/Miedl tegen een valse Vermeer. Nadien bracht Miedl, uitgeweken naar Spanje, het opnieuw op de markt. Na een onderzoek bij het Metropolitan bleek het ingrijpend gerestaureerd. Anoniem, Man van smarten met knielende schenker, laatste kwart 15de eeuw, olieverf en tempera op paneel, 45,7 x 31,8 cm Herkomst: Emile Renders – Walter Andreas Hofer – Collectie Göring – Ruil Goudstikker/Miedl – 1969 Hester Diamond New York – 1974 Christie’s Londen – Metropolitan Nu: Metropolitan Museum, New York

Weinig teruggevonden

Deze verdeling onder de musea maakte Renders erg geprikkeld. Zoals gezegd was hij een man om rekening mee te houden. Zonder scrupules zocht de bankier in 1951 zijn gelijk voor de rechtbank. Daarbij putte hij alle mogelijkheden uit om aan te tonen dat hij slachtoffer van een gedwongen verkoop was geweest. Eerst zei hij dat hij niet betaald was. Toen dat niet werkte, voerde hij aan dat de Belgische franken en guldens sterk gedevalueerd waren. Uiteindelijk schermde hij met de intimiderende brief van Göring. Amerikaanse ondervragers waren in een rapport al tot de bevinding gekomen dat er weliswaar schriftelijke bewijzen waren dat Göring druk had uitgeoefend, maar dat er ook “uitvoerig bewijs was dat Renders de onderhandelingen eerder gerekt had om meer winst te maken dan uit weerzin om te verkopen.” De Belgische rechtbank volgde die zienswijze, ook nadat Renders in beroep gegaan was tegen de beslissing. In 1952 zou de staat nog twee zestiende-eeuwse werken, waaronder een Jan Provost, uit zijn voormalig bezit veilen.

Een andere reden waarom er zo weinig van de collectie werd teruggevonden, is dat Göring niet alleen een mateloze aankoper was, maar ook een trouweloze eigenaar. Hij ruilde vaak stukken. Een flink deel van de collectie-Renders zat bij de 140 schilderijen die de Rijksmaarschalk in februari 1944 met Goudstikker/Miedl ruilde tegen Christus en de overspelige vrouw van Vermeer (dat later een vervalsing van Van Meegeren bleek te zijn). Langs die weg verdwenen diverse stukken in het kunstcircuit. Toen Miedl tegen het eind van de oorlog met de zegen en een uitreisvisum van Göring naar Spanje vluchtte, nam hij diverse stukken uit de collectie van Renders mee. Onder andere een Jan Gossaert, een Lucas Van Leyden, Rogier van der Weyden en een Jan Provost.

Mondjesmaat dook er wel eens eentje op. Het bekende thema van de Heilige Hieronymus met zijn leeuw, door Joachim Patinir, kwam in 2004 bij Christie’s Londen op een veiling. Zo’n tien jaar geleden kwam Moeder met kind van Jan Provost in de pers, nadat het in het Utah Museum of Fine Arts bleek te hangen.

Tweede wereldoorlog, Hans Memling, Renders, Göring, Maria met kind en een engel, olieverf op paneel,

Deze Memling van Renders gaf Göring aan de Amerikanen toen hij zich overgaf. Het bleef jaren onder de radar. Het blijkt in Frans privébezit. Hans Memling, Maria met kind en een engel, einde 15de eeuw, olieverf op paneel, 22 x 13,5 cm Herkomst: Emile Renders – Walter Andreas Hofer – Collectie Göring – xxx – Hilde Becker – Galerie G. Cramer – Franse privé-eigenaar Nu: Franse privé-eigenaar RKD-Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis

Revelerend was echter de vroeg vijftiende-eeuwse Man van smarten die het Metropolitan in 1974 aankocht. Vrij snel na een wetenschappelijk onderzoek bleek dat het grootste stuk van de compositie authentiek was, maar dat er daaromheen duchtig op los was gerestaureerd. Niet alleen bleek Göring dus nogmaals in de luren gelegd, maar werd ook duidelijk hoe Emile Renders op zo’n korte tijd aan zijn fabelachtige verzameling was gekomen. Hij bleek er een voorspoedige samenwerking met de latere Lam Gods-restaurateur Jef Van der Veken op na te houden, voor wie hij uitgeleefde schilderijen op de kop tikte die nadien ‘als nieuw’ uit het atelier kwamen. Met een stuk uit de Renders-collectie is het uitkijken, weet men sindsdien.

Met hetzelfde mysterie is het paneeltje Madonna met kind en engel omkleed. Dit stuk van Hans Memling behield Göring wel. Meer zelfs, het zat in zijn bagage toen hij zich op 9 mei 1945 overgaf aan het Amerikaanse leger. In ruil voor propere kleren en zijn Bismarck-kostuum droeg hij het over aan majoor Kubala. Het zou echter zoek geraken in de kunstdepots en administratief verward worden met een Memling van de Parijse familie Rothschild. De Belgische autoriteiten gingen er altijd van uit dat het, zoals wel meer oorlogstrofeeën, zijn weg naar Amerika gevonden had.

Op basis van een ULB-publicatie konden we de huidige eigenaar opsporen: in Frankrijk. Om te bewijzen dat het paneeltje te goeder trouw werd aangekocht, stuurde de familie de certificaten door. Daaruit bleek dat het na de oorlog jarenlang bij een Duitse familie hing, waarna het in 1976 te koop werd aangeboden door de Haagse galeriehouder Hans Cramer. Hij kreeg er 190.000 gulden voor. De prijs voor een Hans Memling? Of eentje met veel retouches van Van der Veken?

Herkomst niet sluitend - Vier cases

Tweede wereldoorlog, Joachim Wytewael, Het oordeel van Parijs, olieverf op koper

Joachim Wytewael (kopie naar), Het oordeel van Paris, 1614, olieverf op koper, 21 x 27 cm Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen

[1] Joachim Wtewael (kopie naar), Het oordeel van Paris, 1614

olieverf op koper, 21 x 27 cm, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen

In de Belgische archieven zit er geen fiche van dit werk. Er is alleen een los blad, met enkele handgeschreven krabbels. ‘Wytewael’, staat er op. Verder de titel ‘Le jugement de Paris’. En de code ‘A262’. Op basis van dit blad weten we dus niet wie de oorspronkelijke eigenaar is. Het is één van de vijftig werken met onbekende herkomst.

