De Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België krijgen er eensklaps 6.000 m² bij.

KMSK, Wandtapijt uit de reeks 'Geschiedenis van Romulus en Remus'

Wandtapijt uit de reeks 'Geschiedenis van Romulus en Remus'

Onze Koninklijke Musea dateren bijna alle­maal uit de negentiende eeuw en vertonen de typische kenmerken van die tijd. Als Griekse tempels tronen ze boven het stads­weefsel uit. De nederige bezoeker dient zijn beste schoenen aan te trekken om de steile trappen te beklimmen. Deze musea bezitten de top van ons kunstpatrimonium, maar zijn zelf zo oud dat ze in de meeste gevallen 
helemaal niet meer beantwoorden aan hedendaagse museumnormen. 

Langzamerhand krijgen ze een grondige renovatie. Het Museum voor Schone Kunsten in Gent sluit drie jaar de deuren en onlangs beëindigde de Regie der Gebouwen de derde renovatiefase van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België. 

Het is een indrukwekkende vernieuwing geworden waardoor het museum kan wed­ijveren met de beste buitenlandse instel­lingen. Er komt niet minder dan 6.000 m2 bij waarvan bijna 3.000 m2 tentoonstellings­ruimte. 

KMSK

Een poging tot diefstal

De Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België ontstonden in de achttiende eeuw. Rond 1795 kreeg Guillaume Bosschaert toelating om kunstwerken te kiezen uit de Vroegere Depots, gelegen in de oran­gerie van het paleis van Karel van Lorreinen. De depots bevatten kunstwerken uit kerken en kloosters, door de Commissarissen van de Franse Republiek achtergelaten. 

Bonaparte, Eerste Consul, richtte enkele jaren later officieel het museum op samen met vijftien andere provinciale musea. De toenmalige basisverzameling groeide snel aan met zendingen uit het Louvre van 1802 tot 1811 en met, na de val van het Keizerrijk in 1815, teruggegeven kunstwerken. Willem 1, Koning der Verenigde Nederlanden, schonk in 1814 ook nog veertien stukken aan de stad Brussel, waaronder een magistrale bloemenkrans van de Antwerpse schilder Daniël Seghers (1590-1661). Vanaf 1834 breidde de verzameling opnieuw uit met eigentijdse werken en in 1842 kocht de 
Belgische Staat van de stad Brussel de hele verzameling voor 1.644.000 BF. 

De collectie groeide zo snel aan dat architect Alphonse Balat tussen 1874 en 1885 een nieuw museumgebouw neerzette in een neoklassieke stijl met de typische zuilen en fronton. Hij bouwde dit vlakbij het Konings­plein, naast de herenhuizen Gresham en Argenteau die op de hoek van dit plein met de Regentschapsstraat lagen. De twee indrukwekkende panden kenden heel wat verschillende eigenaars waaronder de verzekeringsmaatschappij Gresham Life lnsurance Society Limited die het tussen 1900 en 1903 in art nouveaustijl liet inrichten. Maar ook de beroemde Compagnies des lndes, gespecialiseerd in kant en kasjmier, huisden een tijd in het Argenteau. De panden werden keer op keer vergroot en kwamen pal tegen het museum­gebouw te liggen. Aanvankelijk vormden de herenhuizen geen probleem voor de musea maar het risico op brand en inbraak bleef enorm hoog. Vandaar dat sinds de negen­ tiende eeuw de museumdirectie bij de over­heid aandrong de herenhuizen aan te kopen. Zoals wel dikwijls het geval is diende er eerst een ongeluk te gebeuren alvorens de overheid wakker schoot. In 1964 poogden stoutmoedige dieven het werk Negerkoppen van Rubens te stelen. Het jaar daarop kocht de Belgische Staat de twee panden aan. 

Samen met deze twee huizen pakte de Regie der Gebouwen ook het pand in de Museum­straat 7-9 aan en een grote binnenplaats begrensd door het Museum voor Oude Kunst, de panden van de Museumstraat en het Greshamhuis. Alles bij elkaar een kluwen van gangen en kamers waarin de 
loop der jaren verschillende museumdien­sten zich hadden gevestigd of die gewoon leeg stonden en waar zwammen, weer en wind en vandalen vrij spel hadden. De huidige werken begonnen in 1999 en kosten bijna 14 miljoen euro. Het resultaat is indrukwekkend. Dat de werken zolang duurden komt niet alleen door de klassieke traagheid van de Regie der Gebouwen, maar vooral door de totale vernieuwing van alle technische installaties van het museum. 

KMSK, Nicolaes Maes (1634-1693), Portret van Aletta van Hontum, Greshamhall vóór en na de restauratie

Links: Nicolaes Maes (1634-1693), Portret van Aletta van Hontum

Midden en rechts: Greshamhall vóór en na de restauratie

Café en shop

De vier gebouwen uit een verschillende periode en van een verschillende concept (Gresham, Argenteau, Museumstraat 7-9 en patio) kregen een dusdanige aanpassing dat ze via de gelijkvloerse en de tweede verdieping in verbinding staan met de bestaande musea. De renovatie van deze gebouwen, die niet meer aangepast werden sinds het begin van de vorige eeuw, had bijzondere aandacht voor het parcours van personen met beperkte mobiliteit.

