In de halfduistere kooromgang van de O.-L.-V.-kathedraal, achter het hoogaltaar, ligt - eenzaam en droomschoon - een vrouwelijke gestalte met gevouwen handen : het beeld van Isabella van Bourbon.
Eens was zij de tweede gemalin van de graaf van Charolais, de latere Bourgondische hertog Karel de Stoute (1433-1477). Zij mocht zich ook zijn nicht heten, als dochter van de hertog van Bourbon en van een zuster van hertog Filips de Goede. Karel en Isabella waren gehuwd te Rijsel op 30 oktober 1454 en er kwam daarbij helemaal geen Bourgondische schittering te pas. Toch werd die echtverbintenis, uit staatsbelang gesloten, een succes op het menselijk vlak. Waarschijnlijk dank zij Isabella, want het stug en opvliegend karakter van Karel bleef voor niemand een geheim.
Beter nog dan door het hier behandelde beeld, waarvan het aangezicht helaas door houwen geschonden werd tijdens de godsdienstonlusten in de 16de eeuw, kunnen wij de persoonlijkheid van de jonge Isabella benaderen dank zij een portret van een onbekend meester, bewaard in het Museum voor Schone Kunsten te Gent. De prinses draagt hierop de zogenaamde 'hennin', de hoge kegelvormige punthoed met sluier. De oren blijven geheel ontbloot. Voorhoofd en slapen zijn onthaard want een hoog, bol voorhoofd was mode, betekende schoonheid. Daaronder verschijnt een pittig, ovaal gezichtje met aandachtige ogen, een ondeugende wipneus, een vrij sensuele mond met gevulde lippen. Een fraai halssnoer tooit de slanke hals.