De internationale erkenning van Bacon dateert uit 1959, het jaar der tentoonstelling 'Nieuwe Beelden van de Mens' in het Museum of Modern Art te New-York. Zij was het gevolg van een nieuwe belangstelling voor de figuratie die zich echter onder verrassende vormen aanmeldde in de Angelsaksische Pop-Art, in het Nieuw Realisme te Parijs en onder min revolutionaire gedaante in een fel door Bacon beïnvloede Nieuwe Figuratie.
Geboren te Dublin in 1909, in een gezin van vijf kinderen, bracht Bacon zijn jeugd door op de hoeve van zijn Engelse vader die paardentrainer was. Als kunstschilder is hij autodidact. Hij verbleef in Berlijn en Parijs en wijdde zich oorspronkelijk aan de interieurkunst.
Een doek van Roy de Maistre van 1934 dat de studio van Bacon voorstelt toont ons o.m. een geometrisch abstract werk, terwijl de weinige doeken die uit de periode van 1930 - 36 aan de vernielzucht van de kunstenaar ontsnapten o.a. invloeden tonen van Lurçat, Picasso en Ernst.
Na 1936 schildert Bacon zeer weinig. Hij herneemt in 1944 het schilderwerk dat hij in 1936 had gestaakt, nl. drie studies van een kruisweg. Wat men de Baconiaanse visie noemt manifesteert zich in 1945-46 met meesterlijke doeken: Figuur in een landschap, Figuur Studie I, Figuur Studie II (Magdalena). Alleen reeds de titels van de artikels sinds 1945 gewijd aan zijn werk, schetsen duidelijk wat men als Baconiaanse visie beschouwt: Nachtmerrie (1949), De Beeldenstorm (1951), Momentopnamen uit de Hel (1953), Meester van het Monsterachtige (1953), Verschijning van het Kwaad (1954), Een Profeet van de Ondergang (1955), Verlangen naar de Dood (1957), Wanhoop (1961), Bericht uit de Onderwereld (1962), De Kunst van het Onmogelijke (1963).