Dhondt

De Belgische privékunstverzamelaar heeft sinds jaren een ijzersterke reputatie. Het cliché luidt dat Nederland een land is van musea en België een land van verzamelaars. Het gebeurt zelden dat een boek zo diep ingaat op Belgische privéverzamelingen. De meeste van de zestien besproken verzamelaars zijn al overleden. Aan de basis ligt het beoogde doctoraat van de helaas veel te jong gestorven kunsthistoricus en onderzoeker van het Museum Dhondt-Dhaenens Tanguy Eeckhoudt (+ januari 2018) . De publicatie kwam tot stand in samenwerking met de Universiteit Gent, onder leiding van Steven Jacobs en Maarten Liefooghe. Die leggen in hun inleiding uit hoe ze tewerk gingen. Diverse notities die Eeckhout maakte werden samengebracht en er was een lijvig essay over de geschiedenis van het verzamelen in België en de uiteenlopende motivaties van de verzamelaars. Veel vinden een verklaring in hun kindertijd. Hun vader was al verzamelaar, zoals bij Bertie Urvater (1910-2003), Bénédict Goldschmidt (1905-1972), Anton Herbert (°1938) en Herman Daled (1930-2020). Of sommigen hadden al op zeer jonge leeftijd contact met kunstenaars, zoals bij Roger Matthys (1920-2016) wiens vader lijstenmaker was. Maar het kon ook anders. Zij die uit een eenvoudige, niet persé kunstminnende omgeving komen onderscheidden zich met hun verzameling “ter verheffing van hun eigen status”, zoals dat dan heette bij onder andere Maurits Naessens (1908-1982) en het echtpaar Jules Dhondt (1889-1969) en Irma Dhaenens (1892-1973).

Het tweede deel van de mooie publicatie ging het eerste hoofdstuk worden van Eeckhoudts proefschrift Privéverzamelingen van moderne kunst in België: een kleine geschiedenis. Het onderzoek spitste zich toe op de periode 1945-1980, een tijdperk dat zich kenmerkt door een heleboel snel ontwikkelende verschuivingen op meerdere vlakken. In 1980 organiseerde het Gentse Museum van Hedendaagse Kunst de expo Kunst in Europa na ’68. Het was voor veel verzamelaars eindelijk een museale erkenning van hun veel vroegere keuze voor bepaalde kunstenaars.

Maisons d'Art Moderne

Succesvol ondernemen en verzamelen

De bekendste verzamelaars van wie de collecties tussen 1954 en 1965 ook publiekelijk tentoongesteld werden, waren allen succesvolle ondernemers: de Luikenaar Fernand Graindorge (in de import en export van staal), Philippe Dotremont (1898-1966), directeur van een suikerraffinaderij, Bénédict Goldschmidt en Maurits Naessens als bankdirecteuren, Tony Herbert (1902-1959) als directeur van de Kortrijkse katoenspinnerij, Gustave Van Geluwe (1883-1962) als eigenaar van een prestigieuze herenmodezaak, Bertie Urvater als diamanthandelaar, Gustave Nellens (1907-1971) als casinobaas. Het zijn allemaal namen die in het derde en meest volumineuze deel van het boek terugkomen. De rol van die verzamelaars valt niet te onderschatten. Hun collecties werden ingezet in de strijd voor de moderne kunst. De verzamelaars waren cultuurgenerators, zo stelt de auteur. Ze kochten consequent werk aan van levende kunstenaars, stichtten organisaties die tentoonstellingen organiseerden en kunstenaars ondersteunden en lieten hun eigen verzamelingen rondreizen. Aangezien de Belgische Staat en haar musea slechts schoorvoetend eigentijdse kunst konden aankopen ontstond er een verbond tussen hen en de verzamelaars die in verschillende grote belangrijke expo’s uitmonden zoals Panorama van hedendaagse kunst uit Belgische musea en Verzamelingen (1953) in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten.

