Hoewel Jan Brueghel de Oude (1568-1625) de zeventiende-eeuwse tekenkunst nieuw leven inblies, werd er nog nooit een tentoonstelling exclusief aan zijn tekeningen gewijd. Het Snijders&Rockoxhuis brengt daar verandering in door een indrukwekkende collectie Bruegheltekeningen samen te brengen.

EEN EIGEN WEG

Wie dacht dat het Bruegeljaar na de grote overzichtstentoonstelling in Wenen geen verrassingen meer in petto had, vergist zich. Niet alleen organiseert de Koninklijke Bibliotheek in Brussel een tentoonstelling over de prenten en tekeningen van stamvader Pieter Bruegel de Oude, ook het Snijders&Rockoxhuis plaatst tekeningen centraal. In Antwerpen wordt aandacht besteed aan het getekende oeuvre van de jongste telg van Pieter: Jan Brueghel de Oude.

Jan Brueghel de Oude was rond 1600 een van de meest prominente en succesvolle kunstenaars uit de Zuidelijke Nederlanden. Zijn opleiding kreeg hij vermoedelijk van zijn grootmoeder, Mayken Verhulst (1518-1599), die zelf als miniatuurschilder actief was en hem met waterverf leerde werken. Aan deze opleiding zou Jan Brueghel een levenslange passie overhouden voor het minuscuul weergeven van verschillende stoffen, wat hem een van zijn vele bijnamen opleverde: Fluwelen Brueghel.

Jan Brueghel, Rivieroever met boten, gouache STAATLICHE MUSEEN ZU BERLIN, KUPFERSTICHKABINETT, INV. KDZ 746

Jan Brueghel, Rivieroever met boten, gouache

STAATLICHE MUSEEN ZU BERLIN, KUPFERSTICHKABINETT, INV. KDZ 746

Jan Brueghel I dankt zijn internationale faam aan het innovatieve karakter van zijn kunst. Heel wat van zijn werken zijn scharnierpunten die de overgang tussen de zestiende en zeventiende eeuw illustreren. Rond 1600 evolueerden zijn landschappen van gecomponeerde landschappen naar reële vertolkingen van de nabije wereld. Herkenbaar en aantrekkelijk voor zijn cliënteel. Daarnaast pionierde Jan Bruegel de Oude vanaf 1606 met een nieuw genre: het bloemstuk. Zijn triomfantelijke bloemenstillevens zijn virtuoos geschilderd en gedetailleerd uitgewerkt, maar verhullen vaak een vanitasmotief. Een volwaardig genre is geboren, en Brueghel kan rekenen op een nieuwe bijnaam: Bloemen-Brueghel.

In tegenstelling tot zijn oudere broer Pieter Breughel de Jonge (1564-1637/38), die een leven wijdde aan het verspreiden van hun vaders unieke beeldtaal, volgde Jan meer een eigen weg. Die weg leidde hem onder meer naar artistiek hoogstaande samenwerkingen. Van zijn zwakte – Jan Brueghel I was geen uitblinker in het weergeven van menselijke naakten – maakte hij een sterkte door landschappen te schilderen rond de sensuele naakten van onder anderen Rubens. Aan deze artistieke vriendschap werd in 2006 nog een tentoonstelling gewijd. De verfijnde schilderstijl van Jan Brueghel I leverde hem een adresboekje vol machtige mecenassen op. Brueghel werkte als hofschilder van de aartshertogen Albrecht en Isabella, onderhield een leven lang nauwe contacten met de Milanese kardinaal Federico Borromeo en ontving opdrachten van Heilig Rooms Keizer Rudolf II. Wanneer hij in 1625 aan cholera sterft, laat Brueghel tal van Antwerpse collega’s in rouw achter.

Jan Brueghel I dankt zijn internationale faam aan het innovatieve karakter van zijn kunst.

