Bloemtuilen in rieten manden, vaatwerk, porceleinen schalen of edelsmeedwerk maken het voornaamste deel uit van zijn werken. Hoewel Jan Brueghel uitmuntte in het schilderen van bloemstukken en uiterst verfijnde stillevens met koffertjes vol kostbaarheden, was hij ook schilder van landschappen, dieren en historische taferelen. Studie en observatie van de natuur betekenden voor Jan Brueghel noodzakelijke uitgangspunten tot het scheppen van een kunstwerk. Schetsen, tekeningen, en afzonderlijke paneeltjes getuigen van een grondige studie van elke bloem of plant afzonderlijk. Ook de insektenwereld wekte zijn belangstelling op: vlinders, meikevers, bijen, spinnen verlevendigen herhaaldelijk stillevens en bloemstukken.
Opmerkenswaardig is wel dat hij na zijn terugkeer uit Italië volkomen vrij bleef van beïnvloeding door de grootse Italiaanse visie en integendeel een techniek ontwikkelde die zich toespitste op het detail en een uiterst verfijnd en fris koloriet nastreefde. Van dit werk zijn twee replieken bewaard - dit zijn herhalingen door de meester zelf gemaakt of in zijn atelier ontstaan - respectievelijk te Detroit en in een privé verzameling te Berlijn.
Laten wij even dit bloemstuk te Antwerpen naderbij bekijken. Jan Brueghel componeert in functie van zijn hoofdmotief: de bloem. Elke bloem wordt natuurgetrouw weergegeven op het aantrekkelijkst moment van haar bestaan, namelijk wanneer zij haar knop pas ontloken heeft. Duidelijk merken wij hoe het gebladerte grijs-groen geschilderd is, om het stralend fris effect van de bloemen niet te dempen. Men zette trouwens voor dergelijke stukken de leerlingen aan 'Groenigheyt' te vermijden om de bloemen volledig tot hun recht te doen komen. De donkere achtergrond suggereert een vage ruimte, waarin de ruiker beter uitkomt en schijnbaar aan omvang wint.
Een derde van de hoogte van het bloemstuk wordt ingenomen door een vaas met siermotieven, die verwant zijn met de ornamentstijl van Cornelis Floris (± 1514-1575), belangrijk ontwerper van decoraties, waarbij hij poogde de nieuwe door de Italiaanse kunst verspreide vormen aan te passen bij de inheemse kunst. Onmiddellijk wordt onze blik gevestigd op de twee grootste stengels: de ene met de blanke lelie, de andere met een oranje keizerskroon, die lichtjes van elkaar wegbuigend zijn voorgesteld. Langs bloemen van middelmatige grootte, zoals tulpen, irissen, pioenrozen verglijdt hij naar het meer gevulde onderste deel van de ruiker, waar wij een bepaalde voorkeur van de meester merken voor delicate bloempjes als de rode basterdmuur of het vergeet-mij-nietje.
Ondanks het grote aantal bloemen weet Jan Brueghel elke bloem in het licht te stellen, opdat zij ten volle haar vooraf bepaalde decoratieve rol zou kunnen vervullen. Alleen de bloemen, die een overgang moeten aanduiden tussen de ruiker en de donkere achtergrond en die de indruk van een volle bloemtuil moeten verwekken, zijn in de schaduw gesteld en worden ons langs een zijkant getoond. Met dezelfde vaardigheid weet de schilder de kleuren harmonisch te verbinden. Contrasteringen van wit, geel, roos en vermiljoen worden verzacht door enkele hemelsblauwe overgangen. Het minder opvallend groen van het gebladerte wordt herhaald in de medaillons van het vaatwerk. De houten tafel waar de bloemruiker op afgebeeld staat, is bijna symmetrisch versierd met bloemen en in-sekten. De onranjetak vangt onmiddellijk de lichtstraal op, die aan de linkerzijde binnenvalt en een donkere schaduw veroorzaakt op de houten tafel.
Door de nauwkeurige weergave van de natuur, een doorschijnende en zékere techniek, een zuiver ornamenteel bepaalde compositie, bereikt Jan Brueghel de Fluwelen een harmonie, een moment van probleemloze rust voor de geest, een esthetisch genot voor het oog.