Zoals alle andere kunstenaars hebben ook de meest geniale een leertijd moeten doormaken; ook zij hebben het 'vak' moeten leren. Hun vroegste werken vertonen dan ook meestal een grote gelijkenis met die van hun leermeesters.
In dat opzicht onderscheiden de genieën zich nauwelijks van hun minder sterk begaafde collega's. Kenmerkend voor hun genialiteit is daarentegen wel het opmerkelijke verschil tussen wat ze bij het begin van hun loopbaan presteren, en de meesterwerken die ze in jaren van grotere rijpheid op een ongeëvenaarde persoonlijke wijze verwezenlijken. Dat was bv. het geval met Michelangelo en met Rembrandt, wier vroege werken zich, althans op het eerste gezicht, nauwelijks onderscheiden van de gelijktijdige doorsneeproductie. Ook bij Rubens kan dat verschijnsel worden vastgesteld: eerst na een vrij langdurig rijpingsproces zal hij, wanneer hij vooraan in de dertig is, een eigen stijl ontwikkelen, sterk verschillend van degene waarin hij zijn eerste werken had geschilderd.
In 1677 schreef Filips Rubens, de neef van de grote Antwerpse meester aan de Franse estheet Roger de Piles, dat de werken die zijn oom vóór zijn vertrek naar Italië schilderde een zekere verwantschap vertoonden met die van Otto van Veen of Venius, zijn laatste en voornaamste leermeester. Bij deze laatste, zo deelt de Piles mede (ongetwijfeld steunend op een informatie verstrekt door Filips Rubens), maakte de jonge kunstenaar in korte tijd zulke grote vorderingen, dat men zich weldra kon afvragen wie van beiden, de leermeester of de leerling, het meest in de kunst bedreven was.