AUTONOME WERKEN

In het traditionele plaatje van Jan Brueghel I, zoals hierboven vluchtig geschetst, spelen tekeningen doorgaans een ondergeschikte, zo niet onbestaande, rol. Als ze al in een tentoonstelling worden opgenomen, is dat doorgaans als aanvulling op Brueghels schilderijen. En dat is spijtig. Jan Brueghel beschouwde zijn tekeningen namelijk niet als voorstudies voor zijn geschilderde oeuvre, maar als autonome werken. Dat blijkt uit het feit dat hij heel wat van zijn tekeningen signeerde en dateerde.

Dat Brueghel zijn tekeningen belangrijk genoeg vond om ze te signeren, laat kunsthistorici toe om hiaten in zijn biografie op te vullen. Zo is het mogelijk om via zijn tekeningen de Italiëreis van Jan Brueghel I te reconstrueren. De tentoon-stelling in het Snijders&Rockoxhuis bevat bijvoorbeeld een tekening met een zicht op het Duitse Heidelberg. Hoewel de tekening niet gedateerd is, kunnen we toch achterhalen wan-neer ze ongeveer gemaakt moet zijn. Op de tekening wordt namelijk Schloss Heidelberg afgebeeld. Deze residentie van de keurvorsten van de Palts werd vanaf 1590 grondig ver-bouwd, maar op Brueghels tekening zien we het kasteel nog in zijn oorspronkelijke staat. Aangezien we uit rekeningen weten dat Brueghel in 1590 al in Italië vertoefde, kunnen we ervan uitgaan dat de tekening voor 1590 gemaakt is, en dat Brueghel via Duitsland naar Italië reisde. Dat werd eerder al vermoed. Heidelberg ligt namelijk vlakbij Frankenthal, wat in die dagen een toevluchtsoord was voor gevluchte protestanten, zoals bevriende schilder Gillis van Coninxloo (1544-1606). De hypothese dat Brueghel via Duitsland in plaats van Frankrijk naar Italië reisde om van Coninxloo te ontmoeten, kan dus ondersteund worden door Brueghels tekeningen met een frisse blik te bekijken.

Jan Brueghel, Havengezicht STÄDEL MUSEUM, FRANKFURT - U. EDELMANN – ARTOTHEK, INV. 3738

Jan Brueghel, Havengezicht STÄDEL MUSEUM, FRANKFURT - U. EDELMANN – ARTOTHEK, INV. 3738

Ook andere tekeningen blijken een documentaire waarde te hebben. Zo toont Brueghels zicht op Rome van 1593 een Sint-Pietersbasiliek in volle opbouw. Slechts één zijkoepel blijkt afgewerkt. Op de volgende zijkoepel is het immers wachten tot omstreeks 1600. Dergelijke details wijzen erop dat Brueghels tekeningen behalve fijnzinnig ook topografisch correct zijn. Dat is ook het geval voor een tekening die hij niet alleen signeerde en dateerde, maar ook lokaliseerde. Wat op het eerste zicht een generiek straatbeeld met enkele huizen lijkt, blijkt een gedetailleerde studie naar het leven van bestaande huizen in Boheemse stijl. Door de kleine toevoeging ‘praga’ kan de tekening gesitueerd worden in Praag. Dat de tekening gedateerd is in 1604, het jaar waarin Jan Brueghel zich -vermoedelijk op uitnodiging van keizer en kunstverzamelaar Rudolf II- in die stad bevond, doet de puzzelstukjes mooi in elkaar vallen.

