Heeft het nog wel zin schilderijen en beelden te maken, die slechts tot een uiterst beperkt publiek doordringen, die zich lenen tot bezitsvorming en investering, die het prestige van een kleine groep dienen en toch geen ingrijpende maatschappelijke werking krijgen?
Deze vraag zijn steeds meer kunstenaars zich gaan stellen en leidde in de jaren '60 tot het zoeken naar meer directe vormen van communicatie. De zogenaamde 'happenings' kunnen voor een deel uit die behoefte zijn ontstaan. Zij waren slechts mogelijk omdat men naast het kunstwerk als object ook het kunstwerk als handeling aanvaardde, dus als een creatie in de tijd en in de ruimte maar niet meer als een materieel, exposeerbaar en conserveerbaar voorwerp. Met de happenings kwam de beeldende kunstenaar in de buurt van de danser, de toneel-auteur en -acteur, de regisseur, de entertainer. Maar hij hield het nog bij artistieke zelf-expressie, meestal met een ludiek en vrijblijvend karakter, en de beoogde bredere communicatie kwam hierdoor niet tot stand.
Die zou pas bereikt worden - zij het ook dan nog in relatieve beperktheid - toen kunstenaars met hun acties rechtstreeks gingen inhaken op de sociale werkelijkheid. Zij gingen daarbij minder belang hechten aan het aspect 'kunst', veel meer aan de aspecten 'mededeling', 'aanklacht', 'protest'. Uit het individuele en individualistische traden zij in het collectieve, en meteen werd het vormprobleem helemaal anders gesteld. Het kwam er nu in de eerste plaats op het overbrengen van een idee aan.
Dat hun acties toch nog als een vorm van kunst beschouwd moeten worden is in veel gevallen gewoon omdat zij onwillekeurig aan elke idee een creatieve vorm geven, waardoor zij toch nog gepersonaliseerd en gesigneerd zijn, in tegenstelling tot anonieme politieke acties die uiterlijk alle op elkaar gelijken.