Het werk keerde na de oorlog terug uit Duitsland, want het heeft een A-code. Dat is de ‘A’ van ‘Allemagne’. Een A-werk komt meer bepaald uit de bezettingszone München. In de Duitse databanken gaan we op zoek naar een Münchencode. Dat is een code van het Collecting Point in München waar de Amerikanen teruggevonden kunstwerken centraliseerden. Het werk zit er in en heeft code 5954. In de databank staat het vermeld als een Jan Brueghel de Oudere. Het is gemaakt op koper en 28 x 22 centimeter groot. Als herkomst staat Dr. Franz Heulens opgegeven.

Die naam doet een bel rinkelen. Hij staat in een rapport van de Amerikaanse ondervragers na de oorlog. Zo wordt dokter Frans Heulens omschreven: ‘Heulens was very fond of Germans and did business with them, but was apparently aware of the possible consequences of this. Hofer said he never wanted to be seen with him in public.’ Walter Andreas Hofer is de kunsthistoricus die de verzameling van Hermann Göring uitbouwde.

Tweede wereldoorlog, Joos van Cleve, portret van een wijnschenker, olieverf op paneel,

Joos van Cleve (toeschrijving), Portret van een wijnschenker, olieverf op paneel, 73 x 57 cm Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel Foto: J. Geleyns / Ro scan

[2] Joos van Cleve (toeschrijving), Portret van een wijnschenker,

olieverf op paneel, 73 x 57 cm, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel

Van dit werk bestaat een archieffiche waar veel informatie uit af te leiden is. Als eigenaar is ‘Arens Brussel’ vermeld. Arens had een galerie in de Lebeaustraat 24, in de Zavelbuurt. Het werk kwam via hem op de kunstmarkt, maar hij is niet de oorspronkelijke eigenaar. Dit schilderij heeft dus geen sluitende herkomst.

Hoewel de Belgische fiche Arens als eigenaar aangeeft, heeft het schilderij blijkbaar nog een tussenstapje gedaan op de Belgische markt. Op een Duitse databank vinden we het terug met de Münchencode 3494. Daar wordt de ‘Sammlung Lagrand’ genoemd als privé-eigenaar. Lagrand is eveneens een galeriehouder.

Verder lopen de Duitse databank en de Belgische fiche gelijk. Het schilderij is gekocht door de Dienststelle Mühlmann voor 25.563 gulden. Het bedrag is in gulden omdat Mühlmann zijn kantoor in Den Haag had. Van daar werd het overgebracht naar Linz, waar Hitler zijn groot museum wou uitbouwen.

De Duitse databank vermeldt nog een zwaarwichtig element. Ze geeft aan dat er sprake was van dwangverkoop. Dat wil zeggen dat een eigenaar tegen zijn wil verkocht heeft, mogelijk tegen een prijs die onder de marktwaarde lag. Daarom heeft dit schilderij met hoge prioriteit een herkomstonderzoek nodig.

Tweede wereldoorlog, Albrechtmeister, Jezus verjaagt de handelaars uit de tempel, olieverf op paneel,

Albrechtmeister, Jezus verjaagt de handelaars uit de tempel, 1491-1500, olieverf op paneel, 109 x 86 cm Musée des Beaux-Arts, Luik

[3] Albrechtmeister, Jezus verjaagt de handelaars uit de tempel, 1491-1500

olieverf op paneel, 109 x 86 cm, Musée des Beaux -Arts, Luik

De fiche die in het archief zit is op sommige punten precies, maar vertoont hiaten. Ze heeft code A120 en komt dus uit de regio München. Volgens de fiche kwam het terecht in Hitlers collectie voor het Linzmuseum. Als eigenaar geraakt de fiche niet verder dan ‘collectionneur Belge’. Het is dus één van de vijftig werken zonder sluitende herkomst.

Op het document is verder te lezen dat Linz het stuk aankocht bij het Weense veilinghuis Dorotheum. Daar is het in de ininventaris opgenomen onder het nummer 217.519/4. Een niet nader genoemde verkoper heeft er 600.000 Belgische frank voor gekregen.

Volgens de Münchencode 8855 is het werk door Dr. Herbst, directeur van het Dorotheum, aangekocht bij een Belgische privé-eigenaar. Dat gebeurde in 1944. Het werk werd allicht belangrijk bevonden, want tegen het eind van de oorlog is het overgebracht naar de zoutmijn van Altaussee.

Na de oorlog is het werk, samen met een vergelijkbaar stuk van de Albrechtmeister, toegekend aan het museum van Luik. Bij onze recente navraag liet de hoofdconservatrice van het museum na herhaald aandringen weten dat het de werken niet meer bezit. Ze zouden overgedragen zijn aan ‘Brussel’. Op onze navraag liet de Franse Gemeenschap weten de werken in beheer te hebben, maar ze om redenen van veiligheid niet te kunnen laten zien. Dat wil zeggen dat niet alleen de herkomst van deze werken moet uitgezocht worden, maar ook de vindplaats.

Tweede wereldoorlog, ] Pieter II Brueghel, De dorpsadvocaat, olieverf op paneel, Museum voor Schone Kunsten,

Pieter II Brueghel, De dorpsadvocaat, 1621, olieverf op paneel, 76,6 x 123,7 cm Museum voor Schone Kunsten, Gent © Lukas - Art in Flanders – Foto: Hugo Maertens

[4] Pieter II Brueghel, De dorpsadvocaat, 1621,

olieverf op paneel, 76,6 x 123,7 cm,  Museum voor Schone Kunsten, Gent

Dit olieverf op paneel is zo goed als een mysterie. De fiche draagt de code B49. Werken met die code zijn teruggekeerd uit Duitsland uit het Collecting Point van Wiesbaden, in de Amerikaanse bezettingszone. Ook hier geeft de fiche als eigenaar het vage ‘collectionneur Belge’. Ook dit is één van de vijftig werken zonder sluitende herkomst.

