Carel van Mander, de eerste biograaf van Pieter Bruegel de Oude, getuigt dat deze laatste 'in sijn reysen veel ghesichten nae 't leven gheconterfeyt heeft, soedat er gheseyt wordt dat hij in d'Alpes wesende al die berghen en rotsen had in geswolghen en 't huys ghecomen op doecken en penneelen uytgespoghen hadde'.
Hij had daarbij, zoals verder blijken zal, ook de tekeningen en prenten, die Bruegel heeft nagelaten, moeten vermelden. Het is enigszins begrijpelijk dat zohaast een kunstenaar tegelijkertijd de schilder-, teken- en graveerkunst beoefent, zijn picturaal œuvre op de voorgrond wordt geschoven en zijn grafische productie minder belangstelling opwekt. Hoe dit ook zou kunnen worden verklaard, toch mag worden beweerd en kan worden verantwoord, dat wie tot de geestesinstelling en tot de diepe inzichten van Bruegel wil doordringen, dat wie de verscheiden artistieke begaafdheden van de grootste kunstenaar der Vlaams-Brabantse Renaissance onverminderd wil waarderen en bewonderen, de aandacht moet gespannen houden op zijn tekeningen en prenten. Daarin heeft hij, inderdaad, veel voorbereid en gevisualiseerd dat, ofwel in zijn schilderijen minder veelzijdig kan waargenomen worden ofwel dat voorafgaandelijk moet gekend zijn, om zijn schilderijen naar al hun geestelijke eigenschappen en andere inzichten, grondig te begrijpen. Hier biedt zich slechts de gelegenheid om deze bewering te wettigen in verband met wat Bruegel vertegenwoordigt als landschapschepper en als etser.