Uiteindelijk bespreken de auteurs zestien belangrijke Belgische kunstverzamelingen. Men staat stil bij de specificiteit van de verzameling. Hoe kwam die tot stand en wat waren de keuzes van de verzamelaar? Herman Daled (1930-2020) kocht bijvoorbeeld in 1969 een werk van de Franse kunstenaar Daniel Buren (°1938) en had nadien een overeenkomst met hem om gedurende één jaar elke maand één werk van Buren te kopen. Diamantair Bertie Urvater (1910-2003) kocht niets aan van het Vlaams expressionisme maar het echtpaar toonde wel interesse voor werk van Paul Klee (1879-1940), Wassily Kandinsky (1866-1944) en voor de surrealisten waaruit een oprechte vriendschap met Max Ernst (1891-1976) voortvloeide. Hun huis was ontworpen als een ‘museumwoning’ waar kunstenaars, museadirecteurs en andere kunstliefhebbers over de vloer kwamen. Uiteindelijk verkochten ze zelf een reeks stukken tussen 1960-2000 en kwamen er 21 werken terecht in de KMSKB. Maar niet elke verzamelaar was van goede komaf. Gustave van Geluwe (1883-1962) begon als hoedenmaker die langzaam opklom tot eigenaar van een chique kledingzaak Maison Rose – Van Geluwe in Brussel. Hij kocht van collega verzamelaars zoals E.L.T. Mesens en vooral van de kunstenaars zelf. De legende wil dat hij hun werken accepteerde om openstaande schulden aan zijn kledingzaak te regelen. Bij zijn onverwachte dood in 1962 viel de verzameling uiteen. Sommige werken konden verworven worden door het KMSKA in Antwerpen en de KMSKB in Brussel. De provincie West-Vlaanderen kon niet minder dan 41 werken aankopen, wat de basis vormde voor het latere Provinciaal Museum voor Moderne Kunst in Oostende (het huidige Mu.Zee).

Gustave Nellens (1907-1971) was de zoon en erfgenaam van de Antwerpse bankier, ondernemer en senator François Joseph Nellens. Uitvalsbasis voor de kunstverzameling was het Casino van Knokke waar hij vanaf 1949 elk jaar een zomertentoonstelling organiseerde met moderne en eigentijdse kunst. Gustave Nellens verzamelde in het begin vooral werk van James Ensor en stelde een bijna complete verzameling van de verschillende generaties van de Latemse School samen. Later kwam daar het surrealisme bij met als hoogtepunt de opdracht aan Magritte voor een muurschildering van 70 meter lang en 4 meter hoog, Le Domaine enchanté, in het Casino.

De verzameling Jules & Irma Dhondt-Dhaenens is bekender bij het grote publiek door het gelijknamige museum. Beide waren afkomstig uit een bescheiden milieu in het Gentse. Met vallen en opstaan vergaarden ze fortuin in de aardappelhandel. Ze hielden zelf nauw contact met kunstenaars van de Leiestreek maar kochten ook werk van andere Vlaamse kunstenaars tussen 1880 en 1950 zoals James Ensor, Rik Wouters en Leon Spilliaert. Als een van de eersten richten ze een Stichting op die hun verzameling moest tonen en toegankelijk houden voor het publiek. Hetzelfde museum speelde een voortrekkersrol in het tonen van privékunstverzamelingen. Het was hier dat auteur Tanguy Eeckhoudt werkte en zijn beoogde doctoraat bevroedde. Het boek is niet alleen een ode aan hem, maar aan alle kunstverzamelaars die met passie en gedrevenheid hun verzameling opbouwden. Veel van hun topstukken schitteren gelukkig vandaag in onze musea.

Boek

Maisons d’art moderne. Privéverzamelingen in België
Tanguy Eeckhout, tweetalig Engels / Nederlands
28 x 23 cm, 271 blz.
uitgeverij MER/ Borgerhoff & Lamberigts
winkelprijs: € 39.90
Met talloze onuitgegeven archiefbeelden en veel kleurafbeeldingen
van de kunstwerken.

Download hier de pdf

20212 Maison dart moderne.pdf