Onderaan de fiche staat nog een toelichting vermeld. Het is tijdens de oorlog verkocht op een veiling in het Paleis voor Schone Kunsten: ‘vente Palais des Beaux-Arts du 12.5.1941’. De veilingcatalogus is terug te vinden in de archieven. Onder lotnummer 91 is inderdaad een werk van ‘Breughel Pierre’ opgenomen, met als titel ‘Le payement de la dime’. De beschrijving van het tafereel komt overeen met de afbeelding op het schilderij. De maten 62 x 94 cm wijken echter beduidend af.

Van het schilderij bestaan ettelijke versies. De databank van het RKD geeft aan dat er daar het voorbije decennium verschillende van passeerden bij grote veilinghuizen. De Nederlandse website Herkomst Gezocht maakt melding van een versie die momenteel ‘in bewaring’ is in een Nederlandse instelling (NK2843).

Het is niet alleen om kunsthistorische redenen aan te bevelen een grondig onderzoek te doen naar dit werk, maar ook de onduidelijke herkomst uit te klaren.

Verzwegen verblijf

Tweede wereldoorlog, De aanbidding van het Lam Gods werd in beslag genomen in een schuilplaats in Zuid-Frankrijk. Tegen het eind van de oorlog brachten de nazi’s het onder in de zoutmijn van Altaussee.

De aanbidding van het Lam Gods werd in beslag genomen in een schuilplaats in Zuid-Frankrijk. Tegen het eind van de oorlog brachten de nazi’s het onder in de zoutmijn van Altaussee.

Het allereerste kunstwerk dat uit de zoutmijnen van Altaussee terugkeerde naar zijn herkomst, was Belgisch en van wereldklasse: Het Lam Gods. Generaal Eisenhower nam de moeite om zelf een telegram te sturen naar de Amerikaanse ambassadeur in Brussel en een vliegtuigtransport naar Brussel te organiseren. Met iets minder égards volgden de Madonna van Michelangelo en Het laatste avondmaal van Dirk Bouts, alsook stukken uit de collecties van Van Gelder en Renders. Op voorstel van Camille Huysmans, toen minister van onderwijs, werd daar in 1948 een plechtige tentoonstelling mee opgezet. Van de 42 schilderijen, drie beelden, vijf tapijten, incunabelen en zeldzame boeken werd wél aangegeven in welke nazi-collectie ze waren aangetroffen, maar niet aan wie ze voordien in België toebehoorden.

Tot zo ver het goede nieuws. Dat ons land nadien een lamentabele kunstrecuperatie kende, is al elders verteld. Diensten staken elkaar stokken in de wielen, de overheid stelde andere prioriteiten voorop dan kunst en er waren te weinig experten in de buurt van de geallieerde kunstdepots. We waren goeddeels aangewezen op de goedheid van andere naties. Van de duizenden cultuurgoederen die hier verdwenen, haalde België er een rampzalige 1.155 terug. Daarvan is een deel teruggegeven aan de rechtmatige eigenaars, is een deel geveild in zes staatsveilingen en is een deel toegewezen aan onze musea.

Het is niet uitzonderlijk dat er kunstwerken geveild zijn en aan musea toegewezen werden. Zo is het in andere landen ook gebeurd. Frankrijk zag zich plots geconfronteerd met 16.000 werken die niemand opeiste. Daarvan selecteerde het er 2.143 hoogwaardige voor bewaring in de musea; de rest werd geveild. Nederland veilde eveneens stukken van mindere kwaliteit: zo’n 4.000, waarvan 1.700 schilderijen. In veel landen is er meermaals geveild. Zelfs tot betrekkelijk recent. Oostenrijk droeg in 1996 meer dan 8.000 niet-opgeëiste objecten over aan de joodse gemeenschap, die ze door Christie’s liet veilen in de Mauerbach Auction.

Tweede wereldoorlog, Dit geroofde kunstwerk werd na de oorlog gerecupereerd en geveild. Lovis Corinth, Zelfportret,

Dit geroofde kunstwerk werd na de oorlog gerecupereerd en geveild. Lovis Corinth, Zelfportret, 1909, ets, 19,5 x 15,5 cm Herkomst: Roof MA-B 3 – Depot Jeu de Paume – Depot Schloss Kogl – Restitutie België – Veiling PSK januari 1950 (lot 410) Nu: onbekend Bundesarchiv, B 323-792-fol. 059

Ook roofkunst op staatsveilingen

Terug naar België. Soms zat er niet veel 33 anders op dan veilen omdat de eigenaar niet bekend was. En was hij het wel, dan was hij misschien geëmigreerd, omgekomen of gedeporteerd. De vraag is natuurlijk hoe lang en hoe intens de overheid naar gebeurlijke rechthebbenden gezocht heeft. Van op de comfortabele afstand van enkele decennia zijn we nu geneigd om de inspanningen als te weinig uitputtend te beschouwen. De kennisgeving was minimaal. Ze gebeurde door mededelingen in het staatsblad en advertenties in kranten. Dat dit onvoldoende was, is door enkele pijnlijke voorvallen aangetoond. Meermaals konden families op de kijkdagen hun bezittingen identificeren en nog net van onder de veilinghamer vandaan halen. De joodse familie Errera vond elf meubelstukken terug. De nabestaanden van de joodse antiquair Léon Seyffers, omgekomen in Auschwitz, eisten vijf schilderijen terug.

Tweede wereldoorlog, Gerecupereerde roofkunst die geveild werd na de oorlog. Josef Israels, Zittende oude man, olieverf op paneel,

Gerecupereerde roofkunst die geveild werd na de oorlog. Josef Israels, Zittende oude man, olieverf op paneel, 36 x 23,5 cm Herkomst: Roof MA-B 35 – Depot Jeu de Paume – Depot Schloss Kogl – Restitutie België – Veiling PSK januari 1950 (lot 270) Nu: onbekend Bundesarchiv, B 323-793-fol. 025

