Mijn begrafenissen, 1940, Trouille

Mijn begrafenissen, 1940

Zowat overal in Europa lijkt het surrealisme weer in opmars. Parijs zet de toon met een uitgebreide overzichtstentoonstelling. In eigen land hebben we de keuze tussen diverse tentoonstellingen waaronder die in het PMMK te Oostende de kroon spant. Zo dachten we tenminste.

Conservator Willy Van den Bussche heeft vier kunstenaars bij elkaar gebracht die in mindere of meerdere mate bij het surrealisme aanleunen:

  • Desmond Morris, met biomorfe uitbeeldingen die niet zonder verwantschap met Tanguy, Arp of Miro zijn, zelfs soms met een vleugje Matta of Lam;
  • Ergin lnan, een Turkse kunstenaar wiens magische wereld doorspekt is met Oosterse en Westerse elementen en die bovendien de techniek van het trompe­ l'oeil perfect beheerst;
  • Emile Salkin; zijn werk mag gerust een openbaring worden genoemd. Zijn omgang met Paul Delvaux en met Marcel Broodthaers roept interessante vragen op in verband met verwantschap en beïnvloeding.
  • Clovis Trouille tot slot, die wel degelijk in de bewogen geschiedenis van het surrealisme voor de nodige deining heeft gezorgd.

Censuur

Trouille was berucht en kon er prat op gaan dat hij het meer dan eens met de censuur aan de stok heeft gehad. Zijn werk is dan ook onomwonden erotisch en hevig antiklerikaal. Aan pausen had hij de pest en hij dreef evengoed de spot met Pius XII als met André Breton (de ene paus van Rome, de andere van het surrealisme). Schilderijen van Clovis Trouille waren vooral bekend geraakt via publicaties in surrealistisch gezinde tijdschriften. Trouille heeft bitter weinig tentoongesteld: af en toe eens een schilderij in een groepstentoonstelling en één enkele individuele tentoonstelling. Aan verkoop dacht hij helemaal niet. Een schilderij dat met het oog op winstbejag geconcipieerd werd, kon in zijn ogen niet valabel zijn.

Voor de surrealisten die met de nodige tamtam hun werk aan de man brachten, had hij enkel misprijzende woorden over, al heeft hij nooit iemand met naam genoemd. Het was eerder een collectief afwijzen van de kunsthandel en van zijn leveranciers.

De vrolijke parade, 1907-1960, Trouille

De vrolijke parade, 1907-1960

De laatste zondagsschilder?

Hij bestempelde  zichzelf zonder complexen als een zondagsschilder -een uitstervend ras vond hij- en een eerste oogopslag bevestigt dat predikaat. Niet zelden kiest Trouille voor een correcte, maar banale compositie. Hij schuwt de schreeuwerige kleuren met kitscherige inslag niet. De stilistische verwantschap met het goedkope chromowerk uit de populaire tijdschriften uit de Belle Epoque is gewild. Op het schilderij 'Stigma Diaboli' herkennen we André Breton als één van de prelaten die met samengeperste lippen en volle aandacht naar het bezwarende plekje op een mooi gewelfde en subliem geschilderde bil speurt. Hij was aanvankelijk een groot bewonderaar van de pseudo-volkse inslag van Trouilles werk. Maar de zorg waarmee hij zijn schilderwerk uitoefende vond hij overdreven. Trouille die inderdaad een perfectionist was, kon niet instemmen met Bretons misprijzen voor de Oude Meesters.

Verwijten en schimpscheuten waren niet van de lucht. Trouille hield er een surrealistische kater aan over, in de vorm van een regelrechte excommunicatie uit de beweging, maar bleef zijn eigen stijl trouw. Hij schildert met brio als een fijn­ schilder, dit in tegenstelling tot Magritte die aan de vorm veel minder belang hechtte. Hij was niet te beroerd om bepaalde schilderijen soms na jaren nog eens onder handen te nemen. Heel wat werken dragen daarom twee data . Het meest extreme geval is wel 'La Partouse' uit 1930-1966!

Alkoofgeheimen te Oostende

Het PMMK heeft op de sfeer van dit buitensporige werk ingespeeld. Zinnelijk en heiligschennend pronken de meer dan zestig werken in zwart behangen alkoven. Voor de bezoekers werd de rode loper uitgelegd . Schilderijen van Clovis Trouille krijg je zelden te zien, op veilingen zelfs helemaal niet. Een dergelijk ensemble was in ons land nooit eerder te zien. En zelfs voor de happy few die ooit de enige retrospectieve te Parijs gezien hebben, blijft dit een buitenkans. Doch wat blijkt? De opkomst van het publiek blijft ondermaats.

De persbelangstelling  is meer dan matig geweest. Conservator Willy Van den Bussche betreurt deze gang van zaken, maar vindt er geen redelijke uitleg voor. Deze eigenzinnige vorm van figuratie past volledig in de tentoonstellingspolitiek die hij sinds de geruchtmakende tentoonstelling " Between Heaven and Earth" voert. Figuratie heeft inderdaad een eigentijds gezicht en uit zich in sterk uiteenlopende vormen. Eén van die vormen is het herrezen surrealisme dat niet samen met zijn voornaamste vertegenwoordigers is verdwenen en dat meer dan een rijk arsenaal aan bevreemdende beelden heeft opgeleverd. De reacties van het schaarse publiek wezen vooral op verwondering bij werk dat, behalve dat van Desmond Morris, volledig onbekend is. Bij Trouille worden de erotische iconen in eerbiedige stilte gemonsterd , alkoof na alkoof. Hooguit hoorde ik een Nederlandse bezoeker zijn echtgenote iets toefluisteren van : "Erg ondeugend". Er klonk blijmoedige goedkeuring in zijn stem. 

Praktisch

Download hier de pdf

Clovis Trouille.pdf