Voor Vlaanderen betekent de 18de eeuw een zwakke overgangsperiode naar neo-classistische tendensen; een tijd van veel talent doch zonder leidend genie of leidend kunstcentrum.
Dergelijke situatie bracht mee dat de kunst in Vlaanderen een provincialistische kunst werd van secundaire meesters. Een zekere invloed van het woelige en intrigerende Franse leven drong nochtans zwakjes door tot Brugge, een provinciestadje der Zuidelijke Nederlanden, waar in 1713, na de Vrede van Utrecht, met Karel VI het Oostenrijkse tijdvak begon. Op het einde van de 17de eeuw zette een economische depressie in, die duurde tot het midden van de 18de eeuw. Zij werd slechts door een kleine opbloei, onder het bestuur van Karel van Lotharingen, onderbroken. Gedurende de daaropvolgende jaren raakte Brugge in het vergeetboek door het protectionisme van de buurstaten die de Brugse export verhinderden. Van het midden der 18de eeuw werd echter de situatie heel wat beter.