De Belgische overheid communiceerde niet alleen weinig, ze ging ook vrij snel tot een uitverkoop over. Al in 1948 vond de eerste van zes staatsveilingen plaats; de laatste was in 1954. Er kwamen werken op de markt die men nu toch eerder in bewaring zou houden: van Rubens, Steen, Jordaens, Courbet, Coecke van Aelst of De Beuckelaer. Diverse werken die tijdens de bezetting voor uitzinnige prijzen verkocht waren, maakten bij hun terugkeer een bescheiden passage langs de veilingmarkt die ondertussen ingestort was. Voor De ongelovige Thomas van Abraham Janssens kreeg de weduwe Van Gelder bij haar verkoop tijdens de oorlog 60.000 Reichsmark, op de staatsveiling in 1950 haalde het stuk amper 16.000 Belgische frank. Een Portret van Hertog Alva door Antonis Mor bracht haar bij de verkoop 40.000 Reichsmark op, in 1950 was het nog 13.000 frank waard. Er passeerden wel meer bekende werken op de staatsveilingen. Van de weduwe Van Gelder alleen al waren er ruim twintig, waaronder ettelijke van het Landesmuseum Bonn. Van Smidt Van Gelder werden een teruggekeerde Gerard Dou en een Caspar Netscher aangeboden, van Renders een Jan Provost. De meeste antiquairs die we op de voorgaande bladzijden tegenkwamen, herkenden werk dat ze ooit verkocht hadden. 

Tweede wereldoorlog, Antonio Moro (naar Willem Key), Portret van de hertog van Alva, olieverf op paneel,

Dit werk uit de collectie Van Gelder werd na de restitutie aan België op een staatsveiling verkocht. Antonio Moro (naar Willem Key), Portret van de hertog van Alva, tweede helft 16de eeuw, olieverf op paneel, 48 x 36,5 cm Herkomst: Van Gelder – Lagrand – Dorotheum – Dr Erwin Sieger – Restitutie België – Veiling PSK januari 1950 (lot 79) Nu: onbekend RKD-Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis

Er waren stukken van Lagrand (Hendrik van Baelen), Seyffers (Rubens), De Heuvel (Jacques d’Artois) en Defort (Jordaens). Een onbehaaglijk stemmende vaststelling is dat er op die zes staatsveilingen na de oorlog roofkunst aangeboden is. Mogelijk hadden zich geen eigenaars gemeld en had de Dienst voor Economische Recuperatie hen evenmin kunnen opsporen. De vraag is of dat in zo’n chaotisch tijdperk en met zoveel migratie überhaupt mogelijk was. Toen in augustus 1947 het vijfde transport vanuit het Collecting Point München terugkeerde, bleek er tussen de 128 stukken behoorlijk wat roofkunst te zitten. Daarvan kon veel teruggegeven worden aan kunsthandelaar David Reder. Enkele andere stukken werden echter op de winterveiling van 1950 verkocht. Daaronder een tekening van Khnopff, een ets van Lovis Corinth, een portret van Jacob Israëls, een zomertafereel van Leandro Bassano en een landschap van Emile Claus.

Een ander schilderij, van een andere vracht, kreeg de dubieuze eer opnieuw opnieuw verhandeld te worden op dezelfde plek langs waar het ooit het land verliet. Château sur les rochers van Gustave Courbet werd in 1941 tijdens de oorlog geveild in het Paleis voor Schone Kunsten, nadat het geroofd was bij een Antwerpse joodse familie. Het werd toen bovendien gekocht door nazi-luitenant en graaf Joachim Wolfgang von Moltke. Toen het na de oorlog terugkeerde, werd het in 1951 in hetzelfde Paleis voor Schone Kunsten opnieuw geveild. Dat het aantoonbaar om roofkunst ging, bleek geen onoverkomelijk bezwaar.

tweede wereldoorlog, Gerecupereerde roofkunst die geveild werd na de oorlog. Emile Claus, Een zonbeschenen weide en bos, olieverf op doek,

Gerecupereerde roofkunst die geveild werd na de oorlog. Emile Claus, Een zonbeschenen weide en bos, olieverf op doek, 99 x 79 cm Herkomst: Roof MA-B 1 – Depot Jeu de Paume – Depot Schloss Kogl – Restitutie België – Veiling PSK januari 1950 (lot 7) Nu: onbekend Bundesarchiv, B 323-792-fol. 055

Naar musea

Een ander belangrijk aandeel teruggekeerde kunst is na de oorlog verdeeld onder de Belgische musea. Zo gauw die van dat voornemen hoogte kregen, “ayant appris par la presse”, zoals het Antwerps museum schreef, waren die er als de kippen bij om hun interesse kenbaar te maken. Brussel stelde alvast een verlanglijst op waar zowat alle felgebeerde kunstenaars op stonden, zoals Brueghel, Cranach, Van der Weyden, Memling en Jordaens. Dat bleek te mooi om waar te zijn. Gent dacht out of the box en vroeg of “elk museum het hem toegewezen deel niet voor een maand aan Gent zou willen toevertrouwen.” Antwerpen hield het simpel. “Je me permets de faire appel pour que la Maison de Rubens ne soit pas oubliée lors de la répartition.” Elk museum hoopte dat de overheid niet als een nurkse Sint aan zijn deur zou voorbijrijden.

Gent dacht out of the box en vroeg of “elk museum het hem toegewezen deel niet voor een maand aan Gent zou willen toevertrouwen.”
Tweede wereldoorlog, Maurice Lagrand, Adriaen van Ostade, Zingende man, olieverf op paneel,

Van dit schilderij wordt op de fiche ‘Lagrand’ aangegeven als eigenaar. Maurice Lagrand was een antiquair; wie de oorspronkelijke eigenaar was, is niet bekend. Adriaen van Ostade, Zingende man, 17de eeuw, olieverf op paneel, 27 x 23 cm Herkomst: XXX – Maurice Lagrand – Walter Andreas Hofer – Collectie Göring – Restitutie België Nu: Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen

In wat volgt, baseren we ons op de overgedragen kunstwerken die gedocumenteerd zijn in het Rijksarchief. Alles samen gaat het om 126 items. Daarvan zijn er 47 diverse objecten, zoals beelden (12), porselein of faience (12), vazen (8), meubelstukken (5) en tapijten (4). Zo blijven er 79 schilderijen over. Laten we ons daar verder op concentreren. Van de 79 schilderijen die aan elf musea zijn toegewezen, is er één, dat later aan Nederland werd afgestaan. Er zijn er dus nog 78 over nu. Het zal niet verbazen dat we hier enkele bekenden tegenkomen. Mevrouw Van Gelder heeft, als grote exporteur tijdens de oorlog, 11 stukken uit haar voormalig bezit in onze musea zitten. Als specialiste van Jacob Jordaens zag ze Neptunus en Amphitrite en Mozes en Sippora naar het Rubenshuis gaan en De fruitverkoopster naar schone Kunsten Antwerpen. In dat laatste museum kwam ook Tronende madonna met kind van Jan Gossaert terecht. Doornik kreeg de Heilige familie van de School van Van der Weyden.

