Waarin verschilt nu echter deze noordelijke renaissancestijl - sommige auteurs spreken bij voorkeur van het maniërisme - met de kunst van de Vlaamse primitieven uit de voorgaande eeuw ? Wat is nu het nieuwe bij Barend van Orley ? Twee kenmerken vallen onmiddellijk op: de behandeling van het naakt en de vormgeving van de architectuur.
De gestalten van de personages zijn forser dan in de voorgaande periode, de kunstenaar besteedt grote zorg aan de anatomische juistheid, de houdingen worden soms bepaald door de contrapost. De architectuur van haar kant houdt geen enkel verband meer met de laat-gotiek die nochtans op dat ogenblik, links en rechts ontleent de kunstenaar aan een werk dat hij enkele jaren vroeger maakte, nog lang niet uitgestorven was. (Men moet trouwens maar eens goed de lijst van het schilderij bekijken!).
De kunstenaar roept een modelstad op, een ideale omgeving met prachtige huizen. Opvallend zijn de zuilen, de bassementen, de kroonlijsten. In de achtergrond rechts is de oude vestingtoren voorzien van een bovenbouw volgens nieuwe normen. (Dat zal later in verschillende steden inderdaad plaatsgrijpen). De open-architectuur links en rechts ontleent de kunstenaar aan een werk dat hij enkele jaren vroeger maakte, het beroemde Job-retabel, nu in het museum te Brussel. Dit architectuurdecor is van grote invloed geweest op de afbeelding van de werken van Barmhartigheid, in de kunst over het algemeen en zal vaak hernomen worden tot in de volgende eeuw. Denk maar aan de gelijknamige schilderijen van de Franckens.
Kenmerkend voor Barend van Orley is zijn zoeken naar een geordende compositie. Wij spraken reeds van de apostelen op de wolken. Wel hier komt dat streven duidelijk tot uiting. Figuren die op wolken zitten zien wij reeds veel vroeger. Denk maar aan het prachtige Laatste Oordeel, geschilderd door Rogier van der Weyden dat zich bevindt in het hospitaal te Beaune ! Doch hier bij Barend van Orley is de groep gevangen in een grote boog die de zijpanelen verbindt met het middenstuk en terzelfdertijd een grote dieptewerking verleent aan het geheel.
In dit groot schilderij treffen ons verder nog vormkenmerken eigen aan het maniërisme van de zestiende eeuw: het overdreven vluchtende perspectief en de drukke theatrale bewegingen van de personages. Een en ander heeft men willen verklaren door de grote geestelijke en politieke onrust van deze periode. Met het maniërisme kunnen wij ook nog verbinden het zoeken naar uitgesproken tegenstellingen, zoals hier het dynamische van de personages tegenover het statische van de architectuur en het onbewogene van het voorplan, waar naast elkaar opgesteld zijn als in een stilleven, een houten kan, een korf, een spade. Contrasterend zijn ook de naakten met de geklede personages, het rijke decor van marmer met de bedelaars gehuld in lompen. Maar dit wordt bepaald door de inhoud van het schilderij.