De ondergrondse verdiepingen van het Argenteaugebouw bevatten nu de refter en de drukkerij van het museum, op hetzelfde niveau van het Greshamgebouw en van het pand in de Museumstraat bevinden zich vestiaires, sanitaire lokalen en douches voor het onderhoudspersoneel. Onder de patio zitten extra reserves met klimaatregeling voor het stockeren van kunstwerken. Het verticaal transport gebeurt met een grote lift terwijl extra grote werken vervoerd kunnen worden via een luik in de patiovloer. Allemaal onzichtbaar voor het grote publiek maar fundamenteel voor de goede werking van het museum.

Wél te bezichtigen is The Museum Café, verspreid over de gelijkvloerse en de eerste verdieping van het Greshamgebouw. Twee salons aan de gevelzijde van het Koningsplein werden naar oorspronkelijk model gerestaureerd en het nieuwe café vindt er zijn plek. Het café beantwoordt perfect aan de enorme behoefte van de cultuurliefhebbers op de Kunstberg om na een theater-,
film- of operavoorstelling nog ergens iets te gaan eten of drinken. Ookvoorde museumbezoeker is het een hele verbetering want de vroegere cafetaria van één van Belgisch grootste musea bevond zich diep en ongezellig onder de grond. Op de gelijkvloerse verdieping van het Argenteaugebouw
kregen twee ruimten aan de gevelzijde van de Regentschapsstraat een nieuwe functie als The Museumshop. Meteen krijgen de musea een nieuw venster op de stad en integreren ze zich meer in het omliggende stadsweefsel. De toegang tot de boekhandel van The Museumshop gebeurt via de
Argenteautrappenhal in art decostijl die voor het publiek is opengesteld op twee niveaus.

De verrijzenis van de Hollandse School

Het meest opwindende is de uitbreiding van de tentoonstellingsruimte. Kunstwerken die al jaren in het depot lagen te sluimeren krijgen een nieuw leven. Talloze schilderijen zijn na jaren van geduld volledig gerestaureerd. Een nieuwe tentoonstellingszaal van 30 op 10 meter ontstond op de tweede verdieping van het pand in de Museumstraat. De verlichtingen klimaatregelingen, geïntegreerd in de gerestaureerde stucversieringen, verlenen aan deze zaal alle comfort dat men van een hedendaags museum mag verwachten. Twee oude salons uit de achttiende eeuw op de tweede verdieping van het Greshamgebouw kregen een grondige restauratie na zorgvuldige bestudering van de prestigieuze stucversiering, de wanden en lambriseringen. Hier komen onder andere prachtige portretten van Bartholomeus van der Helst (1613-1670).

KMSK, Koninklijke trap na restauratie

Koninklijke trap na restauratie

De bijkomende tentoonstellingsruimte dwong de conservators van de oude meesters om hun vaste opstelling volledig te herzien. Joos van der Auwera troont me door de zalen en vertelt hoe ze bijna méér dan 20% van de schilderijen hebben herbekeken en de oorspronkelijke toeschrijvingen hebben herzien. "Vooral de periode tussen Bruegel en Rubens krijgt nu extra aandacht. Weinig mensen weten trouwens dat na het Kunsthistorisch Museum in Wenen, Brussel het meest aantal schilderijen van Bruegel bezit." Het parcours begint bij de religieuze werken van Wenceslas Coebergher en Otto van Veen, leermeester van Rubens. Coebergher is vooral als architect bekend en bouwde bijvoorbeeld de kerk van Scherpenheuvel, maar hij was ook een verdienstelijk schilder. Zijn Graflegging, afkomstig uit de Sint-Gorikskerk van Brussel, schittert opnieuw in stralende kleuren na een restauratie in het Koninklijk Instituut van het Kunstpatrimonium, bekostigd door de Vrienden van de Koninklijke Musea. Dan vervolgt het parcours met de stillevens, het landschap en de portretten, waaronder enkele opmerkelijke stukken van Van Dyck. De Brabantse landschapsschool krijgt zoals de Luikse schooien de Vlaamse achttiende eeuw, eindelijk de erkenning die ze al zolang verdienen. 

Liesbeth De Belie neemt me op sleeptouw om al haar zeventiende-eeuwse Hollanders te laten bewonderen. Uit het legaat van Fréderic-Gisler komt een dubbelportret van Nicolaes Maes (1634-1693). Het portret van Laurent de Rasière en diens echtgenote Aletta van Hontum illustreert hoe deze collectie regelmatig uitgebreid door legaten van verwoede verzamelaars. Door de enorme herschikking komt er nu ook ruimte vrij voor het legaat van Dr. en Mevrouw Frans Heulens-Van der Meiren. Het is een opmerkelijke reeks schilderijen met als kern werken van Jan Provoost, Pieter Bruegel de Jonge en Denijs van Alsoot.

Toekomstplannen

Na de opmerkelijke derde renovatiefase komt er zowaar nog een vierde waarbij de inkomhal van het Balatgebouw zijn oorspronkelijke volume terugkrijgt met een perfect uitgeruste vestiaire voor niet
minder dan duizend bezoekers. Er komen twee extra zalen voor tijdelijke tentoonstellingen en nog heet wat verbouwingen en moderniseringen van het huidige auditorium en de educatieve dienst. Tot slot
krijgt het museum er nog een restaurant bij met een terras dat uitgeeft op de tuin der sculpturen. Hiermee treedt het museum opnieuw naar buiten en kan het eindelijk zonder teveel complexen Brussel omarmen.

Download hier de pdf

KMSK meer ruimte voor kunst en bezoeker.pdf