Dit drieluikje, een aanwinst van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen, houdt duidelijk verband met Tongerlo en zijn witheren. Op de vrij beschadigde buitenkant van de zijluiken herkent men het gouden schild met de drie kepers van keel dat deze norbertijnerabdij van oudsher als wapen voert.
Ook de mijter met de hand en de spreukband midden een stralenbundel wijzen op Tongerlo. De letters ANTO, eveneens op de gesloten luiken aangebracht, zijn in verband te brengen met abt Antonius Tsgrooten. Deze zoon van een eenvoudige hoefsmid uit Oisterwijk (Noord-Brabant) bestuurde de abdij van 1504 tot 1530 en was een van haar grote bouwheren en maecenen.
Hij is het die op de binnenzijde van het rechterluik werd afgebeeld. In knielende houding, gehuld in het witte gewaad van de norbertijnen, houdt hij de abtsstaf tussen de gevouwen handen. Er bleven nog twee andere portretten van Antonius Tsgrooten bewaard: een ervan vindt men op het drieluik van Maria-ter-Heide (Brasschaat), een ander, helaas slechts van latere datum, is nog in de abdij zelf aanwezig. Een onderlinge vergelijking van deze drie afbeeldingen maakt duidelijk dat het hier gaat om één en dezelfde persoon. Wie overigens aandachtig wil toezien, zal ontdekken dat op het Antwerpse luikje ook de patroonheilige van Tsgrooten, namelijk Antonius, abt en kluizenaar, is weergegeven. Juist boven het hoofd van de abt, tussen de kromstaf en de rand van het paneel, werd, verscholen in een bosje en miniatuurachtig klein, een bekoring van Antonius voorgesteld. Zelfs het varkentje, een bijzonder populair attribuut van deze heilige, werd door de schilder niet vergeten.