Deze weelderige tuil vat Daniël Seghers op volgens een wel bepaald type, rekening houdend met de gebogen lijnen van de barokarchitectuur. Hier en daar bundelt hij een aantal bloemen, liever dan ze, zonder ritme alle door elkaar te vlechten. Zo onderscheidt men drie tuiltjes onderaan en een vierde helemaal boven, op de middenvolute. Het algemeen schema is driehoekig. Op zijn beurt is elk tuiltje kleurrijk geschakeerd. Het bovenste ontvouwt zich als een festoen ten einde de bekroning van de cartouche te tooien. Twee appelbloesems volgen op de meest gracieuze wijze de gebogen vormen der volutes. De drie tuiltjes beneden, verlenen aan de ganse voorstelling een stevige, evenwichtige en bonte basis. Van die drie helgekleurde kernen uit spreiden de meer groene stekelachtigen zich waaiervormig uit om het hele doek te vullen, zowel beneden- als opwaarts. Die dwingende neiging om alle lege plekjes te vullen doet nog enigszins aan het traditionele horror vacui terugdenken.
De schitterende tinten van elk boeket waarbij geel, rood, roze, paars en groen het meest opvallen, verlenen aan de tamelijk grijze, zelfs koude tinten van het centrale reliëf een warme levendigheid. Het is een echte feeërie die de heilige personages met een passende kleurenweelde omstraalt en het visioen tot werkelijkheid brengt. De frisse tinten van de bloemen zijn natuurgetrouw weergegeven. Het donkergroen van de bladeren en van de stengels bezorgt op diskrete wijze een verheugend koloriet aan de te duistere hoekjes. Toch geeft de schilder blijk van een niet te loochenen voorkeur voor een sombere kleurengamma. Hij gebruikt gaarne bruin, grijs, paars, doch wendt ook vermiljoenrood aan. Het groen zweemt doorgaans naar het blauw of de bronskleur over, wat de bloemen nog sterker doet uitkomen.
Dit schilderij is een voorbeeld van de klare en logische stijl van Daniël Seghers. De planten en de bloemen verraden de vakkunde van een miniaturist. Daniël Seghers toont hier eens te meer zijn vaardige techniek. Het modelé van elke bloem bekomt hij door een fijn geschakeerd schaduwspel. leder natuurelementje wordt ragfijn gedetailleerd, waarbij het stekelachtige van de bladeren goed tot zijn recht komt. Ondanks de natuurgetrouwheid, schijnen deze goed geordende bloemen toch niet volgens een bepaald model gepenseeld te zijn. Alles wijst erop dat de schilder zich bediende van persoonlijke documenten: zoals tekeningen en aquarellen. Men moet er trouwens rekening mee houden dat die bloemen in diverse seizoenen bloeien en dat hun frisheid van zeer voorbijgaande aard is. Het licht, waarin zijn bloemen baden, is tamelijk vlak en egaal. Dank zij het aanwenden van bladeren en gewone veldbloemen komen de edeler soorten veel beter tot hun recht.
Een soortgelijk schilderij van Seghers hangt in het Museum te Antwerpen: 'De H. Ignatius van Loyola' (doek: 299 x 190 cm). In dat schilderij wil hij aan de stichter van zijn orde hulde brengen en omkranst de beeltenis van de heilige met schitterende bloemen wier frisse en natuurgetrouwe tinten door geen enkel ander schilder werden gevonden. Evenals in het schilderij van de H. Theresia zwiert de kunstenaar zijn festoenen langs de volutes van de cartouche heen en volgt hierin zijn stijlrichting die kenschetsend is voor zijn eigen bezieling en inspiratie. Desondanks draagt hij de stempel van zijn eeuw die niet te loochenen valt.
Met dit genre leunt Daniël Seghers aan bij de eigentijdse, Zuidnederlandse stroming. Tijdens de vorige eeuwen werden de planten exclusief benut om hun geneeskundige kracht, maar met het introduceren van vreemde siergewassen wekte de stralende schoonheid van de bloemen meer en meer de belangstelling op. Het duurde niet lang of er kwam een moraliserende zinspeling bij te pas: de rasse vernieling van die schitterende, doch uiterst voorbijgaande tuilen werd het gedroomde vanitas-motief.