OKV2026.5
Met Scultori Fiamminghi. Vlaamse beeldhouwers in Italië brengt M Leuven een uitzonderlijke selectie sculpturen, schilderijen, tekeningen en prenten samen. Het doel is ambitieus: de schijnwerpers richten op een groep kunstenaars die vandaag grotendeels onbekend is, maar in de zestiende eeuw tot de Europese artistieke elite behoorde. Zo ontstaat een nieuw perspectief op de renaissance, waarin Italië en de Lage Landen niet als centrum en periferie tegenover elkaar staan, maar deel uitmaken van een netwerk van reizende kunstenaars, ideeën en stijlen.
Dé renaissance bestaat niet. Het traditionele riedeltje waarin alle belangrijke artistieke ontwikkelingen zich vanuit vroegmodern Italië als een olievlek over Europa verspreidden, is ondertussen allang weerlegd. Zestiende-eeuwse schilders als Jan van Scorel of Jan Gossart trokken de Alpen over en introduceerden tal van renaissancemotieven in de Lage Landen, terwijl een eeuw daarvoor internationale trendsetters als Hans Memling of Hugo van der Goes het detailrealisme uit de Zuidelijke Nederlanden al exporteerden naar het Middellandse Zeegebied. Binnen de schilderkunst hebben kunsthistorici dus al uitvoerig aangetoond hoe de renaissance geen eenrichtingsverkeer was, maar een continue uitwisseling van ideeën en lokale tradities.
Jacques Jonghelinck, Sol, brons, 45,7 x 21 x 13 cm, Rijksmuseum, Amsterdam
Maar hoe zat het met de beeldhouwkunst? Tot nu toe is er veel minder aandacht besteed aan de wederzijdse beïnvloeding van beeldhouwers in Noord- en Zuid-Europa. Nochtans was die er zeker, zij het wat aarzelender dan bij de schilders. De zestiende eeuw was het beeldhouwtechnische herfsttij van de late gotiek in onze contreien. Ook na de gotische hoogdagen van de vijftiende eeuw bleven gesneden retabels uit Antwerpen nog lang typisch gotische elementen uitdragen, toch treffen we ook dan al sporen van interactie aan. In 1508-09 reisde Jan Gossart (1478-1532) naar Rome in het spoor van Filips van Bourgondië. Die laatste was een bastaardzoon van Filips de Goede, die in opdracht van landvoogdes Margaretha van Oostenrijk op diplomatieke missie werd gestuurd naar het hof van paus Julius II. Gossart kwam er in contact met de beeldtaal van de klassieke oudheid en maakte er tekeningen die hij uiteraard meenam naar de Zuidelijke Nederlanden. Terug thuis was Gossart wellicht betrokken bij het ontwerp van een aantal grafmonumenten waarin de renaissance al duidelijk doorschemert.
Onder impuls van de landvoogdessen Margaretha van Oostenrijk en Maria van Hongarije ontpopten de Zuidelijke Nederlanden zich tot een ontmoetingsplek voor kunstenaars van internationaal niveau, zoals beeldhouwers Conrad Meit en Jean Mone, die nieuwe stijlelementen introduceerden. Maar stilaan trokken ook beeldhouwers zelf richting Italië, zoals bijvoorbeeld Jacques Dubroeucq (ca. 1505-1584). Deze innovatieve kunstenaar uit Bergen verbleef maar liefst vijf jaar in de laars en raakte er verknocht aan de kunst van Michelangelo (1475-1564). Dubroeucq werd in zijn eigen tijd gevierd als sculpteur en architect, maar is vandaag grotendeels vergeten omdat zo weinig werk van hem de tand des tijds heeft doorstaan. Verschillende van zijn vernieuwende sculpturen werden tijdens de Franse Revolutie vernield en de renaissancepaleizen van Binche en Mariemont, die hij voor landvoogdes Maria van Hongarije ontwierp, overleefden evenmin het Franse geweld.