Tweede wereldoorlog, Adam van Breen, Landschap met schaatsers, olieverf op paneel,

Dit is één van de zes schilderijen van Pieter Smidt van Gelder die na de oorlog in Belgische musea terecht kwamen. Adam van Breen, Landschap met schaatsers, 17de eeuw, olieverf op paneel, 81 x 40 cm Herkomst: XXX – Pieter Smidt van Gelder – Dienststelle Mühlmann – Linzcollectie Hitler – Restitutie België Nu: Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen Het schilderij is omwille van conservatorische redenen beplakt met Japans papier. 

Tweede wereldoorlog, Lucas I Cranach, Eva, olieverf op paneel,

Van dit schilderij wordt op de fiche ‘Leroy’ aangegeven als eigenaar. Leroy was een antiquair, de oorspronkelijke eigenaar is niet bekend. Lucas I Cranach, Eva, 16de eeuw, olieverf op paneel, 86 x 65 cm Herkomst: XXX – Leroy – Dienststelle Mühlmann – Collectie Göring – Restitutie België Nu: Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen

Zoals in vorig artikel al vermeld, vonden 8 stukken uit de voormalige collectie- Renders hun weg naar onze musea. Met enige systematiek kwam de Van der Weyden, Moeder en kind (ook wel Madonna van Jean Gros), eveneens in Doornik terecht. Een andere Maria met kind, van Quinten Metsys, ging naar Brussel. Het Groeningemuseum kreeg twee luiken van de Triptiek-Crabbe die Hans Memling schilderde. In het begin van dit nummer viel al de naam van Pieter Smidt van Gelder, op wiens oog de Dienststelle Mühlmann gevallen was. Ook hij kreeg na de oorlog zijn schilderijen niet terug, wegens al vergoed door de nazi’s. Zes van die stukken kwamen in onze musea terecht. Antwerpen heeft een Van Breen en een Guardi uit zijn voormalig bezit, ook in Gent zit zo’n stuk. Alles wat met Brueghel te maken had, ging niet geheel onlogisch naar Brussel. Zo bijvoorbeeld het Rivierlandschap van Jan I Brueghel. Alsook Bloemstuk in een vaas van Abraham Brueghel. Van dat laatste schilderij hebben wetenschappers later ontdekt dat de signatuur en de datering vals zijn. Ze gaan er nu van uit dat het stuk van Osias Beert is. Zou Smidt van Gelder aan deugnieterij gedaan hebben of wist hij het zelf niet? Een werk van Cornelis Claes Moeyaert dat aan Leuven werd toegekend, bleek verkeerd afgeleverd, en werd in 1956 naar Nederland overgebracht.

Tweede wereldoorlog, collectionneur Belge, Pieter Coecke, Aanbidding der herders, olieverf op paneel,

De fiche geeft als herkomst het vage ‘collectionneur Belge’ aan. Pieter Coecke, Aanbidding der herders, 1520-1550, olieverf op paneel, 73 x 49 cm Herkomst: XXX – Veilinghuis Dorotheum (inventaris 217.519/31) – Linzcollectie Hitler – Restitutie België Nu: Stedelijke Musea Mechelen

In beheer

Met hogergenoemde drie verzamelaars, aangevuld met 4 stukken van enkele privé-eigenaars, komen we aan 28 schilderijen met bekende herkomst in onze musea. Van 29 schilderijen bestaat er geen fiche, of is er een fiche waarop geen informatie staat over de eigenaar of waarop “collectionneur Belge” staat (wat op hetzelfde neerkomt). Zoals eerder aangegeven staat als eigenaar meermaals de antiquair vermeld die het werk aan nazi-gezinde kopers verhandelde. Dat is, naargelang de interpretatie, in 16 of 17 stukken het geval. Deze namen keren terug op de fiches: Lagrand (5 of 6), Moorthamers (4), De Heuvel (2), Leroy (2), Arens (1), Van der Veken (1) en Defort (1). Om het plaatje compleet te maken zijn er nog, naargelang de interpretatie, 4 of 5 stukken met een ERR-statuut. Dat is dus roofkunst. Het gaat om een Vanitas van Jan Denens in Antwerpen, Bloemen van Lovis Corinth in Brussel en nog een Oudot en een Permeke-persiflage in Brussel. Van één werk bestaan er twee herkomstversies. Dat is zo voor de Hertejacht van Roelandt Savery, dat zich in Schone Kunsten Brussel bevindt. Van de fiche is af te leiden dat Lagrand het aan Mühlmann verkocht, die het verder doorspeelde aan de collectie-Göring. Volgens die versie zitten er in onze telling dus 6 stukken van Lagrand. Op de website van het Central Collecting Point München (nr. 5888) staat echter een getuigenis van Görings collectiedirecteur Andreas Walter Hofer. Volgens hem pikte Göring het in het Jeu de Paume uit het aanbod en is het dus ERR. In dat geval zijn er in onze telling 5 ERR-stukken in onze musea.

De vraag die rijst, is wat we moeten vinden van kunst die uit nazi-Duitsland gerecupereerd werd en die nu in onze musea hangt. Uitzonderlijk is het gegeven niet. In Frankrijk en Nederland is het eveneens het geval. De werken zijn in beheer tot zich iemand meldt die kan bewijzen er aanspraak op te maken. Het statuut van deze werken is helder. In Nederland zijn ze openbaar consulteerbaar op een website en hebben ze een NK-nummer (Nederlands Kunstbezit). Er is historisch onderzoek op gedaan, zodat van elk schilderij de herkomstketting kan worden meegedeeld. Elk hiaat tussen 1933 en 1945 wordt als problematisch aangemerkt, omdat zich daar een gedwongen verkoop of een kunstroof kan hebben voorgedaan. Nederland voert rond die werken nog steeds een actief beleid. In december 2016 ging nog een vernieuwde website online.