Jan Brueghel, Rome, 1594, tekening HESSISCHES LANDESMUSEUM, DARMSTADT

Jan Brueghel, Rome, 1594, tekening HESSISCHES LANDESMUSEUM, DARMSTADT

PERSOONLIJKE STIJL

Jan Brueghel, Herten, tekening COLLECTIE JEAN BONNA, GENÈVE, FOTO: PATRICK GOETELEN

Jan Brueghel, Herten, tekening COLLECTIE JEAN BONNA, GENÈVE, FOTO: PATRICK GOETELEN

Los van hun documentaire waarde, zijn de tekeningen ook simpelweg een lust voor het oog. Ge-tekend met pen en inkt (en soms opgehoogd met aquarel), valt meteen op hoe Jan Brueghel in staat is om in zijn tekeningen evenveel accenten te leggen als in zijn schilderijen. Bovendien is het net in zijn tekeningen dat Brueghel enkele van zijn meest revolutionaire artistieke innovaties zal doorvoeren.

De persoonlijke stijl van Jan Brueghel de Oude blijkt dan ook mooi uit zijn omgang met het getekende landschap. Hoewel hij de mosterd haalde bij zijn vader Pieter, hanteert hij toch een heel andere aanpak. Pieter Bruegel was tijdens zijn reis naar Italië zodanig onder de indruk van de Alpen, dat hij ze keer op keer zou herwerken in wereldlandschappen waarin hij vaak de overweldigende kracht van de natuur voor zich liet spreken.

Jan Brueghel, Straat in Praag, tekening FONDATION CUSTODIA, FONDATION FRITS LUGT, PARIJS, INV. 2559

Jan Brueghel, Straat in Praag, tekening

FONDATION CUSTODIA, FONDATION FRITS LUGT, PARIJS, INV. 2559

Jan Brueghel verlegde al gauw de focus van het natuurschoon naar de menselijke cultuur. In zijn tekeningen van Italiaanse landschappen overheersen doorgaans Romeinse ruïnes. Met zijn creatie van deze cultuurlandschappen zien we hoe Jan zich de principes van zijn vader eigen maakt, maar op een heel eigen manier uitwerkt.

In een volgende fase van zijn carrière zal Jan Brueghel I de berglandschappen bijna volledig achterwege laten. Vanaf dan focust hij in zijn tekeningen op vlakke landschappen. Een geslaagde poging om zich te onderscheiden van de vele andere landschapskunstenaars in zijn tijd. In plaats van voor het diepe, atmosferische perspectief dat gebruikelijk was in die periode, kiest Brueghel voor vlakke vergezichten waarin horizontale lijnen domineren. Ongehinderd door obstakels op het voorplan trekt Brueghel de blik van de toeschouwer in zijn tekeningen. Een blik die door de lage horizonlijn bijna automatisch naar de wolkenpartij glijdt. Zijn experimenten met ruimtewerking luidden een nieuw vertrekpunt in voor de landschapsweergave in de kunst.

Dat Jan Brueghel zo vaak nagevolgd werd door tijdgenoten zorgde ervoor dat er vroeger niet minder dan 600 tekeningen aan hem toegeschreven werden. De curatoren van deze ten-toonstelling brengen dat aantal terug tot een 140-tal. Daarvan zijn er niet minder dan 60 te zien in het Snijders&Rockoxhuis. De evolutie in de tekenstijl van Jan Brueghel wordt op de tentoonstelling aanschouwelijk gemaakt via zes thema’s: herinneringen aan zijn tijd in Italië, rivier- en dorpsgezichten, wegen en reizigers, wouden, kustscènes. Eindigen doen de curatoren met een aantal van Jans gerelateerde schilderijen. Een toemaatje dat extra in de verf zet dat de tekeningen van Jan Brueghel I op zichzelf staande kunstwerken zijn die een spotlicht verdienen.

Tentoonstelling

Jan Brueghel I (1568-1625). Een uitmuntend tekenaar - Van 5 oktober2019 t.e.m. 26 januari 2020 - Open: dinsdag t.e.m. zondag van 10 tot 17 uur – Gesloten: maandag - Snijders&Rockoxhuis - Keizerstraat 10-12, 2000 Antwerpen - T 03 201 92 50

Download hier de pdf

Fluwelen Brueghel - Verrast met tekeningen