In een tijd waarin veel jonge fotografen hun gezinsleven of hun persoonlijke parcours verkennen, onderscheidt Julie Mignon zich door haar blik naar buiten te richten, naar een wereld die ze niet kende voordat ze die door haar lens waarnam: de wereld van een boerderij, waar ze evenveel belang hecht aan de mensen die de boerderij tot leven brengen als aan het vee dat er een essentieel onderdeel van vormt. Net als velen raakte ze al tijdens haar kindertijd geïnteresseerd in fotografie. „Mijn vader had een Olympus waar ik voortdurend naar gluurde. Maar omdat ik nog een kind was, mocht ik hem nooit gebruiken.” Het virus had haar echter al te pakken en rond haar vijftiende begon ze lessen te volgen aan de academie van Verviers. Logischerwijs ging ze na de middelbare school door met een eerste jaar aan Saint-Luc in Luik. Maar het klikte niet echt. „Ik ben na een jaar gestopt, zonder ooit echt te kunnen uitleggen waarom. Misschien was het niet het juiste moment. Waarschijnlijk te vroeg.” Ze zocht vervolgens haar weg in verschillende vakgebieden. „Ik heb nog een opleiding tot taaldocente gevolgd, maar ook daar heb ik maar één jaar doorgezet, voordat ik me op hotelmanagement richtte.” Ze ging niettemin in die sector aan de slag, voordat ze een kantoorbaan aannam. „Ik heb in verschillende sectoren gewerkt, maar diep van binnen geloof ik dat ik de fotografie nog steeds miste.” Ze begint haar passie dan weer uit te oefenen, puur voor het plezier. „Toen ik weer wilde beginnen, had ik geen erg goede camera. En toen gaf mijn vader me de zijne!” Deze keer zeker van haar keuze om deze richting in te slaan, keert ze terug naar Saint-Luc en wijdt ze zich eerst aan portretfotografie en studiowerk. „Dat was wat me aanvankelijk aantrok, maar naarmate ik meer leerde, werd de relatie met de ander steeds belangrijker. Ik kreeg steeds meer zin om eropuit te gaan, om te gaan kijken wat er echt bestaat in plaats van alles in de studio te creëren.”
Ze keert eerst terug naar Verviers, waar ze al zo’n tien jaar niet meer was geweest. Ze fotografeert haar geboortestad om te zien of ze zich er nog thuis voelt, of ze er nog wel thuishoort. Dan volgt de ontdekking van de boerderij. „Ik had een boer ontmoet en om te begrijpen waar hij het over had, wilde ik zien hoe die wereld eruitzag.” In haar werk is een documentaire kant terug te vinden, maar ook een manier om mensen en dieren te fotograferen die is geïnspireerd op de portrettechniek. „Het moeilijkste is om de juiste afstand te vinden. En de juiste blik. Het werk op de boerderij is erg repetitief en er was een moment waarop ik het gevoel had dat ik steeds weer hetzelfde zag. Toen moest ik beter gaan observeren om de kleine dingen te ontdekken die ik eerder over het hoofd zag.” In haar werk voel je een nabijheid, een verbondenheid met haar modellen. Of het nu mensen of dieren zijn. „Wat mensen betreft, ben ik misschien wat verlegen. Ik ben wat terughoudender. Omdat ze aan het werk zijn, probeer ik ze niet te storen. Ik heb nooit geprobeerd ze in scène te zetten, maar soms zag ik een perfect moment en vroeg ik ze even stil te blijven staan, net lang genoeg om de foto te maken. Met dieren gaat het natuurlijker. Ik begin tegen ze te praten, ze te aaien. Soms realiseer ik me dat ik tegen ze praat alsof het mensen zijn.”
Dat klopt zo goed dat je bij het zien van een groepsfoto de indruk krijgt dat ze een paar koeien bij elkaar heeft gebracht en hen heeft gevraagd stil te blijven staan en goed in de lens te kijken voordat ze de foto nam. „Het zou best kunnen dat ik dat ooit heb gezegd!”, lacht ze. En als je de foto ziet, geloof je haar zonder moeite.
Jean-Marie Wynants