OKV2009.3
De renovatie van het KMSKA is niet enkel een zegen voor het museum, het is een godsgeschenk voor Antwerpen. In de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal en het Rockoxhuis komen kunstwerken logeren waarvan sommige verwelkomd zullen worden als oude bekenden. Tien retabels keren terug naar de plek waarvoor ze ooit gemaakt werden.
Otto van Veen, Het Laatste Avondmaal, 1592, olieverf op doek, 350 x 247 cm. De Kathedraal, Antwerpen
Op 31 oktober 1815 trok een aantal karren vanuit Parijs noordwaarts. Ze waren tjokvol geladen met het door Napoleon geconfisqueerde vaderlandse kunstpatrimonium. De Van Eycks, Rubens en hun broeders legden de terugtocht af tijdens de barre wintertijd, in een tijdperk waarin klimatologische beheersing nog geen zaak van wetenschappelijke exactheid betrof. In Brussel aangekomen hadden ze volgens de burgemeester hun bestemming bereikt. Het weerzien met de Schelde werd bijna voorgoed uitgesteld. Zover kwam het echter niet en de karavaan trok na inmenging van hogerhand verder, stopte in Mechelen, waarna 4 wagens richting havenstad hobbelden.
Een aanzienlijk aantal retabels zoals De val van de opstandige engelen van Frans Floris en het Miehielsen-epitaaf met Christus op het stro van Rubens, zijn nooit naar hun originele standplaats in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal teruggekeerd. Ze zouden in de Academie voor Schone Kunsten blijven en de basis uitmaken van het latere museum. De kathedraal ruilde hen voor Rubens' De Kruisoprichting, wiens onderkomen, de Walburgiskerk, afgebroken was. Het Franse optreden had de situatie van het kerkelijk erfgoed op schokkende wijze naar een nieuw tijdperk geloodst. De stichting van het Museum voor Schone Kunsten was een positief wapenfeit, waarbij het voorbeeld van het Louvre niet te onderschatten was. Maar dit bracht beperkingen met zich mee.