Roelandt Savery, Hertenjacht, olieverf op paneel, Tweede wereldoorlog,

Van dit schilderij bestaan er twee herkomstversies. Volgens de ene kwam het via de Dienststelle Mühlmann in de collectie Göring terecht. Volgens Walter Andreas Hofer selecteerde Göring het werk in het Jeu de Paume en is het dus roofkunst. Roelandt Savery, Hertenjacht, olieverf op paneel, 49 x 92 cm Herkomst: XXX – Maurice Lagrand – Dienststelle Mühlmann of Jeu de Paume – Collectie Göring – Restitutie België Nu: Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel Foto: Guy Cussac, Brussel

Ook Frankrijk heeft zo’n website; de stukken hebben een MNR-nummer (Musées Nationaux Récupération). In 2014 heeft het land nog enkele werken teruggegeven aan de Latijns-Amerikaanse erfgenamen van de Belgische bankier Baron Cassel van Doorn. Onlangs, eind november, gaf het een portret van Joos van Cleve (of een volgeling) terug aan de kleinkinderen van een Duits-joodse familie. Zelfs tot in Amerika is er een gevoeligheid voor het onderwerp. Op een portaalsite melden 179 Amerikaanse musea de items die geen sluitende herkomst hebben. Terwijl we dit schrijven, zijn het er 29.596.

België legt die openheid niet aan de dag. Er is geen openbare website, er is geen centrale dienst die de werken onderzoekt en er is geen restitutiecommissie voor het geval zich een rechthebbende meldt. De 78 schilderijen zijn toevertrouwd aan elf Belgische musea en worden er als verworven beschouwd. Zijn ze dat? Hebben ze niet net dezelfde status als de kunstwerken die Nederland en Frankrijk uit nazi-Duitsland recupereerden en in hun musea in bewaring gaven? Bij deze stellen we voorop dat de 78 resterende schilderijen niet alle roofkunst zijn (maar 4 of 5 dus wel). Het punt dat we maken, is dat hun ‘verzwegen verblijf’ niet conform de huidige standaarden is. Vooreerst is het niet in overeenkomst met de afspraken die de 44 ondertekenaars van de Washington Principles, waaronder België, aangingen (zie inleiding). En verder is het niet conform de moderne praktijken in het museumwezen waar aan herkomstonderzoek wordt gedaan.

Tweede wereldoorlog, Dit werk werd door de gezusters De Wynter verkocht. Vrijwillig of dwangverkoop? Derick Baegert, Linkerluik van de passietriptiek uit de Sint-Laurentiuskerk in Keulen, keerzijde: Zes apostelen en de schenkers Gerhard von Wesel (1443-1510) en zijn derde echtgenote Adelheid Bischof, olieverf op paneel,

Dit werk werd door de gezusters De Wynter verkocht. Vrijwillig of dwangverkoop? Derick Baegert, Linkerluik van de passietriptiek uit de Sint-Laurentiuskerk in Keulen, keerzijde: Zes apostelen en de schenkers Gerhard von Wesel (1443-1510) en zijn derde echtgenote Adelheid Bischof, olieverf op paneel, 132 x 78,5 cm Herkomst: De Wynter – bemiddeling Gaston Demeter – Hermann Voss – Linzcollectie Hitler – Restititie België Nu: Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel Foto: J. Geleyns / Ro scan

Herkomstonderzoek

Wat kan er gezegd worden over de aanwezigheid van de 78 schilderijen in onze musea? Volgens de strengste zienswijze is voor elk van hen een herkomstonderzoek aangewezen. Ze zijn immers allemaal tussen 1933 en 1945 van eigenaar veranderd. Het is niet uit te sluiten dat zich tijdens de schemerzone van de oorlogsjaren onregelmatigheden hebben voorgedaan. Het kan alleen maar bijdragen tot de transparantie als dat niet zo zou zijn. Eigenlijk hoort dit de norm te zijn die ook onze musea moeten aanhouden.

Volgen we niet de weg van het algemeen geldend principe, maar die van het gezond verstand, dan valt er een andere uitkomst te overwegen. In voorgaande artikels is geschetst hoe de weduwe Van Gelder en Emile Renders initiatief namen om kunst aan nazi-verwante kopers te verhandelen. Daaruit is gebleken dat ze hun voordeel deden met de hoogconjunctuur in de kunstmarkt. De werken die ze verkochten brachten een veelvoud op van wat ze na de oorlog waard waren. Zonder rechter te willen zijn, en al zeker geen rechtvaardige, lijkt het billijk dat deze werken niet gerestitueerd zijn aan de oorspronkelijke eigenaars. In het geval van Renders heeft zich trouwens in 1951 een bevoegde rechtbank in die zin uitgesproken. Waarmee nog niet aangetoond is waar Van Gelder en Renders hun schilderijen vandaan hadden.

Voor vier andere privé-eigenaars ligt het moeilijker om het gezond verstand te laten spreken. Uit het voormalig bezit van Pieter Smidt van Gelder hangen er nog vijf schilderijen in onze musea. Momenteel is er nog te weinig geweten over zijn positie tijdens de oorlog. Nam hij zelf initiatief om kunst te verhandelen? Verkocht hij uit eigen bezit? Werd hij gaandeweg kunsthandelaar? Indien ja, waar betrok hij dan zijn koopwaar? Zelfs uit een getuigenis van Kajetan Mühlmann (zie eerder) valt niet met zekerheid af te leiden hoe de beweegredenen van Smidt van Gelder in te schatten zijn. De aanwezigheid van een valse signatuur en datering roept vragen op. Een herkomstonderzoek dringt zich hier wel op.

