OKV2026.4
Hiphop is meer dan een cultuuruiting. In oktober 2025 kwamen wereldwijde vertegenwoordigers uit de hiphopwereld samen in het Ecomuseo Casilino ad Duas Lauros in Rome. Het doel: een studiegroep oprichten over hiphop als immaterieel erfgoed van de mensheid – Unesco keek goedkeurend toe. Jonas Bruyneel dook dan weer in de vaderlandse hiphopscene.
Werregaren- of graffitistraatje in Gent
Een zonnige vrijdagavond in juni. In de beschutting van de Gentse Zuidbibliotheek breakdancet een groepje jongens naast het skatepark. Niet veel later sla ik het graffitistraatje in waar een meisje in een hoodie een gezicht op de muur spuit. In het café verderop maken ze zich op voor een poëzieavond: rappers, slammers en dichters netjes naast elkaar. En op het billboard aan de overzijde prijst Bockie De Repper frituursnacks aan. Na meer dan vijftig jaar is hiphop een deel van ons culturele DNA.
Voor de wortels moeten we naar de Verenigde Staten, waar op 11 augustus 1973 DJ Kool Herc (1955) plaatjes draaide op een feestje in New York, de Back To School Jam. Zo’n mythische ontstaansdatum is leuk, maar waarschijnlijker is dat hiphop opborrelde aan de hele Amerikaans oost- en westkust. Zwarte en latinojongens die aan armoede en bendegeweld wilden ontsnappen, vonden een uitlaatklep in muziek, dans, beeld en woord, op een manier die integraal met het leven in de stad was verstrengeld.
Bij ons sijpelde hiphop pas in de jaren tachtig binnen. Films als Beat Street, Breakin’, Wild Style en Style Wars lieten voor jonge mensen een nieuwe wereld opengaan. Een van de eerste enthousiastelingen was danser Gerrit Wellens (1964). Voor hem was hiphopcultuur een antwoord op de wereld waarin hij leefde, een wereld waarin mensen met elkaar in dialoog gingen door de vaardigheden die ze opbouwden, over de grenzen van kleur, godsdienst of geaardheid heen. “Het ging erom om jongeren een doel te geven. Om respect te krijgen moest je niet de beste zijn, maar tonen dat je gepassioneerd was.”