Tweede wereldoorlog, Frans Heulens,  Hans Rottenhammer, Diana en Callisto, olieverf op doek,

Dit werk heeft in de archieffiches een anonieme herkomst, maar op basis van Duitse databanken is het terug te brengen tot een eigendom van Frans Heulens. Waarmee niet opgehelderd is wie het voor hem bezat. Hans Rottenhammer, Diana en Callisto, olieverf op doek, 56,5 x 95 cm Herkomst: XXX – Frans Heulens – XXX – Collectie Göring – Restitutie België Nu: Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel

Drie privé-eigenaars hebben we nog niet vermeld. De gezusters De Wynter uit Brugge verkochten in februari 1944 twee belangrijke werken voor de Hitlercollectie: Zes apostelen van Derick Baegert (nu Schone Kunsten Brussel) en Heilige familie van Jan Metsys (nu Schone Kunsten Antwerpen). De schilderijen waren al lang in familiebezit, zodat roofkunst weinig aannemelijk is. In dit geval kan een historisch onderzoek uitwijzen of er sprake was van een gedwongen verkoop. “Moeten we u feliciteren”, schreven ze schamper toen ze hoorden dat de nazi’s de collectie Renders gekocht hadden. Zelf hielden ze drie jaar de boot af. Graaf Jean de Bousies verkocht een Stilleven van Osias Beert (nu David II Ryckaert en in Schone Kunsten Brussel) aan de Kunsthalle Hamburg. Geen informatie over de verkoop bekend: te onderzoeken, dus. Van een zekere Folville uit Luik werd op 12 mei 1941 in het Paleis voor Schone Kunsten de Triptiek Salve Regina (nu Doornik) verkocht. Een eigen keuze? Of kunst die in beslag genomen was? Te onderzoeken. Het lijdt weinig twijfel wat er met de 29 schilderijen moet gebeuren waar geen fiche van is of waar vagelijk “Collectionneur Belge” op staat. Het valt met hoogdringendheid te onderzoeken waar ze dan wel vandaan kwamen. Van 5 van de 29 schilderijen konden we via Duitse databanken al een deel van de puzzel aanvullen. In drie gevallen kwamen we terecht bij de privéverzamelaar dokter Frans Heulens (die in 1978 een aanzienlijke collectie aan het Museum voor Schone Kunsten in Brussel afstond die op zaal hangt), in twee gevallen bij antiquairs (de al genoemde De Heuvel en ook Manteau). Hetgeen ons bij de 16 of 17 fiches brengt die als eigenaar een antiquair vermelden. Ook daar moet onderzoek uitwijzen wie deze stukken inbracht bij deze handelaars. Deden de inbrengers dat uit vrije wil? Werden ze er toe gedwongen? Of waren hun stukken in beslag genomen? Zoals momenteel niemand kan bewijzen dat het om roofkunst ging, zo kan ook niemand het tegendeel bewijzen, namelijk dat de transacties correct verliepen. Ruim 70 jaar na de Tweede Wereldoorlog is nog een groot deel van de kunst uit de nazitijd met mysterie omgeven. Zoals we in de inleiding schreven lieten de nazi’s een warboel achter die nooit meer helemaal opgeruimd geraakt. Voor een bescheiden onderdeel, de 78 schilderijen in onze musea, is het echter een haalbare kaart om helderheid te verschaffen. Er is niet meer nodig dan dat de musea hun taak tot herkomstonderzoek op zich nemen.

78 schilderijen in Belgische musea

Dit zijn de 78 schilderijen die na de oorlog uit nazi-Duitsland werden gerecupereerd en die bij Belgische musea in bewaring werden gegeven. We gaan uit van de informatie die in het archief zit. Sommige werken hebben ondertussen een andere toeschrijving of een andere titel. Mogelijk zijn werken ondertussen van bewaarplaats veranderd. Waar mogelijk vermelden we wie er als eigenaar staat vermeld en verwijzen we naar de bladzijde in dit themanummer waar het werk is afgebeeld

Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel

  • Lorenzo Gerini (Lorenzo di Niccolò): Twee heiligen Geen fiche, eigenaar onbekend
  • Lorenzo Gerini (Lorenzo di Niccolò): Twee heiligen Geen fiche, eigenaar onbekend
  • Hans Rottenhammer: Diana en Callisto (blz. 39),Losse pagina met afbeelding, eigenaar niet vermeld
  • Meester van Alkmaar: Madonna, Sint-Anna en vier heiligen Eigenaar volgens fiche: Van Gelder
  • Quinten Metsys: Madonna met kind (blz. 26) Eigenaar volgens fiche: Emile Renders
  • Franco-Vlaamse Meester: Kruisiging Eigenaar volgens fiche: Emile Renders
  • Meester van Hoogstraten: Pieta Eigenaar volgens fiche: Emile Renders
  • Joos van Cleve: Portret van een wijnschenker (blz. 30) Eigenaar volgens fiche: Arens
  • Abraham Brueghel: Bloemen Eigenaar volgens fiche: Smidt van Gelder
  • Adriaen van Stalbemt: Landschap met tempeltje Geen fiche, eigenaar onbekend
  • Jan I Brueghel: Rivierlandschap (blz. 8) Eigenaar volgens fiche: Smidt van Gelder
  • Pieter II Brueghel: Kermis met toneel en processie (blz. 7) Eigenaar volgens fiche: Van der Veken
  • Abraham Janssens: Lascivia Eigenaar volgens fiche: Lagrand
  • Derick Baegert: Zes apostelen en de schenkers (blz. 38) Eigenaar volgens fiche: juffrouwen De Wynter
  • Willem Schellinks: Ontmoeting in een park Eigenaar volgens fiche: Belgische verzamelaar
  • Johann Heiss: Uittocht uit Egypte Eigenaar volgens fiche: Belgische verzamelaar
  • Esaias van de Velde: Overval op een konvooi Eigenaar volgens fiche: Van Gelder
  • Jacob Jordaens: Martelaarschap van de Heilige Laurentius Eigenaar volgens fiche: Moorthamers
  • Hendrick Streek: Stilleven met perziken Handgeschreven pagina, geen eigenaar vermeld
  • Osias Beert: Stilleven met kreeft (blz. 11) Eigenaar volgens fiche: graaf Jean de Bousies
  • Roelandt Savery: Hertenjacht (blz. 36-37) Eigenaar volgens fiche: Lagrand
  • Duits 15de eeuw: Martelares Eigenaar volgens fiche: onbekend
  • Albert Saverys: Winterlandschap Eigenaar volgens fiche: onbekend
  • Albert Servaes: Winterlandschap Eigenaar volgens fiche: onbekend
  • Lovis Corinth: Bloemen Eigenaar volgens fiche: onbekend (ERR)
  • Roland Oudot: Baskisch landschap Eigenaar volgens fiche: onbekend (ERR)
  • Constant Permeke (persiflage): Oogstende vrouw Eigenaar volgens fiche: onbekend (ERR)

Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen

  • Adriaen van Ostade: Lezende man (blz. 35) Eigenaar volgens fiche: Lagrand
  • Pier Francesco Fiorentino (toegeschreven): Madonna en heiligen Eigenaar volgens fiche: Van Gelder
  • Meester van Bohemen: Madonna Eigenaar volgens fiche: Van Gelder
  • Meester Baroncelli: Annunciatie Eigenaar volgens fiche: Emile Renders
  • Meester van de Heilige Veronica: Man van smarten Eigenaar volgens fiche: Emile Renders
  • Adam van Breen: Landschap met schaatsers (blz. 34) Eigenaar volgens fiche: Smidt van Gelder
  • Francesco Guardi: Romeinse triomfboog Eigenaar volgens fiche: Smidt van Gelder
  • Lucas Cranach de Oude: Eva (blz. 35) Eigenaar volgens fiche: Leroy
  • Jan van Goyen: Landschap met zicht op Den Haag Eigenaar volgens fiche: De Heuvel
  • Jacob Jordaens: Dag en nacht / De fruitverkoopster Eigenaar volgens fiche: Van Gelder
  • Jan Jozef II Horemans: Theeuurtje Eigenaar volgens fiche: Belgische verzamelaar
  • Jan Jozef II Horemans: Kaartspel Eigenaar volgens fiche: Belgische verzamelaar
  • Philippe de Marlier: Beeldhouwwerk omringd door bloemen
  • Handgeschreven pagina, eigenaar niet vermeld
  • Lucas Cranach de Jonge: Portret van een man Eigenaar volgens fiche: Moorthamers
  • Jean Bellegambe: Bekering van de Heilige Paulus Eigenaar volgens fiche: Lagrand
  • Jan Metsys: Heilige familie Eigenaar volgens fiche: Juffrouwen De Wynter
  • Roelandt Savery: Het paradijs der vogels Eigenaar volgens fiche: Belgische verzamelaar
  • Joachim Wtewael: Het oordeel van Paris (blz. 30) Handgeschreven pagina, geen eigenaar vermeld
  • Cornelis Beelt: Strand van Scheveningen (blz. 10) Eigenaar volgens fiche: Leroy
  • Jan Denens: Vanitas Eigenaar volgens fiche: onbekend (ERR)
  • Jan Gossaert: Maria en kind (blz. 24) Eigenaar volgens fiche: Van Gelder
  • Jacob van Es: Stilleven Geen fiche, eigenaar onbekend

Musée des Beaux-Arts Doornik

  • Rogier van der Weyden (school van): Heilige familie Eigenaar volgens fiche: Van Gelder
  • Rogier van der Weyden: Madonna en kind (Madonna van Jean Gros) Eigenaar volgens fiche: Emile Renders
  • Rogier van der Weyden (omgeving van): Salve
  • Regina (blz. 14) Eigenaar volgens fiche: Folville

Musée des Beaux-Arts, Luik

  • Benvenuto di Giovanni: Madonna met heiligen en twee engelen Eigenaar volgens fiche: Van Gelder
  • Lambert Lombard: Lamentatie van Christus
  • Handgeschreven pagina, eigenaar niet vermeld
  • Isaac Wigans: Stilleven (blz. 22) Eigenaar volgens fiche: Van Gelder
  • Albrechtmeister: Jezus verjaagt de handelaars uit de tempel (blz. 30) Eigenaar volgens fiche: Belgische verzamelaar
  • Albrechtmeister: De besnijdenis van Jezus Eigenaar volgens fiche: Belgische verzamelaar
  • Hans Rottenhammer: Mythologische figuren Handgeschreven pagina, geen eigenaar vermeld

Groeningemuseum, Brugge

  • Hans Memling: Madonna van de Annunciatie (blz. 25) Eigenaar volgens fiche: Emile Renders
  • Hans Memling: Engel van de Annunciatie (blz. 25) Eigenaar volgens fiche: Emile Renders

Museum voor Schone Kunsten, Gent

  • Pieter de Bloot: Landschap met boerderij Eigenaar volgens fiche: Smidt van Gelder
  • Vlaamse School 16de eeuw: Kruisdraging Handgeschreven pagina, geen eigenaar vermeld
  • Gillis I Mostaert: Sint-Joriskermis (blz. 13) Eigenaar volgens fiche: onbekend
  • Pieter II Brueghel: De dorpsadvocaat (blz. 31) Eigenaar volgens fiche: Belgische verzamelaar

Rubenshuis, Antwerpen

  • Cornelis de Vos: Portret van een man (blz. 9) Eigenaar volgens fiche: Jules Defort
  • Jacob Jordaens: Neptunus en Amphitrite Eigenaar volgens fiche: Van Gelder
  • Lucas van Uden: Landschap Eigenaar volgens fiche: De Heuvel Jacob
  • Jordaens: Presentatie in de tempel (blz. 5) Eigenaar volgens fiche: Moorthamers
  • Frans Snyders: Ceres met fruitkroon Eigenaar volgens fiche: Belgische verzamelaar
  • Jan Wildens: Landschap met herders Eigenaar volgens fiche: Moorthamers
  • Jacob Jordaens: Mozes en zijn Ethiopische vrouw Sippora Eigenaar volgens fiche: Van Gelder
  • Jacob Jordaens: Kruisafneming Eigenaar volgens fiche: Belgische verzamelaar

M-Museum Leuven

  • Jan I van Rillaer: Martelaarschap van Sint-Kwinten Handgeschreven pagina, eigenaar niet vermeld

Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel

  • Duitse school: Adoratie van de koningen Eigenaar volgens fiche: Lagrand

Museum Busleyden, Mechelen

  • Pieter I Coecke van Aelst: Adoratie van het kind (blz. 36) Eigenaar volgens fiche: Belgische verzamelaar
  • Meester van de halve figuren: Vrouw met boek Eigenaar volgens fiche: Belgische verzamelaar

Museum Wuyts, Lier

  • Jacob de Backer: Het laatste oordeel Eigenaar volgens fiche: Belgische verzamelaar
  • Vlaams 17de eeuw: Zelfportret Eigenaar volgens fiche: Lagrand

Download hier de pdf

Kunst voor das reich - Het wedervaren van schilderijen in onze musea